+ Meer informatie

"Jij mag vanmorgen naar tante Marian"

8 minuten leestijd

Zodra de deur opengaat, worstelt Mark zich los. „Krijg ik nog een kusje. Mark?", vraagt z'n moeder. Maar nee, het ventje gunt zich geen tijd om terug te komen. Vanmorgen mag hij immers naar tante Marian? En daar zit hij al, bij de prachtige hijskraan. Z'n moeder is hem toch maar even achterna ge gaan. „Dag Mark, tot straks hoor." Met een half oog naar de hijskraan kan er dan toch nog een kusje af voor moeder...

Op de ruime zolder van een huis in Alblasserdam klinken kinderstemmen. Een achttal peuters vermaken zich met allerlei speelgoed. De een past houten treinrails aan elkaar. Een ander ligt op de grond en onderzoekt vanuit die positie hoe een koffertje open en dicht kan. Er wordt met auto's en met het poppenhuis gespeeld: de kinderen zijn druk bezig. Mevrouw Janse, ofte wel tante Marian, zoals de kinderen haar noemen, houdt een oogje in het zeil. Al zes jaar staat het huis van mevrouw Janse open voor peutertjes van (bijna) 3 jaar totdat ze naar de basisschool mogen. De kinderen komen één ochtend in de week. Meer kan helaas niet, al zouden de meesten het dolgraag willen. Maar tante Marian wil zoveel mogelijk kinderen laten genieten van haar kleine peuterspeelzaal. Drie morgens per week is de zolder bezet. En zo kunnen dus maximaal 24 kinderen elke week één morgen bij haar komen spelen.

Werkende moeders
Er zijn sinds de jaren zestig bijna overal peuterspeelzalen gekomen. Heel veel kinderen bezoeken -voordat ze naar school gaan- zo'n peuterspeelzaal. Meestal gaan ze er twee dagdelen per week naar toe. Werkende ouders hebben hier niet veel aan. Maar dat is dan ook het doel niet. Een peuterspeelzaal is er voor de kinderen, in tegenstelling tot het kinderdagverblijf, waar vorige keer over te lezen was. Dat kun je bij voorbeeld zien aan de openingstijden. Kinderen kunnen heel vroeg gebracht worden en blijven er totdat moeder (of vader) na werktijd het kroost weer op komt halen. Tegen deze vorm van kinderopvang zijn bezwaren van pedagogische aard. Een heel jong kind kan niet zomaar uitbesteed worden aan nogal eens wisselende leidsters. Hoe zal het kleintje een band krijgen met vader en moeder? Hoe zal het veiligheid en rust ervaren in het gezinsleven? Er zijn ook bezwaren van principiële aard aan te voeren. En dan denken we aan de godsdienstige opvoeding. Hoe onbekwaam we ook zijn om ons kind in de vreze des Heeren op te voeden, er ligt toch een plicht. Dan kan het niet zo zijn, dat we -behalve in noodsituaties- onze nog zo jonge kinderen de hele werkweek bij anderen brengen. Het moederbelang mag niet vóór het kindbelang gaan. Moeders kunnen, als ze hun doopbelofte serieus ne- > men, niet gaan werken omdat het gezin hun te 'eng' is, of om het grotere inkomen en de luxe die men zich daarom kan veroorloven. Toch zijn er werkende moeders. In de onderwijswereld wordt bij voorbeeld nogal eens een beroep gedaan op getrouwde vrouwen die voorheen voor de klas stonden. De nood kan inderdaad heel groot zijn, want wat is een klas zonder juf? Maar dan nóg moet je je afvragen of dit wel de enige mogelijkheid is. In het belang van je jonge kind is het werk wellicht te delen met een ander.

Peuterspeelzaal
Vóór de kinderen naar de basisschool gaan, hebben ze meestal AL enkele jaren peuterspeelzaal achter de rug. Ze komen, als ze een jaar of twee zijn, enkele dagdelen in een kindvriendelijke omgeving terecht. Er is allerlei speelgoed, meestal ook een zandbak, soms een glijbaantje of een klimrek. De leidsters knutselen met de kinderen, lezen voor, doen spelletjes, en dergelijke. Er zijn ook regels, waar kinderen zich aan moeten houden. Zonder echte dwang uit te oefenen, spelenderwijs, weten de leidsters vaak de kinderen zover te krijgen, dat ze gehoorzamen. Dat lezen we bij voorbeeld in het verhaaltje over Thijs. De kinderen leren heel wat. Ongedwongen pikken ze veel op van de spelletjes, de verhaaltjes en de versjes. Het is helemaal niet de bedoeling om een soort voorbereidend onderwijs te geven. Er wordt niet gericht geoefend. Het ontwikkelingstempo van elk kind is verschillend en de leidster speelt daarop in. De spelletjes sluiten aan bij de ontwikkeling. Elk kind wordt door de leidster gestimuleerd om mee te doen. Dat geldt evengoed voor het knutselen. Een kind dat nooit durft te verven, heeft soms wat hulp nodig om over een drempel heen te stappen. Zo ervaart het kind, wat het is om tussen een groepje kinderen te spelen.

