+ Meer informatie

TER OVERWEGING

12 minuten leestijd

K.A. Deurloo e.a. (red.), Amsterdamse cahiers voor exegese en bijbelse theologie 12. Uitg. Kok, Kampen 1993. 135 blz. f 29,-.

Dit boek is de zoveelste bundeling van artikelen, acht over het Oude en een over het Nieuwe Testament. Het gemeenschappelijke in alle artikelen is, dat daarin vooral gelet wordt op de literaire compositie van teksten. Dat kan heel vruchtbaar zijn. Maar het historische gehalte van wat de teksten verhalen, wordt daarbij te laag aangeslagen. Dat is een minpunt. Dit is overigens kenmerkend voor de zgn. Amsterdamse School, waartoe alle auteurs behoren. Enkele artikelen zijn inzichtgevend en praktisch bruikbaar voor predikanten, met name die over de onvruchtbare vrouwen in het Oude Testament, over de voorwerpen van de tempel in de boeken der Koningen, en over de profetes Chulda. Andere artikelen laten vragen open of zijn erg specialistisch.

Klaus Berger, De Dode-Zeerollen en Jezus. Een achtergehouden waarheid?

Uitg. Kok, Kampen 1994. 139 blz. f 27,50.

De Dode-Zeerollen, die na de Tweede Wereldoorlog in de grotten van Qumran gevonden zijn, vormen de oudste ons bekende documenten over het Joodse leven vóór en ten tijde van Jezus. Het boek laat aan de hand daarvan zien, welke overeenkomsten en verschillen er waren tussen de oudste christelijke gemeenten en allerlei Joodse stromingen en opvattingen. De ondertitel verwijst naar een théorie van op sensatie beluste lieden, die hierop neerkomt dat de publikatie van de boekrollen lange tijd opgehouden is omdat die schadelijk zou zijn voor de kerk. De bestrijding daarvan beslaat slechts een klein deel van het boek. Het laat zich vlot lezen en is instruetief. Dat betekent niet dat men alles wat over de Bijbel wordt gezegd, voetstoots kan aannemen. De schrijver is hoogleraar Nieuwe Testament aan de universiteit van Heidelberg.

G. Kuypers, Terug naar de verwondering. Over het nut van paradoxen en parabels. Uitg. Kok, Kampen 1993. 176 blz. f 37,50.

De thematiek van dit boek is boeiend. Het onderzoekt de verbindingslijnen tussen paradoxen (tegenspraak) en parabels (beeldspraak; fabels en gelijkenissen), en laat iets zien van de betekenis die beide spreekvormen hebben in de Bijbel. Toch stelt het boek als geheel teleur. De theologische waardebepaling van de bijbelse paradoxen (bijvoorbeeld: “Als ik zwak ben dan ben ik machtig”) en van de gelijkenissen van Jezus schiet veel te kort. Het betoog loopt uit op een aantal aanbevelingen voor een wetenschapsleer, die voor ambtsdragers van geen nut zijn. De auteur is emeritus-hoogleraar politicologie.

Dr. P. Schelling, God en ik. Wegen waarop God mij tegemoet komt.

Uitg. Kok, Kampen 1994. 71 blz. f 16,50.

De centrale vraag in dit boekje is: Wie ben ik in relatie tot de Heer. Hij beschrijft dat op een heel persoonlijke manier, waarbij hij niet heeft geschroomd om zijn ervaringen te vertellen. Op een bescheiden wijze verhaalt hij over zijn geloofsbeleving, waarbij hij Zeven wegen beschrijft waarop God hem tegemoet komt. Wat te weinig in dit boekje naar voren komt, is de genade door Christus voor zondaars, waardoor de oprechte inhoud aan waarde inboet.

Discriminatie. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen, in samenwerking met de Christelijke Hoogeschool “De Driestar” 1994. 112 blz. f 19,50.

