+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

34.

Tegenover al de ballast die de reizigers naar Sion soms hebben te torsen, stelt de Heere de blijken en bewijzen van Zijn vaderlijke zorg. Het is een beproeving om gelouterd te worden in het vertrouwen op de Heere. Op zichzelf is die ballast een kwelling voor het geestelijke leven, maar anderzijds is het hem toch gedurig tot zegen geweest, werkte het mede ten goede.

„En wat was hier gekomen bij de rivier des doods, nu zo merkwaardig? Het water van de rivier was op dit tijdstip lager dan ik ooit tevoren had gezien, zodat, toen hij de overgang eindelijk waagde, hij nauwelijks tot aan de enkels in het water kwam. Toen hij dicht bij de poort gekomen was, nam ik afscheid van hem, en wenste ik hem een goede ontvangst daarboven toe. „Ja”, sprak hij, „die wacht mij! die wacht mij! ” Toen scheidden wij en ik zag hem niet meer”.

Aandachtig heeft Eerlijk geluisterd en dat bracht hem tot de uitroep: „Dus hij is toch goed aangeland! ” De Schrift zegt: „Let op de vrome en zie naar de oprechte, want het einde van die man zal vrede zijn”. Al de twijfelgeesten ten spijt is Vreesachtig in de Heere ontslapen.

„Wel zeker”, zei Stoutmoedig. „Daar had ik trouwens nooit aan getwijfeld. Hij was een man van edele zin, maar hij achtte zichzelf altijd zeer gering. Daarvan nu wist de vijand gebruik te maken en dat maakte zijn leven zo moeilijk voor hemzelf en dikwijls lastig voor anderen. Daarenboven had hij een zeer teder geweten, en was zo bevreesd anderen te ergeren, dat hij met de grootste gewilligheid zich ontzeide wat op zichzelf volkomen geoorloofd is, alleen omdat hij anderen geen aanleiding tot zonde wilde geven!” En dat was in overeenstemming met dit woord: „Daarom indien de spijze mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere”. Hij wenste dus zijn medebroeders in alles tot zegen te zijn.

Belangstellend kwam Eerlijk nu tot de vraag: „Maar wat zou de reden zijn, dat zulk een uitnemend man zulk een groot deel van zijn leven in het duister heeft moeten doorbrengen?”

Stoutmoedig zei: „Er kan tweeërlei reden voor worden aangegeven. De één is dat het Gods bestel is, dat de één tot snarenspel, de ander tot wenen geneigd is. De Heere Jezus spreekt van kinderen die op de fluit spelen en van anderen die klaagliederen zingen. Nu was onze goede Vreesachtig één dergenen, die enkel de baspartij kunnen zingen. Zijn stemgeluid was diep en droefgeestig, en nu heb ik wel eens gehoord, dat de bastoon eigenlijk de grond en het uitgangspunt van alle muziek is. En wat mij betreft, ik heb niet veel op met een belijdenis, die niet geworteld is in verslagenheid des geestes. Als de musikus zijn speeltuig wil stemmen, begint hij doorgaans met de bas, en wanneer God de Heere een mensenziel op de rechte toon wil stemmen, doet Hij eveneens. Alleen was dit het onvolmaakte in Vreesachtig, dat er bijna tot aan het einde van de reis geen andere muziek aan zijn ziel te ontlokken was. Ik gebruik deze beeldspraak, ook omdat in het boek der Openbaring de verlosten worden voorgesteld als spelende op de harp en lofliederen zingend voor de troon van God”.

Eerlijk: „In weerwil van dat alles was hij een man vol ijver, zoals ik opmaak uit hetgeen gij mij meedeelt. Geen moeiten, geen leeuwen op de weg, geen IJdelheidskermis konden hem afschrikken of bekoren. Alleen zonde, dood en hel waren hem een schrik, omdat hij door twijfel gekweld werd of zijn deel aan de eeuwige zaligheid wel zeker was”. En dat bracht hem steeds meer tot de zelfbeproeving of hij wel in het geloof was dat de Heere aankleeft.

