+ Meer informatie

BEGRAFENISRITUELEN

8 minuten leestijd

AANLEIDING

Aanleiding voor deze opmerkingen is gelegen in het feit, dat de vormgeving van begrafenisdiensten vandaag nogal kan afwijken van wat vroeger gebruikelijk was. De dominee leidde het geheel en was dus als enige aan het woord. Was er iemand, die namens een of ander verband iets wilde zeggen, dan gebeurde dat uitdrukkelijk voorafgaande aan het eigenlijke gebeuren. Namens de familie sprak wel meestal iemand na afloop van de plechtigheid een dankwoord.

Vaak had eerst in het huis van de overledene een dienst plaats — van soms aanzienlijke lengte — voor de directe familie; daarna was er in de kapel van de begraafplaats een nagenoeg volledige dienst voor allen. Nú zal het in de regel gaan om één dienst in de kerk of in de kapel, waarin alles plaats vindt. En dáár kan nu ook wel eens een probleem zitten.

Niet meer vanzelfsprekend vormen én overledene én familie in het geheel een kerkelijk gezelschap. Vervolgens wordt nu ook nagenoeg alles een dienst genoemd, óók als het om een puur geseculariseerd gebeuren gaat.

Het eindresultaat is dat je als aanwezige soms met gekromde tenen zit omdat je denkt in een soort cabaretvoorstelling terechtgekomen te zijn, waar het de dominee dan ook nog vergund is enkele woorden te spreken. De volgende vraag dient zich dan aan: Moet je als predikant dan voor die ‘eer’ bedanken of moet je onder alle omstandigheden medewerking verlenen tot je jezelf ook niet aan het idee kunt onttrekken kleinkunstenaar te zijn?

TWEE HOOFDVORMEN.

Om die laatste vragen te beantwoorden lijkt het mij praktisch om een hoofdon-derscheid te maken in twee vormen. Daarbij laat ik mij leiden door een dubbele overweging. De eerste is een opmerking van Prof. J. Hovius: als je gevraagd wordt bij een begrafenis te spreken, doe het dan altijd, want het is voor sommigen de enige gelegenheid waarbij ze het evangelie horen. Vervolgens: een kerkelijke begrafenis is — hoe je deze verder ook noemt — een dienst van Woord en gebed. Dat lijkt me een principieel gegeven. Om aan beide overwegingen recht te kunnen doen hanteer ik voor mijzelf een onderscheid tussen een niet-kerkelijke en een kerkelijke uitvaart. Dat schept ook duidelijkheid bij de gang door iets, dat soms wordt ervaren als het laveren tussen Scylla en Charybdis.

EEN NIET-KERKELIJKE BEGRAFENIS

De predikant wordt wel gevraagd te spreken bij de uitvaart van iemand die geen of geen duidelijke relatie meer met de kerk heeft. Soms gebeurt dat door familie van wie hetzelfde geldt, soms ook door familie ‘die er nog wel aan doet’. Je kunt je wel eens afvragen wat de overwegingen daarbij zijn. Vinden ze de man, die ze bij deze of gene gelegenheid tegen kwamen een aardige vent of vinden ze dat de dominee er bij een dergelijk gebeuren nu eenmaal bij hoort? Of zit die wat vage band eigenlijk toch wel dieper? Er blijkt behoefte te zijn aan rituelen. Misschien behoren wij ook slechts bij het ritueel. Daarmee raken we de eerste vraag: en wat dan nog.…? Wij zijn er niet om overwegingen te beoordelen. Wij zijn geen kenners van het hart. We moeten ons dan ook niet gedragen alsof we dat wél zijn. Onze taak is het om getuigenis af te leggen van de hoop die in ons is, om met de apostel Petrus te spreken.

Vervolgens: wij spreken niet over de doden, maar wel tot de levenden. Dit geldt niet tot in het absurde, maar het is wel een goed uitgangspunt bij wat we zeggen. We spreken in elk geval niet op voorhand het eindoordeel over de overledene uit.

Als we dít in acht nemen, kunnen we ook veel accepteren dat nu niet direct de eigen keus zou zijn. Dat geldt vaak al de muziekkeus. Maar over Mieke Telkamp kom je best wel weer heen. Dat geldt misschien ook wel andere uitingen van genegenheid, van het branden van kaarsjes tot de klap op de kist bij wijze van afscheid. Maar we hebben de gelegenheid iets te melden. En we hébben iets te melden. Maar hiervoor gevraagd moet de predikant wel van het eerste moment af laten blijken dominee te zijn en geen conferencier. Men dient zich dát bewust te zijn en te aanvaarden dat dus de Bijbel open gaat. De predikant mag zich geen inhoudelijke beperkingen op laten leggen door een ander. Al zijn er wel beperkingen, maar die behoor je als predikant zelf te kennen. Ook de beperking in de tijd.