In het najaar van 1993 werd aan “De Driestar” met studenten en docenten een studiebijeenkomst belegd over het thema ‘Discriminatie’. De meeste van de op die dag gehouden lezingen zijn gebundeld in dit boekje. Het begrip discriminatie is vanuit diverse achtergronden belicht. Naast theoretische verhandelingen die het begrip discriminatie verduidelijken, zijn er ook bijdragen van sprekers die hun eigen ervaringen met discriminatie hebben verteld. Uit een aantal verhalen blijkt een emotionele persoonlijke betrokkenheid te zijn bij de manier waarop uitingen van discriminatie tegen mensen en groepen gedaan worden. Het begrip wordt ook vanuit de Bijbel belicht, waarbij ondermeer de positie van de vrouw en van de vreemdeling aan de orde komt.

Ds. J.H. Velema, Wonen in uw huis. Psalm 84: een pelgrimslied.

Uitg. J.J. Groen en Zoon, Leiden 1994. 116 blz. f 14,95.

In dit boekje, gedrukt in een grote letter, legt de schrijver op een persoonlijke en meditatieve wijze Psalm 84 uit. Hij doet dat in 22 korte rubriekjes. In elk rubriek wordt nader ingegaan op een vers van deze Psalm. Uit elk vers ontstaat zo een boodschap en/of een bemoediging.

A.P. Wisse, Geloof je ’t zelf? Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1994. 96 blz. f 15,75.

De auteur is redacteur bij het Nederlands Dagblad. In dit boekje heeft hij 30 korte stukjes geschreven met daarin een vertolking van diverse onderwerpen die actueel zijn voor jongeren. De inhoud is positief en aansprekend. Het is alleen jammer dat door de veelheid van onderwerpen diepgang ontbreekt. Daarnaast wordt er zo nu en dan toch wel luchthartig over zaken geschreven die jongeren juist kunnen bezig houden. Een verwijzing naar een aantal standaardboeken zou dan een welkome aanvulling zijn.

A. Nijburg, Onderwijs verandert. De christelijke school op weg naar 2000.

Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1993. 176 blz. f 22,50. (Dit boek is uitgegeven in samenwerking met Vereniging Bijbel en Onderwijs).

Het onderwijs verandert. Zoals het vroeger was, zal het niet/nooit meer worden. De auteur, directeur van een christelijke basisschool, schrijft over de veranderingen die plaatsvinden in het onderwijs. Enkele veranderingen die de komende jaren verder hun beslag krijgen, zijn de schaalvergroting en de zorgverbreding, met alle gevolgen van dien. Een van de meest zorgwekkende onderwerpen is hoe een school binnen alle veranderingen nog z’n christelijke identiteit kan bewaren. Immers niet alleen het onderwijs zal veranderen, ook de kinderen veranderen door het onderwijs. Daarbij zal steeds vaker gekeken worden naar het kostenplaatje en de deskundigheid van de scholen. En die deskundigheid ligt niet alleen op het vlak van of er goed les wordt gegeven, maar ook of b.v. emancipatorische doelstellingen worden gehaald. Ze zal zich moeten houden aan de wet- en regelgeving. Toch geeft de schrijver aan dat, ondanks alle vernieuwingen die aan geen enkele school voorbijgaan, de leerkrachten, de directeur en het bestuur van de christelijke school een grote verantwoordelijkheid hebben. Hij zegt hiervan: “Een christelijke school is te herkennen aan de Bijbel en de plaats die zij heeft in de opvoeding en onderwijs en bij de mensen die er werken. Een christelijke school verandert kinderen, niet naar menselijk inzicht, maar naar het beeld van de Zoon van God”. Dit boekje zou ik willen aanraden voor allen die het christelijk onderwijs een warm hart toedragen en zich daarvoor verantwoordelijk voelen op welke wijze dan ook.

Dr. Frank Vellema, Lange preken lege banken. In de nadagen van de gereformeerde kerken? Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1994. 150 blz. f 22,50.

In dit boek, een gepopulariseerde versie van zijn dissertatie, wordt het secularisatieproces beschreven van de Gereformeerde Kerken in Nederland en de neerslag van de liberale theologie in de plaatselijke kerkgemeenschappen, de uittochtvan gemeenteleden, de verlammende resultaten van het evangelisatiewerk etc. Het boek beoogt een ‘Terug naar de Waarheid’ en niet terug naar achterhaalde tradities. De basis voor zijn proefschrift was o.m. het interviewen van een veertigtal professoren, dominees en communicatiedeskundigen binnen het kerkelijk terrein van de Gereformeerde Kerken.

