+ Meer informatie

Van tunnelvisie naar breder en dieper economisch inzicht

In gesprek met prof. dr. I.P. van Staveren over het onderscheid tussen economie en ideologie

25 minuten leestijd

In de zomer van 2008 was daar ineens de financiële en economische crisis. Veel economen schrokken van de impact van deze crisis. Maar nu we acht jaar later het ergste achter de rug lijken te hebben, is het weer business as usual. Onder economen en beleidsmakers heerst nog steeds het oude eenzijdige economische denken dat markten altijd efficiënter zijn dan inefficiënte overheden. Dat verontrust Irene van Staveren, hoogleraar Pluralistische ontwikkelingseconomie, in hoge mate. Daarom schreef zij een nieuw leerboek over economie waarin ze aandacht vraagt voor de diversiteit aan inzichten en theorieën onder economen.

In uw boek ‘Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest’ behandelt u tien ‘vergeten’ economen. Aan welke economen zouden politici vandaag de dag vooral meer aandacht moeten (gaan) geven?

‘In essentie pleit ik voor meer diversiteit in de economie als wetenschap, zowel in het onderwijs als in de artikelen in toptijdschriften. Het gaat mij niet om een alternatieve economiebeschouwing die in de plaats komt van het huidige dominante neoklassieke verhaal. Niet in plaats van, maar ernaast zouden ook visies van andersdenkende economen aan bod moeten komen. In hoofdstuk tien van mijn boek tref je daarom een pleidooi aan voor pluralisme in plaats van de gebruikelijke tunnelvisie’.

‘Volgens mij is het enorm belangrijk dat bij elk economisch probleem waar de politiek vandaag de dag mee worstelt, of dat nu de gezondheidszorg is of de euro, de inzichten van meerdere economen worden benut om daarover het licht te laten schijnen. Mijn advies is: bestudeer eerst economen uit verschillende scholen en stromingen en maak daarna pas je afweging. In plaats van een vooringenomen positie kiezen, waar passende argumenten bij gezocht worden. Argumenten zijn er te over en altijd wel te vinden. Maar als ze volgens deze werkwijze gevonden worden, kun je dat niet beschouwen als een wetenschappelijk goed gefundeerde argumentatie’.

Hoe kon het volgens u gebeuren dat het concept van de vrije markt (met z’n onzichtbare hand) zozeer een eigen leven is gaan leiden, dus uit de maatschappelijke en morele context is ‘gelicht’ waarin Adam Smith dit had ingebed?

‘In de eerste plaats is het vaak zo dat, àls economen al een werk van Adam Smith hebben gelezen, ze alleen de Wealth of Nations hebben gelezen en niet zijn voorafgaand verschenen boek The theory of moral sentiments. De tweede reden is dat die onzichtbare hand een heel erg aansprekende metafoor is. Didactisch werkt hij ook zo leuk. Wanneer studenten horen van markten met vraag en aanbod, dan vragen ze zich al gauw af: ‘maar wie stuurt dat dan?’ Ja, dan komt die onzichtbare hand uit de mouw! Kortom, het is een prachtige metafoor. En zoals met alle metaforen, is de verleiding groot om ermee aan de haal te gaan’.

In dit verband leg ik u graag een uitspraak van de conservatieve econoom Wilhelm Röpke (1899-1966) voor. Hij stelt dat de ultieme morele ondersteuning van de vrije markteconomie buiten de markt zelf ligt. ‘De markt en haar vrije concurrentie zijn niet in staat om die morele voorwaarden vanuit zichzelf voort te brengen. Een ongeremd kapitalisme zal roofbouw plegen op de sociale samenhang en vermaalt de samenlevingsverbanden, waardoor de structuur van de samenleving als los zand uiteenvalt.’ Uw reactie?

‘Ja, in deze gedachte kan ik me wel vinden. Eigenlijk komt iedere denker die het kapitalisme grondig analyseert tot die conclusie. Op de een of andere manier moet het kapitalisme of de vrije marktwerking toch ingedamd worden.’ Lachend: ‘En als een conservatieve denker als Röpke dat ook concludeert, blijkt dat je daar dus helemaal geen marxist voor hoeft te zijn! Want het was natuurlijk Karl Marx die in Das Kapital (1867) als eerste fundamentele kritiek op het kapitalisme uitte en in 1936 volgde Keynes met zijn The general theory of employment, interest and money.