We hebben iets te melden. Daarom hoeven we niet bang te zijn voor het gehoor, ook niet voor het mogelijk kritische gehoor. Maar laten we a.u.b. wel van begin tot eind de mensen serieus nemen — als medemens — met pijn en moeite en vragen, zoals wij die allen hebben. Waar dat gebeurt — dat is soms meer in een wederzijds aanvoelen dan in rationeel doordachte woorden — daar is er ook de bereidheid om te luisteren.

In een dienst onder vergelijkbare omstandigheden, waar een paar honderd dertigers, vrienden van de overledene, aanwezig waren, het gros niet kerkelijk, werd gesproken over de tekst uit Prediker 4: ‘Het hart der wijzen is in het huis van rouw, maar het hart der dwazen in het huis van vreugde’. Daarvoor was merkbaar intense aandacht. Wat dat uithaalde weten we niet. Dat hoeven wij ook niet te weten. Wezenlijk is, dat er rekenschap afgelegd kon worden van de hoop die in ons is.

EEN KERKELIJKE BEGRAFENIS

Deze is — ongeacht hoe men die noemt — een dienst van Woord en gebed, als regel schematisch ongeveer ingedeeld als volgt: Votum — groet — zingen — gebed — Schriftlezing — verkondiging — gebeden — zingen — zegen — en een afsluiting aan het graf. Deze dienst is tegelijk ook afscheid van iemand die ons dierbaar is als familielid, gemeentelid of bekende. Dit laatste mag wel degelijk een plaats hebben in het geheel. Dat zal — meer dan vroeger — tot uitdrukking komen in onderdelen van de dienst die door de familie worden ingevuld: een gesproken woord van nagedachtenis, waarin herinneringen een plaats zullen hebben, een gedicht of ook een gebed of Schriftlezing. Er kan daarbij ook de behoefte zijn om een teken van liefde en respect op te stellen in de vorm van een brandende kaars of iets dergelijks.

Mogelijk kunnen daar zaken bij zijn waarvan je in eerste instantie zegt: het zou mijn keus niet wezen. Maar dat laatste doet er niet zo veel toe. In de praktijk ben ik ook in aanraking gekomen met vormen die bij mijzelf niet opgekomen zouden zijn, maar die zo oprecht en liefdevol waren, dat ze niet alleen geen aanstoot gaven, maar daardoor juist indrukwekkend waren.

Doorslaggevend is niet of het — bij ons eventueel — nog nooit vertoond is, maar wel of het een plaats kan hebben in een dienst van Woord en gebed. En daar komt de goedbedoelende en soms wat minder goedbedoelende familie om de hoek kijken. We kunnen met enige uitleg er meestal de familie wel op aanspreken. Maar juist daarom moet er ook een goed contact zijn met de ondernemer. Er moet tussen de predikant en hem geen frictie of onduidelijkheid mogelijk zijn. Helaas zijn er verzekeringsmaatschappijen — we noemen geen namen — die mensen opzadelen met ondernemers die kerkelijk gezien van toeten noch blazen weten. Mede in verband daarmee een paar mogelijk overbodige adviezen:

Als de overledene gemeentelid is hebt u — zie uw beroepsbrief — de leiding.

• Sta op uw strepen ook en misschien allereerst naar de uitvaartleider toe. Maar ook naar de familie toe. Die is niet altijd kerkelijk meelevend. Als het goed is, is het niet nodig. Als het niet goed is, is het extra nodig. Zorg dat u niet voor voldongen feiten komt te staan. Wees erbij als afspraken worden gemaakt. Dat kost misschien extra tijd, maar voorkomt narigheid.

• Het evangelie heeft het laatste woord. Laat wat de familie verzorgt vóór in de dienst plaatsvinden, mogelijk na het openingsgebed en vóór de Schriftlezing. U hebt zo de gelegenheid tot bijsturing en eventueel correctie.

• Houd rekening met de tijd en laat dat ook door anderen doen. Wijs hen indien u problemen ziet aankomen zonodig op hun verantwoordelijkheid. Sommigen die al gauw vinden dat een dienst te lang duurt kennen hun eigen grenzen niet als ze zelf aan het woord komen. Een dienst, waarvan de tijd voor driekwart op gaat in de randverschijnselen, voldoet niet aan de vereisten die gesteld mogen worden aan een dienst van Woord en gebed.

Ten slotte: Wees eerlijk. Een melding op de avond voor de begrafenis: ‘Dominee, de man die u morgen begraaft was een steunpilaar voor de kerk, maar een ploert voor zijn gezin…’ Doe niet net alsof dat niet gehoord is. Het hoeft natuurlijk niet letterlijk overgenomen te worden; het is een emotioneel getuigenis omtrent een emotionele geschiedenis die meestal meerdere kanten heeft. Maar zalf er niet overheen. Dan ketst nl. élk woord en dus ook het Schriftwoord af op een onverwerkt verleden. Maar bovenal: ook en juist onder dergelijke omstandigheden heeft de Schrift iets — heel veel zelfs — te zeggen. Het zou pas werkelijk verdrietig zijn als het dan niet gezegd was.

Ds. J. Manni (1940) is emeritus predikant van Rotterdam-Centrum.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.