+ Meer informatie

Naarde katechisatie

7 minuten leestijd

118

HET GELOOF (6)

Het zaligmakend geloof omvat drie zaken: kennen, toestemmen en vertrouwen. Zij behoren tot het wezen des geloofs.

Allereerst: kennis. Ja, want het is geen blind geloof. Wil men in iemand zijn vertrouwen stellen, dan moeten we hem eerst leren KENNEN. In het Hogepriesterlijk gebed zegt Jezus: „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3 En in Rom 10 : 14b schrijft de apostel: „En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben.”

De Heilige Geest is de Werkmeester van het geloof Dus ook van de kennis des geloofs. Efeze 1 : 17 „opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerhjkheid, u geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis. De Heilige Geest verlicht in de wedergeboorte het verstand, dat verduisterd is Dus, wanneer Hij de zondaar krachtdadig roept Dit roepen betreft de INWENDIGE roeping, welke geschiedt door WOORD en GEEST, zoals we besproken hebben. De apostel schrijft dan ook verder bij de zoëven genoemde tekst (vers 18) „namelijk verlichte ogen des verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping enz.”

De kennis m het zaligmakend geloof is principieel verschillend van de natuurhjke kennis, zoals elk onherboren mens die bezit krachtens het feit, dat bij het verlies van Gods Beeld, de ware oorspronkehjke kennis, nog „sporen” van het beeld Gods zijn overgebleven Maar dan met zoó te verstaan, alsof de mens toch nog wel bekwaam zou zijn tot enig geestelijk goed, zoals Rome leert en de Remonstranten.

Wanneer ook onze Belijdenis spreekt van „enig licht der natuur”, bedoelt zij hiermede, dat de mens na zijn val nog een „redehjk, zedehjk schepsel” is gebleven, verantwoordelijk bhjvend voor zijn daden Het is dus zó, dat de mens, hoe verduisterd ook in zijn verstand ten opzichte van de ware kennis Gods, zijn natuurlijk verstand met is kwijt geraakt, want dan zou hij geen „mens” meer zijn. Daarom is de mens, hoe verdorven ook, nog heistelbaar door het wederbarend werk van de Heilige Geest.

De uitwendige, algemene kennis krachtens Gods algemene goedheid omtrent alle schepselen is dus met genoeg tot zaligheid Nochtans is het een zeer groot voorrecht en ook plicht van de mens, Gods Woord te lezen en te onderzoeken als middel, waarvan Gods Geest Zich wil bedienen om een mens te bekeren Christus sprak tot de Joden: „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in Dezelve het eeuwige leven te hebben en Die zijn het, Die van Mij getuigen.”

Hoe noodzakelijk is het m deze tijd vooral om de Schrift te onderzoeken en te onderscheiden de waarheid van de leugenleer, welke al meer haar verdervende invloed doet gelden. Denk maar aan de opvattingen van de moderne theologie en van de algemene verzoeningsgedachten, ja, van de moderne moraal theorieën, waarbij alle normen van Gods Woord worden losgelaten De mens van vandaag wil vrij zijn en zèlf bepalen wat hij goed acht te zijn, zo zelfs, dat er niets meer zondig is, maar wat toch de Bijbel als zonde duidelijk aangeeft.

En wie in zijn jeugd kennis van Gods Woord mag opdoen, zal in het latere leven het nut ervan ervaren. U weet van de Waldenzen b.v. dat zij zulk een bijzonder voordeel ervan hadden, hele gedeelten van de Bijbel uit het hoofd te weten, toen Gods Woord hen ontnomen werd.