Vandaag de dag is een meerderheid van de economen het ermee eens dat een ongeremd kapitalisme tot verkeerde gevolgen voor de samenleving leidt. Overigens haast ik me wel om er meteen bij te zeggen dat er wel een verschil is tussen markt en kapitalisme. Juist daarom vind ik Adam Smith zo goed. Want hij schreef zijn werk toen het kapitalisme nog in de kinderschoenen stond. De negatieve gevolgen daarvan waren nog niet zichtbaar. Smith schreef over de markt, hoe die ingebed is binnen de normen en waarden van de samenleving. En daarbinnen kan een markt floreren.


In essentie pleit ik voor meer diversiteit in de economie als wetenschap, zowel in het onderwijs als in de artikelen in toptijdschriften. Het gaat mij niet om een alternatieve economiebeschouwing.


Het kapitalisme daarentegen is een heel specifieke invulling van de markt, die deels met de markt aan de haal is gegaan. Dat proces beschrijf ik ook in mijn boek [zie p. 28-32]. Nu is het niet zo dat je bang moet zijn dat een markt op zichzelf schade aanricht. Maar een kapitalistische invulling van de markt, dat is andere koek. Neem bijvoorbeeld het concept van financialisering, waarin met geld steeds meer geld wordt gemaakt. De financiële markt is goed beschouwd geen normale, stabiele markt. Want geld is bedoeld om niet meer dan een ruilmiddel, rekeneenheid en spaarmiddel te zijn. Maar in een kapitalistische economie ontstijgt het geld die status, zogezegd. Dan wordt accumulatie – vermeerdering – de drijfveer achter veel activiteiten’.

Tja, de in SGP-kring veel geprezen maar te weinig gelezen hervormer Johannes Calvijn verzette zich al tegen de praktijk van geld maken met geld. Dat vond hij moreel verwerpelijk. Maar daarmee kom ik op het verwijt dat bijvoorbeeld christeneconomen vaak te horen krijgen: ‘Jullie bedrijven ethiek, geen economie’. De economische wetenschap wordt gepresenteerd als een neutrale wetenschap, terwijl de levensbeschouwing er van meet af aan ingebakken zit.

‘Het lastige is inderdaad dat neoklassieke economen helemaal niet erkennen dat zij morele vooronderstellingen hebben. Zij beweren dat hun theorie waardevrij is. En jammer genoeg nemen de meeste economiedocenten die bewering zomaar over als waarheid. Neem een concept als nutsmaximalisatie. Je kan neoklassieke economen niet verwijten dat zij niet ingaan op het soort voorkeuren dat mensen hebben. Dat is een soort black box waar je als econoom niet veel over kunt zeggen. Maar ik vind wel dat de neoklassieken met het uitgangspunt dat mensen hun nut maximaliseren een keus hebben gemaakt voor een ethische grondslag van hun theorie. Maar als je zegt dat het een ethische keus is, distantiëren ze zich gewoon daarvan. Merkwaardig! Want sla het eerste boek over ethiek open en je komt de nutstheorie tegen die ervoor kiest dat het goede ligt in maximale uitkomsten. Onmiskenbaar een morele keus. Net zoals de keuze voor deontologie of voor de tien geboden. Je kan daar van alles tegenover zetten, maar je kan eenvoudigweg niet volhouden dat nutsmaximalisatie een waardeneutraal uitgangspunt is en de rest afdoen als ‘allemaal ethiek’. Ik vind het altijd weer bijzonder verbazingwekkend om dat in de gangbare theorieboeken over economie te lezen.


Ik ben er verontwaardigd over dat studenten economie in feite geïndoctrineerd worden. Het lijkt mij vruchtbaarder om de inzichten van verschillende economen naast elkaar te presenteren, zodat studenten gestimuleerd worden om zelf kritisch te gaan nadenken.


Daar ligt ook een belangrijk motief voor mij waarom ik het boek geschreven heb. Ik ben er verontwaardigd over dat studenten economie in feite geïndoctrineerd worden. Ze krijgen eerst te horen dat de economische wetenschap ervan uitgaat dat mensen streven naar nutsmaximalisatie. En vervolgens wordt studenten geleerd dat economie een positivistische wetenschap is die alleen maar de feiten beschrijft. Dat is inconsistent. Het eerste is lijnrecht in tegenspraak met het tweede. Het helpt mijns inziens niet om hele boze boeken te schrijven over slechte economen. Daar kom je in het onderwijs niet ver mee. Het lijkt mij vruchtbaarder om de inzichten van verschillende economen naast elkaar te presenteren, zodat studenten gestimuleerd worden om zelf kritisch te gaan nadenken en niet klakkeloos de neoklassieke leerboekjes blijven volgen’.

