+ Meer informatie

Na het vierde eeuwgetijde van de NEDERLANDSE GELOOFSBELIJDENIS

8 minuten leestijd

In het jaar 1961 hebben wij het feit mogen herdenken, dat onze confessie voor vier eeuwen het licht zag.

Op allerlei wijze is de aandacht gevraagd voor de betekenis van de belijdenis, die Guido de Brès toen op zo'n merkwaardige manier aanbood. Er zijn verscheidene artikelen over geschreven en er werden tal van samenkomsten gehouden, waarin op diverse aspecten van de confessie werd gewezen.

Soms ontvingen onze kerkeraden uitnodigingen voor een gemeenschappelijke herdenking. En niet alle ambtsdragers dachten blijkbaar gelijk over de vraag, of het wel raadzaam is om hieraan mee te doen.

Zo werd een verzoek van Ned. Herv. zijde in een niet onvermaarde stad van Nederland door twee Chr. Ger. Kerkeraden verschillend beantwoord. De ene kerkeraad antwoordde, dat hij er in beginsel niet afwijzend tegenover stond, mits de herdenking op een voor hem aanvaardbare wijze zou plaats vinden. De andere kerkeraad kwam tot de conclusie, dat een zinvolle gezamenlijke herdenking helaas niet goed mogelijk is, daar de functionering van dit belijdenisgeschrift binnen de Ned. Herv. Kerk teveel verschilt met die in onze kerken (De Wekker, 15 september 1961).

Door beide kerkeraden is dus het voor en tegen overwogen. In het eerste geval is het geen aanvaarding van het voorstel zonder meer en in het tweede geen afwijzing zonder spijt.

Samen met alle kinderen der Reformatie moesten wij kunnen getuigen van de zegen, die God Zijn kerk in ons vaderland door middel van de confessie geschonken heeft.

Wij mogen echter niet doen alsof de belijdenis in een kerk, die haar niet handhaaft, dezelfde betekenis heeft als in een kerk, die daar wel naar staat. Als de functie van de belijdenis in geding is, is het een kwestie van eerlijkheid om dat thema bij een kerkelijke herdenking ook uitdrukkelijk aan de orde te stellen.

De „ware christelijke belijdenis der Nederlandse kerken” werd wel als om strijd geprezen, maar er zijn toch ook kritische geluiden gehoord.

Dat verwondert ons niet, als wij bedenken dat de theologie van 1961 in het algemeen niet meer die van 1561 is. Velen vragen om een nieuw belijden!

Er is op zichzelf niets tegen om de oude waarheid opnieuw onder woorden te brengen. Wij zweren niet bij de letter van de belijdenis.

Er is een zekere vrijheid bij het vertolken van de waarheid Gods. Guido de Brès had een bewerking kunnen geven van de Franse Geloofsbelijdenis, die door niemand minder dan door Calvijn was opgesteld. Hij heeft er wel een dankbaar gebruik van gemaakt, en de Nederlandse confessie harmonieert met de Franse, maar ze is er beslist geen kopie van.

Het is niet onmogelijk om bepaalde passages van onze belijdenis te verduidelijken door een andere formulering. Dàt is het echter niet, wat men op het oog heeft als men pleit voor een nieuw en actueel belijden in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Waarom anders „in gemeenschap met” en niet „in overeenstemming met”?

In het weekblad „Hervormd Nederland” verscheen onlangs een serie artikelen „In gesprek met de Nederlandsche Geloofsbelijdenis”. Niet altijd luisteren de deelnemers aan dit gesprek echter goed naar de belijdenis en soms spreken ze haar zelfs openlijk tegen.

Zo zegt dr. K. Strijd in een beschouwing over „Verzoening door voldoening” (Herv. Nederland, 23 sept. 1961): „Vanuit een nauwgezet onderzoek van de bijbel worden, naar ik meen terecht, vele bezwaren tegen de uitdrukkingswijze en de gedachtengangen in deze artikelen (art. 20 en 21) van de N.G.B, ingebracht”. „Een nieuw geformuleerd belijden zal de ernst, die spreekt uit de realiteit van Gods toorn, niet mogen verliezen. Wij zullen echter termen als „voldoening” door het „dragen van de straf” en het „stillen van Gods toorn” door Christus' straflijden, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift niet meer mogen gebruiken”. Volgens deze auteur zegt het Nieuwe Testament, dat God in Jezus de Messias aan en in deze wereld handelt, in solidariteit met de mensheid en de mens.

Blijft hier nog iets over van de belijdenis van de verzoening door voldoening?

In een artikel over de voleinding (Herv. Nederland, 25 nov. 1961) maakt ds. H. C. Touw o.m. deze kritiek op art. 37: „A1 te massief worden dan „de bozen en de goddelozen” gescheiden van „de vromen en uitverkorenen. Te weinig wordt dan recht gedaan aan het „want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen (Rom. 11 : 32)”.