Maar we zeiden: tot zaligheid is de verstandelijke kenms van Gods Woord, van de leer der zahgheid niet genoeg Tot zahgheid is nodig, dat Gods Geest het verduisterd verstand verlicht om de geestelijke zaken te zien m Gods eigen licht! Deze zahgmakende kenms bestaat m een overtuiging, welke de Heilige Geest in het hart werkt, van de waarheid aangaande „al wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft”. Onze Heidelberger omschrijft het geloof als „een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft” Zondag 7 Deze kennis is een levende kennis, een kennen met het hart , een bevindelijk kennen Onze ouden zeiden wel eens van iemand, die alleen een verstandelijke kennis van de waarheid heeft, ja, zelfs van de bevinding van Gods kinderen: het zit bij hem of haar een voet te hoog.

Hoevelen houden echter de natuurlijke verstandelijke kennis voor de ware kenms, voor echte bekering Dit is een grote zelf-misleiding voor de eeuwigheid. Daarom is ONTDEKKEND licht zo noodzakelijk Ook voor de bekommerden vanwege hun zonden. Onze ouden zeiden vaak- vraag maar veel om ontdekkend licht.

Een eigenschap van het oprechte geloof is dan ook, dat het geloof staat naar het licht, om God te kennen in Zijn algenoegzaamheid, Jezus m Zijn dierbaarheid, ja, naar „al wat God m Zijn Woord geopenbaard heeft”, gelijk een bloem zich altijd richt naar het zonlicht. Dit staan naar zouden we naar Comrie’s onderscheiding kunnen aanmerken als de „hebbehjkheid” van het geloof, waarop we wezen in onze vonge les. Niet een „hebbelijkheid”, die volgens Kuyper’s opvattmgen over de wedergeboorte jaren lang als een kiem kan blijven liggen en dan tot ontwikkeling komt. Neen, die hebbehjkheid openbaart zich direct in werkzaamheden, in vruchten van het geloof. Daarom spreken we van een „LEVEND” geloof.

Hoe openbaren zich die „werkzaamheden” van het geloof? Zeer onderscheiden, zoals ook m het VERTROUWEN des geloofs, waarover we afzonderlijk D.V. handelen.

De werkzaamheden van het geloof hangen af van het LICHT, dat het geloven nodig heeft over de zaken des geloofs, inzonderheid over het enige, dierbare, algenoegzame VOORWERP van het geloof: Jezus Christus! Dat LICHT des geloofs, de kenms, verkrijgt de ontdekte zondaar in de weg der ontdekking. Zonder zelfkennis geen Christus- en Godskennis Men keert het tegenwoordig precies om. Eerst bij het Kruis wordt een zondaar ontdekt, leert hij zijn zonde zien. Dit is beslist onschriftuurhjk. Dan heeft onze Heidelberger het ook mis, wanneer zij antwoordt op de vraag „waariut kent gij uw ellende?”; „uit de wet Gods”.

Iets anders is, dat Gods kind bij het Knus al dieper zichzelf leert kennen, namelijk wanneer het bepaald wordt bij de vraag: waaròm Christus zo heeft moeten lijden. Ook kan de Heilige Geest in Zijn toepassend werk een zondaar ontdekken door het Evangehe van Christus’ lijden, maar dan ziet zulk een zondaar niet aanstonds, dat Christus Zijn Borg en Middelaar is. Neen, dan krijgt hij eerst met GOD te doen. Zo was het ook bij de éne moordenaar. Hij zag eerst zichzelf in Zijn strafwaardigheid: „Wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben.”

In het hart der ontdekten laat Gods Geest het licht schijnen van het Evangehe der behoudenis. Zij krijgen kennis in begmsel van de weg der zaligheid, al naar gelang het hcht van Gods genade in het hart opgaat De apostel schrijft in II Petr 1 : 19: „En wij hebben het Profetische Woord, dat zeer vast is en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een dmstere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in Uwe harten.”

Zo is er ook een „opwassen m de genade en kenms van den Heere Jezus Christus II Petr 3 : 18.

Naar de maat van het licht is ook de maat van de kennis.

Daarom vroeg David m psalm 43:

„Zend Uw licht en Uwe waarheid, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot de berg Uwer heiligheid en Uwe woningen; en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging en U met de harp love, o God, mijn God!”

Zij of worde het ook onze bede.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.