Ik doe even alsof ik een verdachtmakende tegenstander ben: leiden al die uiteenlopende economische theorieën en inzichten niet eerder tot verwarring dan tot helderheid over de goede oplossing van problemen? Kunnen we het niet beter wat eenvoudiger houden?

‘Elke serieuze tak van wetenschap kent verschillende theorieën en vakwetenschappers gaan daarover eindeloos met elkaar de discussie aan. Dat maakt een vak juist boeiend. In de natuurkunde zeggen ze toch ook niet: laten we maar bij Newton blijven want alle vragen rondom Einstein zijn nog niet opgelost. Dat zou absurd zijn. Als in de natuurkunde verschillende theorieën naast elkaar bestaan zonder dat het vak zelf daardoor ter discussie komt te staan, is het veeleer logisch dat het in de economie op dezelfde manier eraan toe zal gaan. Ook in de wiskunde bestaan voor bepaalde beweringen wel tweehonderd verschillende bewijzen, eigenlijk dus tweehonderd theorieën over die wiskundige stelling. Dat is toch mooi, daar verrijk je een wetenschap toch mee? Taalwetenschap, antropologie, sociologie, allemaal kennen ze een diversiteit aan theorieën. Dat maakt een vak tot wetenschap. Ik ben bang dat als je de economie reduceert tot één theorie, dat je dan ook het wetenschappelijke karakter doet verbleken. Economie wordt dan een ‘toolbox’, wat sommige economen ook wel schijnen te willen. Alsof die ‘tools’ neutraal zijn, geen theoretische lading hebben en dus nooit discutabel zouden zijn.

Kortom, het is een zeer problematische gedachte dat we eenheidsworst in de economie wensen, omdat het anders zo lastig wordt. Ik begrijp best dat politici verlangen naar een stevig economisch verhaal dat het einde van alle tegenspraak zou zijn. Maar dan zit je in ideologisch vaarwater en niet op het terrein van de wetenschap’.

Mensen denken graag in links-rechts verhoudingen. Kort door de bocht geformuleerd zijn er economen met een diep wantrouwen jegens de overheid (en daarom pleiten voor deregulering en vrije marktwerking). Er zijn er ook die een rooskleurig vertrouwen hebben in de staat (en dus pleiten voor minder marktwerking, meer regulering of zelfs een planeconomie). Kortom: het is Keynes of Friedman, links of rechts, een derde weg lijkt niet te bestaan.

‘Met overtuiging kies ik voor een derde weg. Want de tegenstelling markt versus staat is een valse tegenstelling. Ga maar terug naar Adam Smith. Hij vertrekt niet vanuit twee, maar vanuit drie waarden: liberty, justice and benevolence (vrijheid, gerechtigheid en welwillendheid). Daarbij gaat het om de vrijheid van de markt, om de gerechtigheid die de staat moet bevorderen en bewaken en om de welwillendheid van mensen in de samenleving, ook wel aangeduid als civil society, maatschappelijk middenveld, of communities – kortom alles wat niet-markt en niet-staat is.


Ik begrijp best dat politici verlangen naar een stevig economisch verhaal dat het einde van alle tegenspraak zou zijn. Maar dan zit je in ideologisch vaarwater en niet op het terrein van de wetenschap.


Zodra je inziet dat de economie steeds bestaat uit deze drie domeinen - staat, markt en communities - helpt je dat ook om uit die tegenoverstelling van staat en markt te stappen. Je kunt dan veel meer zien. Het stelt je in staat om nieuwe ontwikkelingen beter te begrijpen. Ik heb bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar crowdfunding. Dat fenomeen past niet in de tweedeling van markt tegenover staat. Het gaat niet over de banken, niet over het Ministerie van Financiën, maar over ons burgers, met geld uit ons eigen inkomen – dus niet via geldschepping door de bank of subsidies van de overheid. We dragen bij vanuit ons eigen geld en laten ons uitbetalen in natura, dat is een kenmerk van echte crowdfunding. Zo’n nieuw initiatief kun je niet plaatsen als je denkt binnen de dichotomie van overheid of markt.