De schrijver heeft op goede wijze een analyse gemaakt. De problemen die hij aansnijdt, zijn duidelijk herkenbaar. Een aantal oorzaken geeft hij aan van het grote ledenverlies (meer dan 80.000 leden in een periode van 10 jaar). Een van de oorzaken is dat de hoofdfunctie van de kerk, nl. een instrument te zijn om Gods Woord te verspreiden en de mensen op te roepen tot bekering, grotendeels uit het oog is verloren. In veel kerken is de prediking gericht op humaniteit, op verbindingen te zoeken met andere religieuze groepen, ervaringen. Niet God staat centraal maar de mens met zijn problemen, zijn zorgen en zijn vreugden. Er zijn diepe verschillen tussen de sacramenten: tegenstellingen omtrent de doop en het Heilig Avondmaal. Of nog erger: de maagdelijke geboorte bestaat niet, de almacht en drieënigheid van God wordt in twijfel getrokken en de lichamelijke opstanding van Christus kan ook in het museum. En het zijn geen onbekeerlingen die deze stellingen uitspreken, maar het zijn de leiders Wiersinga en in mindere mate Kuitert die dit aangeven. Wat mag je dan van dominees verwachten die door hen onderricht zijn? Er worden verbindingen gelegd met het New Age-denken. In het samenwerkingsverband tussen de Gereformeerde Kerken en de New Age is geen plaats voor de uniciteit van Jezus. Lege preken staat dan ook voor preken zonder oproepen tot bekering, tot geloof te komen en Jezus te aanvaarden en zijn verlossingswerk centraal te stellen. De schrijver roept op om terug te keren naar het eeuwige fundament, het spoor dat kennelijk in vele Gereformeerde Kerken is zoek geraakt. Het doet pijn dat hier een schijnbaar onomkeerbaar proces gaande is en zorgt voor nog meer lege banken.

Dr. T. Brienen, De verkondiging in het juiste spoor. De plaats van Israël in de Homiletiek en in de prediking. Uitg. Kok, Kampen. 76 blz. f 18,90.

In het ‘Woord vooraf’ van dit deeltje uit de serie Verkenning en Bezinning wordt gesteld dat dit boekje ‘een eerste poging binnen het Nederlandse taalgebied en de Nederlandse homiletiek’ is om de consequenties ‘van de onopgeefbare verbondenheid van Kerk en Israël’ in kaart te brengen (blz. 7, vgl. 70). Hoe beperkt binnen het gegeven bestek van de serie de weergave van deze poging ook moge zijn, het is uiterst waardevol er kennis van te nemen! Dr. Brienen schetst eerst de ‘stand van zaken in de homiletische bezinning en de prediking in ons land’ - zich beperkend tot de laatste zestig jaar -waarbij de homiletische literatuur van dr. T. Hoekstra, dr. K. Dijk, dr. H. Jonker en dr. G.D.J. Dingemans de revue passeren. Wat Israël betreft, een “ontdekkende” Oriëntale! Het tweede deel gaat over de ‘betekenis van de ontmoeting van Kerk en Israël voor de plaats van Israël in de homiletiek en in de prediking in de kerk’; deze betekenis wordt historisch, principieel en praktisch aan de orde gesteld. Het laatste hoofdstuk biedt ‘samenvatting en resultaat’ na deze ‘oriëntatietocht’ die als ‘behoorlijk’ wordt gekwalificeerd (70). De uitdrukking ‘onopgeefbare verbondenheid’ wordt vrij frequent gebruikt - in aansluiting aan officieel kerkelijk gebruik eiders? Er is zelfs sprake van ‘ontdekking’ (38), waarbij tegelijk gewezen wordt op ‘Gods Verbondshandelen’. Voor de schrijver zelf zal dit geen ontdekking zijn geweest waar hij met alle klem attendeert op het verbond als ‘een oersterk en een altoosdurend verbond tussen de Here God en Abraham en zijn nageslacht in hun geslachten’ (42). Maar als men - bewust of onbewust - uitgaat van het (genade)verbond alleen met uitverkorenen, wat betekent deze uitdrukking én voor Israël én voor de kerk dán? Waarin bestaat die ‘verbondenheid’ dán? Wat bedóélt ze? En dat ‘onopgeefbaar’? Met instemming wordt een preekschets van dr. Gerssen als ‘model’ - bekort - aangereikt waarin op Paulus’ verbondenheid met Israël wordt gewezen die zich uit ‘in de begeerte van zijn hart en in zijn gebed tot God om hun behoud’ (Rom. 10:1-3). Voor Gerssen is dan de ‘persoonlijke bekering’ niet “opgeefbaar”, al accentueert hij dat het ‘behoud’ het leven van ‘heel Israël’ raakt ‘en reikt tot aan de einden der aarde’ (61v). Een dergelijke ‘onopgeefbare verbondenheid’ -in totále zin - wordt uit de preekschetsen van dr. Schoon ‘niet duidelijk’; dat zou diens ‘doelstelling’ ook niet zijn (60). Hoe welwillend ook uitgedrukt, de nieuwe benaming van het Israël-werk van de kerk roept zo m.i. evenzeer en wellicht evenveel bezwaren op als de oude. Dit onderstreept wat dr. Brienen stelt: ‘de onopgeefbare verbondenheid en vervlochtenheid van Kerk en Israël in Gods verbonds- en heilshandelen’ vraagt ‘nadere doordenking en uitwerking’ (72). Graag in dat spoor dan ook verder!

