+ Meer informatie

De vlotte Vermeer

Zeventiende-eeuwse schilder sneller dan gedacht

4 minuten leestijd

De zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder Johannes Vermeer schilderde waarschijnlijk veel vlotter dan tot nu toe wordt aangenomen. Dit is de voorlopige conclusie van een groot onderzoek dat het Mauritshuis in Den Haag momenteel uitvoert. Het onderzoek loopt parallel met de restauratie van twee schilderijen van de kunstenaar uit de Gouden Eeuw.

De opknapbeurt van de twee doeken. Gezicht op Delft (1660) en Meisje met de parel (1660-1665), die het museum sin'ds respectievelijk 1822 en 1903 in bezit heeft, gaat op 10 mei van start. Het publiek kan de restauratie, zij het achter glas, volledig volgen.

De restauratie duurt drie tot vier maanden. In 1995 en 1996 zullen de schoongemaakte werken deel uitmaken van de grote Vermeertentoonstelling die het Mauritshuis samen met de National Gallery of Art in Washington organiseert. Over de kosten van de restauratie wil het museum zich niet uitlaten.

Voordat de daadwerkelijke schoonmaak begint, bestaat het werk vooral uit kijken naar de schilderijen, vertelt hoofdrestaurator Jórgen Wadum. Goed kijken met het blote oog of onder de microscoop. Daarbij ontdekte hij dat Vermeer waarschijnlijk eerst de schaduwpartijen op het doek aanbracht. Pas daarna volgden de felle kleuren. Sommige kleuriagen bracht hij in snelle verfstreken in één keer aan.

Snel

Nu blijkt dat de schilder een veel sneller tempo had dan tot nog toe werd gedacht, rijst de vraag waarom Vermeer dan toch zo'n geringe produktie had. Zijn oeuvre bestaat maar uit ruim dertig doeken, waarvan er zich drie in het Mauritshuis bevinden. Het wetenschappelijk onderzoek dat dit soort vragen moet beantwoorden, loopt in feite een stap achter op het werk van de restauratoren. Meestal zijn zij het die de vragen stellen aan de wetenschappers. Zo ontdekten de restauratoren, Wadum en Luuk Struick van der Loeff, dat Vermeer bij zijn Gezicht op Delft waarschijnlijk zand of grootkorrelig loodwit gebruikte om de huisjes een ruw uiterlijk te geven. Dat is niet gevonden in de lucht- of waterpartijen. Die vondst is tamelijk opmerkelijk, legt Wadum uit.

„Waarschijnlijk experimenteerde Vermeer met de oppervlaktestructuur om de stenen van de huizen te accentueren. Maar zeker weten we dat niet". Het wetenschappelijk onderzoek moet nu uitwijzen of ook Vermeers tijdgenoten gebruik maakten van die methoden. Tot op heden is daarvan weinig bekend. Ook is onbekend of de schilder bij zijn andere doeken zand aan de verf toevoegde. Bij het Meisje en Diana en haar nymfen (1640), het derde werk van Vermeer dat het Mauritshuis in zijn bezit heeft, deed hij dat in ieder geval niet.

Perzikhuidje

De restauratie van de twee Vermeers is nodig om de bijna 350 jaar oude doeken zo goed mogelijk te behouden. Het Gezicht op Delft verkeert in een slechte staat omdat de verf hier op sommige plekken niet goed meer hecht. Om die reden is transport riskant.

Bij de restauratie zullen de twee schilderijen vooral worden schoongemaakt. Daarbij geldt dat de ingrepen van de twee deskundigen zo gering mogelijk moeten zijn. Het gaat tenslotte om het behoud van de schilderijen en een optimale presentatie. Als de vergeelde vernislagen zijn weggehaald, zullen de schilderijen hun oorspronkelijke helderheid weer terugkrijgen. Bij het Meisje zal bij voorbeeld ook het vieze witte waas op het voorhoofd verdwijnen. Ook zullen de groeven van het craquelé, die nu tamelijk donker zijn, weer lichter worden. Een perzikhuidje krijgt het meisje echter nooit. De kleine scheurtjes op haar gezicht blijven.

Beide schilderijen zijn al vaker gerestaureerd -voor het laatst in de jaren 50/60- maar die ingrepen zijn volgens de huidige maatstaven niet zo goed uitgevoerd. Zo blijkt bij Gezicht op Delft een vernis gebruikt te zijn dat men nu niet meer zou nemen. Ook is er een bepaald soort lak op basis van luizenvleugels ingestopt. Waarom die lak werd toegevoegd, is niet bekend. Zeker is dat het geen succes was.

Bewaarcondities

Tijdens een eerdere schoonmaakbeurt van het Meisje is ook een balsemoplossing gebruikt die niet zo succesvol was. Daardoor werden de scheuren van het craquelé veel zwarter dan anders het geval was geweest. Opmerkelijk is ook dat bij de laatste ingreep de signatuur van Vermeer is geretoucheerd. Of die 'verbetering' ongedaan gemaakt zal worden, is nog onderwerp van discussie. Wadum verwacht echter dat de toegevoegde retouches worden weggehaald.

Hoeveel jaar de schilderijen na de komende restauratie weer meekunnen, is moeilijk te zeggen. De restaurator durft na enig aandringen een schatting te maken die tussen de zestig en honderd jaar ligt. De huidige bewaarcondities (weing UVlicht, een constante temperatuur) en het feit dat de schilderijen niet vaak reizen, moeten daarvoor zorgdragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.