Voor politici geldt dat ook. Ik denk dat wanneer zij niet in twee, maar in drie domeinen gaan denken, ze ook met betere oplossingen kunnen komen voor de grote economisch problemen waar we voor staan. Van mij hoeft de politiek zeker niet zelf het voortouw te nemen, maar zij kan wel bepaalde initiatieven faciliteren of bepaalde ongewenste ontwikkelingen afremmen’.

De ironie over pleitbezorgers van vrije marktwerking en deregulering is natuurlijk dat de banken gered moesten worden met publiek geld, opgebracht door belastingbetalers. Het was consequenter geweest om die banken failliet te laten gaan.

‘Het is zondermeer heel ironisch. Vanaf de jaren ’90 werd de bankensector sterk gedereguleerd. Vervolgens konden banken door fusies en overnames heel groot worden, zelfs zo groot dat het balanstotaal van de vier grootste Nederlandse banken in 2008 wel vier keer het nationaal inkomen bedroeg. Vervolgens dreigden ze om te vallen en toen deden ze opeens een beroep op de staat om ze te redden. Het vervelende is wel dat de overheid haar euro’s maar een keer kan uitgeven. Dus die reddingsoperaties zijn ten koste gegaan van bijvoorbeeld het budget voor de zorg en het onderwijs. Studenten moeten meer bijdragen aan de financiering van hun studie. Het komt erop neer dat veel mensen de dupe zijn geworden van die bankenredding’.

De aandacht voor Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ lijkt op een kortstondige hype. Terwijl er goede argumenten zijn voor minder ongelijkheid in een samenleving. Maar bij velen, orthodoxe christenen zeker niet uitgezonderd, zijn deze inzichten niet populair. Waar zou dat aan te wijten zijn?

‘Piketty heeft een sterk betoog, maakt een goed punt en heeft dat degelijk onderbouwd met veel gegevens. Van verschillende kanten is geprobeerd om zijn conclusies onderuit te halen, maar elke keer hebben de critici bakzeil moeten halen. De neoklassieke theorie is niet meer dan een economische theorie. Veel niet-economen beseffen dat onvoldoende – en dat kun je ze ook niet verwijten. Het beleid dat op deze theorie wordt gebaseerd heeft het label ‘neoliberaal’ gekregen. In het kort willen neoliberalen de markt meer ruimte geven en het ingrijpen van de overheid beperken tot het hoogstnoodzakelijke. Dit beleid kennen we sinds president Reagan en premier Thatcher. Daar zijn intussen generaties mee opgegroeid die geen weet hebben van andere benaderingen. Het is zodoende in de mindset van mensen gaan zitten. Volgens mij is dat een belangrijke verklaring waarom velen vinden dat je niet te veel economische gelijkheid en herverdeling moet hebben’.


In het kort willen neoliberalen de markt meer ruimte geven en het ingrijpen van de overheid beperken tot het hoogstnoodzakelijke. Dit beleid kennen we sinds president Reagan en premier Thatcher. Daar zijn intussen generaties mee opgegroeid die geen weet hebben van andere benaderingen.


In SGP-kring kun je de handen op elkaar krijgen voor de neoliberale stelling dat herverdelen diefstal is met instemming van politici.

‘Ik vermoed dat dit te maken heeft met de gedachtegang die wordt gebaseerd op de gelijkenis van de talenten: je moet hard werken, woekeren met je talenten en dat wordt gezegend met welvaart. In de gelijkenis komt een knecht voor die het verkregen talent onder de grond stopte, omdat hij eigenlijk bang was voor zijn autoritaire baas. Hij speelde daarom op zekerheid en wilde zijn baas precies datgene teruggeven wat hij van hem verkregen had.

Hoe je deze gelijkenis ook uitlegt en toepast, ik denk dat je deze niet in het domein van de markt moet plaatsen, maar in het domein van de zorg. In dat perspectief biedt deze gelijkenis een gezond tegenwicht tegen de huidige prestatiedruk, het streven om eruit te halen wat erin zit. Dat maakt veel mensen zo vermoeid. Juist het zorgen voor mensen met minder talenten is zinvol en heeft ook waarde. Dat geeft ontspanning en rust en bevrijdt de mens van het krampachtige streven naar meer’.