Veeltijds werd Vreesachtig gekweld door de vrees bedrogen uit te zullen komen, en dat deed hem denken aan de dwaze maagden, die in vele opzichten overeenstemden met de wijze maagden. Maar hij was niet bevreesd voor de naam en zaak des Heeren uit te komen. Daarvoor strijden en arbeiden was zijn lust en leven. Ik geloof, dat zoals het spreekwoord zegt, hij door een vuur zou zijn gegaan, als het nodig was geweest.

„Dat gesprek over Vreesachtig”, zei Christinne, „heeft mij goed gedaan; ik dacht eerst, dat niemand mij gelijk was, maar nu bespeur ik, dat er grote overeenkomst bestaat tussen deze man en mij. Alleen in tweeërlei opzicht verschillen wij. Zijn angsten waren zo groot, dat zij zich naar buiten openbaarden, terwijl mijn onrust altijd meer voor anderen verborgen blijft. Ook ging hij onder zijn vrees zo gebukt, dat hij aan de plaats, waar wij rust konden genieten, niet durfde aankloppen, terwijl ik juist door innerlijke vrees gedreven, des te luider klopte”.

Barmhartigheid: „Als ik mijn hart recht uitspreek. dan moet ik zeggen dat ik die vreze ook wel ken. Nog telkens ben ik meer bevreesd voor het oordeel en het verliezen der hemelse erfenis, dan dat ik bezorgd ben over het verlies van tijdelijke dingen. Indien ik daar slechts mag aanlanden waar geen zonde meer gekend wordt, dan zou ik de ganse wereld wel willen geven! ”

Nu zei Mattheüs: „Mijn gedurig vrezen heeft mij al dikwijls met bekommering vervuld of het onmisbaar vereiste om de zaligheid te beërven mij niet ontbrak, maar als zulk een man zo met vreze vervuld was, dan behoef ik mij daardoor niet te laten ontmoedigen”. „Geen vrees, geen genade! ” zei Jacobus, „ofschoon er nog wel niet altijd genade wordt gevonden, waar vrees voor het oordeel bestaat. Maar dit is zeker, er kan geen genade zijn, waar de vreze des Heeren niet gekend wordt”.

Stoutmoedig: „Juist opgemerkt, Jacobus, uw woord heeft het juiste doel getroffen. De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid en voorzeker, zij die de wortel der zaak missen, kunnen noch de plant, noch de vrucht hebben”.

En nu zullen wij ons gesprek over Vreesachtig eindigen terwijl wij afscheid van hem nemen met de volgende regels:


Gij, vriend Vreesachtig, vreesdet God,
En vreesdet te allen tijd,
Te doen, wat u een treurig lot,
Hiernamaals had bereid.


Gij vreesdet poel en afgrond; -och,
Volge elk daarin u na,
Dat zo ook hij zich hoeden mag
Voor eigen, eeuw’ge scha.


Wij moeten één plant met Christus worden in de gelijkmaking Zijns doods tot doding van de smet der zonde, opdat die niet de overhand bekome.

Door plaatsbekledend af te dalen in de vloekdood des kruises, werd de Borg droevig, zeer beangst en verbaasd. Zijn gehele ziel was bedroefd tot de dood toe. Hij heeft de daad der zonde ten volle beweend en de straf der zonde ten volle gedragen. Maar al smaakt de pelgrim in Christus Gods verzoenende liefde, dan nog lijdt zijn ziel met vrees, angst en droefheid in het omdragen van de smet der zonde. In de kracht van Christus hebben wij door het geloof onze oude mens te kruisigen, te doden en te begraven, opdat de boze lusten van het vlees in ons niet regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid offeren. En zo gaat de doding van onze oude mens altijd met droefheid, angst en verbaasdheid gepaard. Ge kunt soms beven en sidderen voor het verderf der hel, dat is in de smet der zonde. De Heere laat ons blikken in de afgronden der ongerechtigheid. Hier sprak Jesaja: „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man ben van onreine lippen”. Alleen door een gloeiende kool van het altaar des Heeren kan de smet der zonde van dag tot dag weggebrand worden om Zijn lof te verkondigen.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.