Hij is er diep dankbaar voor, dat de kerk in onze tijd op telkens nieuwe wijze belijdt, en hij denkt daarbij aan „Fundamenten en Perspectieven van belijden”, de „proeven van hernieuwd reformatorisch belijden”, die de Gen. Synode van de Ned. Herv. Kerk in 1949 publiceerde.

Het is intussen al wel gebleken, dat de „gemeenschap met de belijdenis der vaderen” in de Ned. Herv. Kerk een rekbaar begrip is! Het gevaar is groot, dat deze belijdenis zelf hoe langer hoe meer op de achtergrond raakt.

Of zal de herdenking van 1961 leiden tot nieuwe bezinning op de waarde van de belijdenis?

Maar ook voor ons is het de vraag, wat deze herdenking nalaat. Het gaat erom, dat de belijdenis zelf tot ons spreekt en bij ons weerklank vindt. Zij is er immers niet om bewonderd maar om beleden te worden!

En hoe meer wij dan ontdekken hoe rijk en diep ons belijden is des te meer zullen wij dankbaar instemmen met het „wij geloven allen met het hart en belijden met de mond” van onze confessie Het is geen document dat om zijn eerwaardige oudheid ons bindt Het gezag van de belijdenis wordt ons niet door het grijs verleden opgelegd. Maar zij wordt door het geloof der gemeente gedragen en bezield en gaat zo mee van geslacht tot geslacht als „de zuiverste uitdrukking van ons geloof, de duidelijkste uiteenzetting van de waarheid Gods, de schoonste uitstalling van de schatten des heils, welke door God in Christus ons geschonken zijn” (dr. H. Bavinck).

Bij de viering van het vierde eeuwfeest van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis was er één ding, dat ons bedroeven moest: het feit dat degenen, die de gereformeerde belijdenis niet willen verloochenen, kerkelijk zo verdeeld zijn

Dat ligt niet aan onze geloofsbelijdenis.

Zij is „ghemaeckt met een ghemeyn accoort” en heeft van het begin af gediend als formulier van enigheid. En zij zegt met grote nadruk, dat wij de enigheid der kerk hebben te onderhouden, ons onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, de hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwmg der broederen (art. 28).

Daarom kunnen wij geen vrede hebben met de bestaande toestand. Herstel van de verbroken eenheid der kerk is echter niet te verwachten als de belijdenis op essentiële punten verschillend verstaan wordt.

Indien wij dit constateren is het onze roeping om er naar te staan om elkaar te vinden in het belijden naar het Woord.

Zonder van de ernst van de verdeeldheid iets af te doen zullen wij daarbij ook niet mogen vergeten, hoeveel wij gemeen hebben met anderen, die de belijdenis begeren te handhaven.

De ambtsdragers gaat de confessie wel bijzonder aan. Hun verbintenis aan de belijdenis is er het bewijs van!

Sinds de Nationale Synode van Dordrecht (1618-19) zijn de dienaren des Woords verplicht om de belijdenis te ondertekenen, en sedert de Synode van 1836 — de eerste na de Afscheiding — ook de ouderlingen en diakenen. In 1836 was het motief „dat daardoor alle dubbelzinnigheid en dubbelhartigheid worde voorkomen”.

Volgens de bewoordingen van het ondertekeningsformulier verklaren wij als ambtsdragers oprecht en in goede consciëntie voor de Here, dat wij van harte gevoelen en geloven, dat al de artikelen en stukken der leer, in de Drie Formulieren van Enigheid begrepen, in alles met Gods Woord overeenkomen, en beloven wij, dat wij deze leer getrouw zullen voorstaan.

Wie de belijdenis nauwelijks kent, kan dat niet zeggen. Onze belofte bij ambtsaanvaarding vraagt dus ook van ons, dat wij ons erin verdiepen.

Zij houdt in, dat wij haar lezen bij het licht van de Heilige Schrift. Wij moeten immers de overtuiging hebben, dat de leer der confessie in alles met Gods Woord overeenkomt.

Er vloeit uit voort, dat wij het voor haar opnemen in een tijd, waarin zij in meer dan een opzicht wordt weersproken: ik denk aan de belijdenis van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift, de uitverkiezing, de verzoening en de kinderdoop. En er zou nog veel meer te noemen zijn.

Het is met name de taak van de ouderlingen om acht te geven op de onderhouding van de zuiverheid der leer en de vroomheid des levens in de gemeente des Heren (Bevestigingsformulier).

Moge de band aan de belijdenis, die voor ambtsdragers van de grootste betekenis is, mede door de herdenking van het vierde eeuwgetijde van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis versterkt zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.