Hoe kunnen we ongebreidelde ongelijkheid het beste afremmen? Ik leg u verschillende opties voor. Als eerste regulering. Bijvoorbeeld: de hoogst betaalde werkende in een onderneming verdient per uur maximaal tienmaal het uur-salaris van de laagstbetaalde werkende.

‘Triodosbank hanteert de regel dat de hoogste baas niet meer dan tien keer zoveel verdient als de laagstbetaalde werknemer. Ik vind het inspirerend, maar tegelijk ben ik er niet voor dat dit via wetgeving door de overheid zou worden afgedwongen. De onderneming gaat hier zelf over. En dan hoop ik dat een goed voorbeeld doet volgen’.

Nog een voorbeeld van regulering: wanneer een onderneming winstdelings- of bonusregelingen heeft, gelden deze voor alle werknemers, niet alleen voor leden van directie en management.

‘Met winstdeling heb ik moeite. Michael Sandel noemt in een van zijn boeken het voorbeeld van een klein dorpje in Amerika waar maar één bedrijf is dat werkgelegenheid aan het hele dorp biedt. Als inwoner ben je dan voor je baan, je inkomen, je pensioen, de winstdeling, je huis – kortom voor zo ongeveer alles afhankelijk van dat ene bedrijf. Als die onderneming failliet gaat of door een Chinees wordt opgekocht, heb je ineens niets meer. Dan ben je alles tegelijkertijd kwijt. Laat daarom winstdeling nooit een substantieel deel van het salaris zijn. Want dan ga je ernaar leven en word je ervan afhankelijk. Als het ineens slechter met het bedrijf gaat, moet je je bestedingsniveau ineens heel drastisch aanpassen. En dat blijkt vaak een te zware opgave.

De regel dat wanneer winstdeling wordt toegepast, dat dan niet alleen het management maar alle werknemers meedelen, vind ik een heel goede regel. Maar dan nog zeg ik: maximeer het op tien procent van het jaarsalaris, zoals bijvoorbeeld ook in de bankensector nu geldt’.

Wat vindt u van hogere belasting van vermogen en winst (o.a. successie- en vennootschapsbelasting), consumptie (btw) in ruil voor lagere belasting van arbeid?

‘Met Piketty’s pleidooi voor een hogere belasting op vermogens ben ik het helemaal eens. Als je kijkt naar de OESO-gegevens, dan blijkt Nederland qua niveau van vermogensbelasting ergens helemaal onderaan het lijstje te bungelen. Wat mij betreft, gaan we terug naar het gemiddelde. Ook de vennootschapsbelasting is in Nederland vrij laag (20 à 25 procent). In de Verenigde Staten ligt deze significant hoger (35 procent).

Een andere les van Piketty is dat de belasting op arbeid omlaag moet. Dat zou je dan deels kunnen compenseren met hogere vermogensbelasting en hogere winstbelasting. Verder zou je de btw-tarieven zo kunnen aanpassen, dat milieuvriendelijke producten en diensten veel lager worden belast dan milieubelastende. Volgens mij is dat een potentiële goudmijn, omdat je dan gedrag van mensen dat leidt tot milieuschade via een financiële prikkel kunt bijsturen, zonder dat je op een zeer verstorende manier ingrijpt in de werking van de markt.


Als je kijkt naar de OESO-gegevens, dan blijkt Nederland qua niveau van vermogensbelasting ergens helemaal onderaan het lijstje te bungelen.


Bijna elk maatschappelijk probleem heeft een economische dimensie. Dat alleen al laat zien dat veel problemen ook onderling samenhangen.


Vietnam heeft bijvoorbeeld een importtarief van honderd procent op auto’s ingesteld. Natuurlijk ook deels vanwege het motief om de eigen brommer- en scooterindustrie te beschermen. Maar het is wel een slimme maatregel.

Het instrument van consumptiebelasting (btw) is aantrekkelijk, omdat je als individu je koopgedrag kunt aanpassen. Je wordt helemaal niet gedwongen om naar de ecowinkel te gaan en je mag nog steeds een milieubelastend product kopen. Je hoeft geen spijkerbroek van fairtrade- katoen te kopen, er ligt ook een ‘gewone’ spijkerbroek in de modezaak. Maar voor de laatste betaal je dan wel meer, omdat het vervaardigen van gewone katoen op allerlei manieren meer milieuschade veroorzaakt.