Middelpunt
Mevrouw Lodewijks-Frencken zegt in haar boek "Dag Marietje, tot vanavond" dat de speelzaal een mogelijkheid is tot opvoeding van jonge kinderen in groepsverband. Het kind leert speelgoed delen, op zijn beurt te wachten bij de glijbaan, wachten tot iedereen zijn beker open heeft om te drinken, en kringspelletjes doen. Kinderen leren een deel van de groep te zijn. „Peuters ervaren zichzelf als middelpunt van de wereld. Het voor een aantal korte periodes per week deelnemen aan een groep leeftijdgenootjes kan hen helpen hiervan los te komen. Het natuurlijke egocentrisme van peuters wordt in onze cultuur erg versterkt door kleine gezinnen en door een opvoedingsstijl waarbij de relatie tussen ouders en kind een zeer exclusief karakter kan krijgen in de zin dat het eigen kind door de volwassenen te zeer als iets bijzonders wordt gezien. In de speelzaal is het kind gewoon één van de velen", aldus mevr. Lodewijks.

Advies
Het kan gebeuren dat moeders op het kleuterbureau het advies krijgen om hun kind naar een peuterspeelzaal te sturen. Voor de ontwikkeling heeft zo'n kind deze afwisseling nodig. Of het is thuis zo alleen; het is eenzelvig, verlegen, teruggetrokken. Of het kind heeft behoefte aan de omgang met andere kinderen, en in de buurt zijn die er niet. Of z'n vriendje gaat er ook naar toe. Heel veel motieven, zowel vanuit het kind als vanuit de gezinssituatie, zijn aan te voeren om een peuterspeelzaal te zoeken voor je kind. Is daar wat op tegen? Kun je je kind daar wel naar toe brengen? Op deze vragen zal verschillend geantwoord worden. Ik ben van mening dat een kind wel enkele dagdelen ergens kan gaan spelen. Maar.... het is niet eender waar je je kind brengt! Van verschillende ouders hoorde ik, hoe het soms toeging op neutrale (en christelijke?) peuterspeelzalen. Regelmatig hoorden ze van hun kind rare liedjes, vreemde vertelsels, bastaardvloeken en dergelijke. Vooral ook rond Sinterklaas, Kerstfeest en het carnaval kwam het grote verschil tussen de sfeer thuis en op de peuterspeelzaal naar voren. Eén moeder haalde het kind er na vier maanden weer vandaan. Ze zei: „Juist in die eerste kinderjaren moet je je kind niet overgeven aan zo'n omgeving, die totaal niet past bij jouw opvattingen. Vreemd eigenlijk, dat we wel een reformatorische basisschool zoeken voor onze kinderen en de kleintjes zo gemakkelijk naar een peuterspeelzaal om de hoek laten gaan."

Alternatief
In verschillende plaatsen in ons land zijn wel "ref^ormatorische peuterspeelzalen". Meestal zijn ze niet zo professioneel als de andere speelzalen en vaak ook niet gesubsidieerd. Maar ze bestaan, en dat tot grote tevredenheid van ouders èn peuters. In Alblasserdam werkt tante Marian. De kinderen zitten aan een grote tafel op peuterhoogte. Ze mogen vanmorgen met krijt werken. Geanimeerd wordt met forse gebaren het papier versierd. Tante Marian helpt, stimuleert en weet met zachte hand alle kinderen aan het krijten te zetten. Onderwijl noemt ze de kleuren. Natuurlijk kunnen de kleintjes nog niet zo lang aan 't zelfde werk bezig zijn. Maar dat hoeft ook niet. De puzzels komen op tafel. Er kunnen kralen geregen worden, er zijn blokken en insteekmozaïek. Maar ook op de vloer is veel te beleven. De kinderen mogen kiezen waarmee ze zullen gaan spelen. Pieter en Jolanda willen allebei met de brandweerauto rijden. Maar tante Marian bemiddelt. „Eerst mag Pieter. Hier Jolanda, jij mag met de mooie telefoon spelen." En tevreden spelen de peuters verder. Er zijn -net als op andere speelzalen- ook hier vaste tijden, een vast ritme, waar de kleintjes zo aan gewend zijn. Om vijf voor tien worden de kinderen weer bij elkaar geroepen. Tijd om te gaan drinken, en daar hoort ook een lekker kaakje bij. Na het drinken spelen ze weer verder. De tijd vliegt om. Het is zo vijf voor elf Dan zitten de kinderen op de bank, klaar om te luisteren. Tante Marian gaat vertellen, deze keer over de verloren zoon. „Ik doe dat maar heel eenvoudig. Er bestaan verschillende boeken met duidelijke platen en zo laat ik dan al vertellend de platen zien. Natuurlijk duurt zo'n vertelling maar heel kort. We zingen daarna soms wat eenvoudig versjes."

Voorrecht
Na de vertelling doet tante Marian samen met de kinderen wat bewegingsspelletjes. Leuke versjes zingen ze daarbij. Vol overgave klappen de kinderen in hun handen en stampen op de grond. Ze wijzen naar hun schouders, hun knieën en hun tenen. Dan volgt het voorlezen uit Nijntje, tot tante Marian zegt: „Pak de banaantjes maar eens, Rieneke." Er volgt een heerlijke smulpartij. De bananen gaan grif naar binnen, en als de handen schoon zijn, staan de moeders al weer te wachten. Het is wel een voorrecht, dat er zulke peuterspeelzalen bestaan; heel eenvoudig, lang niet zo professioneel als andere peuterspeelzalen, maar wel met het allerbelangrijkste, namelijk een opvoeding in dezelfde lijn als het gezin. Ik weet het: de meeste van onze kinderen kunnen best zonder peuterspeelzaal. Maar als je tante Marian bezig hebt gezien, kun je begrijpen hoe fijn het voor de kinderen is om elke week daar een poosje te mogen spelen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.