Financiële prikkels die leiden tot meer differentiatie in consumptie zijn aantrekkelijke instrumenten, omdat ze de keuzevrijheid van de consument niet aantasten. Tegelijk kun je met een hogere heffing op luxeproducten de tendens richting een grotere ongelijkheid tegengaan. Je slaat dan twee vliegen in een klap.

Tegelijk stel ik vast dat financiële prikkels niet het een en al zijn. Je moet ze gericht toepassen en beperkt houden om ze effectief te laten zijn. Waar ik verder nog aan denk is dat reparaties ook permanent onder het lage btw-tarief zouden moeten vallen. Als overheid moet je hergebruik van goederen stimuleren en het snel weggooien en vervangen tegengaan. De wegwerpeconomie moet plaatsmaken voor een circulaire economie. De overheid kan dat stimuleren en faciliteren.

Het aantrekkelijke van het instrument van btw-heffing is dat het de economie minder verstoort dan bijvoorbeeld inkomstenbelasting of een subsidieregeling. Bovendien geeft zo’n maatregel een boost aan het noodzakelijke beleid om de klimaatopwarming, de zeespiegelstijging, de milieuvervuiling enzovoorts tegen te gaan. Een meer gediferentieerd btw-beleid komt helaas nog niet erg snel van de grond in Nederland’.

Bankiers en verzekeraars staan er gekleurd op sinds de crisis van 2008. Joris Luyendijk doet in zijn ‘Het kan niet waar zijn’ een boekje open over de financiële sector. Hebben bankiers hun lesje voldoende geleerd? Heeft ‘de politiek’ voldoende maatregelen genomen? Wat zijn volgens u de belangrijkste criteria om van een goede bankier te mogen spreken?

‘Joris Luyendijk schreef een prachtig boek! Maar we moeten wel bedenken dat het niet over de Nederlandse bankiers gaat. Nogal wat mensen maken de fout om het boeiende en onthullende verhaal van Luyendijk een op een door te vertalen naar de Nederlandse situatie. Maar dat is onterecht’.

In uw boek pleit u ervoor om de gebruikelijke nutsethiek in de sector te vervangen door zorgethiek. Dat is neem ik aan wel relevant voor alle bankiers. De econoom en theoloog Johan Graafland noemt ook de grondgedachte dat een goede bankier primair zorgt voor zijn klanten en niet het belang van de aandeelhouders van de bank als hoogste prioriteit heeft.

‘De bankensector is zondermeer een dienstverlenende sector. Dat zijn veel mensen misschien vergeten in de loop der jaren, maar dat is toch de essentie van het bankiersbedrijf. Dus dan moet de klant voorop staan’.

Wat vindt u van de rol van vertrouwen in de economie? Vgl. het onderscheid tussen high-trust en low-trust societies. Kan het functioneren van de economie wel losgemaakt worden van het maatschappelijke, politieke en culturele leven?

‘Bijna elk maatschappelijk probleem heeft een economische dimensie. Dat alleen al laat zien dat veel problemen ook onderling samenhangen. Een grote mate van onderling vertrouwen in de samenleving draagt eraan bij dat een overheid minder hoeft te reguleren. Het is wel aardig om hier te refereren aan het Sustainable Finance Lab waar ik bij betrokken ben. Wij stellen vast dat er momenteel sprake is van te veel regulering van banken. De Minister van Financiën, de Nederlandsche Bank en andere toezichthouders willen er nu ineens allemaal bovenop gaan zitten. Maar met meer regels en meer toezicht kom je er niet. De markt is de wetgever altijd wel weer een paar stappen voor of zoekt naar een paar mazen in de wet. Als Sustainable Finance Lab zijn we daarom voorstander van wetgeving die slechts een aantal belangrijke piketpaaltjes uitzet. Het gaat erom in wetgeving duidelijk de grenzen te markeren en meer te sturen door middel van institutionele maatregelen (banken moeten hogere buffers aanhouden, bijvoorbeeld). En laat binnen die kaders de banken maar met elkaar concurreren en gewoon hun ding doen. Als de buffers van banken groot genoeg zijn, is het risico veel kleiner dat ze bij de overheid aankloppen als het mis gaat. Een belangrijk punt is wel dat we maar heel weinig banken in Nederland hebben. Vier grote banken bepalen min of meer de markt. Het zou veel gezonder zijn als we meer en kleinere banken zouden hebben, zoals in de Verenigde Staten. Niet dat we die situatie op korte termijn kunnen veranderen, maar als lange termijnperspectief is dit wel te prefereren boven de huidige situatie’.

Hoe kijkt u aan tegen een splitsing van zakenbanken en nutsbanken? Dit was in de Verenigde Staten de regel tot aan 1999.

‘Van zo’n splitsing zijn we als Sustainable Finance Lab wel voorstander. Maar het probleem is dat je met een dergelijke splitsing het Nederlandse probleem niet helemaal oplost. Dat komt omdat de grote banken in Nederland nauwelijks zelfstandig actief zijn op de zakelijke markt, maar daarvoor meestal nauw samenwerken met buitenlandse banken’.

Welke economen had u graag ook in het boek ‘Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest’ willen opnemen, maar kregen geen plaatsje (wegens ruimtegebrek of prioriteit)? Ik denk bijvoorbeeld aan Bob Goudzwaard, of past hij qua statuur niet bij het door u verkozen tiental?

‘De econoom Goudzwaard ken ik vrij goed, omdat ik voorheen bij de stichting Oikos heb gewerkt. Met zijn ‘economie van het genoeg’ is hij echt een inspirator voor mij geweest. Hij was overigens niet de eerste die deze boodschap bracht; wel in Nederland, maar niet internationaal. Daardoor is zijn impact in dat opzicht minder groot.

Wel had ik iemand als Joseph Schumpeter in het boek willen opnemen, met zijn ‘creative destruction’. Voor mijn boek heb ik bij elke econoom een anekdote gezocht om ook een lichtvoetig element ter afwisseling erin op te nemen. De anekdote over Schumpeter zou ik meteen weten. Die is namelijk erg grappig. Toen Schumpeter zelf directeur werd van een bank, ging die bank failliet!


De anekdote over Schumpeter zou ik meteen weten. Die is namelijk erg grappig. Toen Schumpeter zelf directeur werd van een bank, ging die bank failliet!


Verder denk ik aan David Ricardo. Die is buitengewoon interessant. Hij was zijn tijd ver vooruit, omdat hij al schreef over ‘the law of diminishing returns’ (de wet van afnemende meeropbrengsten). Neoklassieke economen zijn daar later helemaal mee aan de haal gegaan, met hun wet van het afnemend grensnut. Zij beweren dat dit een neoklassiek concept is, maar ze zien over het hoofd dat het concept al veel eerder werd bedacht door Ricardo. Maar dan wel met dit grote verschil, dat de neoklassieke economen dit idee plaatsen in hun nutsraamwerk. Kijk, het concept van afnemende meeropbrengsten zoals Ricardo dat definieert, daar sta ik helemaal achter. Maar wanneer je dit in een nutsraamwerk perst, dan lukt het je niet meer om buiten dat kader te denken. Dan treedt er een versmalling of verschraling op. Dat vind ik nou zo jammer.

Iemand als Alfred Marshall had ook prima in het boek gepast. Hij wordt wel de econoom van de marginale revolutie genoemd. Vaak wordt hem verweten dat hij de economie ‘verwiskundigd’ heeft. Onterecht, want hij heeft zelf keer op keer benadrukt: pas op, die wiskunde is slechts een hulpmiddel, een instrument, waar je vooral niet te veel waarde aan moet hechten’.


Economen kunnen een ongepast grote mond opzetten, terwijl ze redeneren vanuit een tunnelvisie. Aan de andere kant staat de maatschappij vaak te trappelen van ongeduld om advies te krijgen van mainstream economen.


De Schotse schrijver Thomas Carlyle typeerde de economische wetenschap als ‘the dismal science’ (de sombere wetenschap). Hebben economen het de laatste tijd hiernaar gemaakt? En wat kunnen ze eraan doen om de reputatie van hun vakgebied te herstellen?

‘Ons economen past natuurlijk bescheidenheid. Maar als verzachtende omstandigheid mag ik erop wijzen dat economen, vooral door politici, op een voetstuk worden gehesen met de impliciete verwachting dat we de ontwikkelingen kunnen voorspellen’.

De modellen van het Centraal Planbureau (CPB) staan ook onder kritiek. Het CPB verweert zich door te wijzen op allerlei nuanceringen die in de bijsluiter bij hun modellen staan, maar die de politici dan blijkbaar even vergeten…

‘Er is natuurlijk wel sprake van een wisselwerking. Economen kunnen een ongepast grote mond opzetten, terwijl ze redeneren vanuit een tunnelvisie. Aan de andere kant staat de maatschappij vaak te trappelen van ongeduld om advies te krijgen van mainstream economen en aan hun adviezen wordt erg veel waarde gehecht. Die twee mechanismen versterken elkaar.

Het verwijt van de Britse koningin luidde dat economen de economische crisis niet hebben zien aankomen…

Dat verwijt is niet helemaal terecht. Want er zijn wel degelijk economen geweest die expliciet hebben gewezen op verontrustende ontwikkelingen en groeiende instabiliteit. Maar ja, dat waren geen neoklassieke economen die dat zeiden. Dus werd naar hun waarschuwingen niet geluisterd. Dat kun je die economen moeilijk kwalijk nemen. Wel de politici.

De gebruikelijke verklaring van economen is dat het bij een crisis om een externe schok gaat die je niet kunt zien aankomen omdat die per definitie niet in je modellen zit. Terwijl toch wel degelijk is aangetoond dat de crisis van 2008 van binnenuit kwam, door het van binnenuit opblazen van het financiële systeem. De les voor mij – waar we ook dit interview mee begonnen – is niet dat je aan economie en economen niet zoveel hebt, maar dat we in onze benadering van economie het pluralisme moeten koesteren: kijk eens goed rond in de economie, bestudeer de verschillende visies van economen die er zijn. Als je op zo’n manier de economische wetenschap beoefent, ben ik ervan overtuigd dat economen aan de samenleving een veel grotere dienst kunnen bewijzen’.


Over Irene van Staveren

Irene van Staveren (1963) is sinds 2010 hoogleraar pluralistische ontwikkelingseconomie aan het Institute of Social Studies van de Erasmus Universiteit dat gevestigd is in Den Haag, waar ze sinds 1999 werkt. Ze is voorzitter van het PhD-programma en directeur van de online database Indices of Social Development. In de jaren ’80 studeerde zij economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en promoveerde daar in 1999 op een proefschrift over een aristoteliaans perspectief op de economie.

Van Staveren doet onderzoek naar uiteenlopende onderwerpen met als rode draad een pluralistische, onorthodoxe en interdisciplinaire benadering. Vorig jaar publiceerde zij Economics after the crisis - an introduction to economics from a pluralist and global perspective (Routledge, 2015). Voor het bredere publiek bewerkte zij deze publicatie tot het boek Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest dat dit voorjaar bij Boom Filosofie verscheen.

Veel van haar werk raakt aan de thematiek van ethiek in de economie, zoals het Handbook of Economics and Ethics (Edward Elgar, 2009) en Beyond Social Capital (Routledge, 2008). In 2015 ontving zij de Thomas Divine lifetime achievement award van de Association of Social Economics. Van Staveren is lid van Sustainable Finance Lab, een denktank die werkt aan een duurzamer financiële sector. Verder is ze redactielid van Review of Social Economy en Feminist Economics. Sinds kort vervult ze ook de functie van vicevoorzitter van Rethinking Economics NL, de Nederlandse tak van een wereldwijde beweging van kritische economiestudenten die pleiten voor meer pluralisme in het economieonderwijs.


Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest

Dit boek is een bewerkte en voor breder publiek toegankelijke versie van het boek Economics after the Crisis: an Introduction to Economics from a Pluralist and Global View dat Irene van Staveren in 2015 publiceerde. In tien hoofdstukken worden belangrijke inzichten van tien economen gepresenteerd, gekoppeld aan economische en maatschappelijke problemen die aan het licht kwamen door de economische crisis van 2008. Dit boek is zondermeer een aanrader voor economen, politici, beleidsmakers en journalisten. De auteur laat zien dat de economische wetenschap een veel bredere waaier aan inzichten biedt dan wat de laatste decennia veelal werd gepresenteerd. Er zijn goede gronden en er is alle ruimte voor alternatieve oplossingen van politieke of economische problemen. Het aardige van deze publicatie is dat de auteur allerlei concrete voorbeelden en anekdotes aanhaalt. Daardoor is het een boeiend boek geworden dat voldoende brandstof biedt voor herbezinning op ons economisch handelen.

Het boek telt 263 bladzijden, is in 2016 uitgegeven bij Boom Amsterdam, ISBN 97890 8953 8710; prijs € 22,50.


Jan Schippers, directeur Wetenschappelijk Instituut voor de SGP

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.