Dr. C. Trimp, Het leerambt niet verspeien! De uitstraling van de Schrift in de bediening van het Woord. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld. 45 blz. f 14,90.

In dit nummer van de Kamper Bijdragen (XXXII) is de ‘enigszins bijgewerkte en van aantekeningen voorziene tekst’ van het afscheidscollege van prof. Trimp gepubliceerd. Ook in dit geschrift wordt de homiletiek aan de orde gesteld: de verkondiging van het Woord en de interpretatie van de bijbeltekst. Uitgaande van het ‘klassieke conflict tussen Luther en Erasmus’ - in wezen dus tussen Reformatie en humanisme (vgl. noot 87) - worden ‘enige moderne probleemstellingen’ belicht. De deining die dat conflict heeft veroorzaakt, is ‘na ruim 450 jaar nog steeds niet tot rust gekomen’ (blz. 11). Op indringende wijze wordt betoogd dat er vanuit de door het humanisme gestelde autonomie van de mens die van geen bijbelse normering wil weten (uit de mens, door de mens, tot de mens zijn alle dingen!), geen leer en ook geen leerambt overblijft (33): ‘Zodra interpretatie een autonome zaak wordt, is zij niet meer dienstbaar aan het Woord, maar valt zij als instrument in handen van de menselijke rede’ (38). De dienaar van het Woord wordt in de lijn van het humanisme ‘hooguit’ ‘één van de gespreksleiders in de oeverloze dialoog tussen traditie, de context en de mens-van-heden’ (34) én ‘feitelijk kan God niet om onze dialogen heen, wil Hij nog meedoen in onze cultuur’ (40)!

Inderdaad: even triest als hoogmoedig. Graag ter bestudering aanbevolen!

P.N. Holtrop (red.), Nog stillere omgang. Teksten van een Symposion over ‘Stille Umgang’ van Willem Barnard. Uitg. Kok, Kampen 1994. Kamper Cahiers deel 81. 77 blz. f 18,50.

Willem Barnard heeft een boek geschreven: ‘Stille omgang’. Het is een brevier, een getijden- en gebedenboek. Op een Symposion in Kampen hebben auteurs erop gereageerd: de rooms-katholieke prof. Wegman (liturgoloog), de gereformeerde prof. Bakker (emeritus) en de hervormde prof. Schulte Nordholt (dichter en historicus, ook emeritus), leder belicht op eigen wijze de pro’s en de contra’s van Barnards boek. Hij geeft zelf een slotbeschouwing. Deze studie is niet gemakkelijk voor wie het boek van Barnard niet kent. Ik heb wat moeite met het ‘Nog stillere’ in de titel. De auteurs laten hun stem duidelijk horen en overtreffen met hun commentaar Barnard in geluid.

Inge Lievaart, Elke dag heden. Gedichten. Uitg. Kok, Kampen 1994. 103 blz. f 24,50.

Deze dichteres schrijft geen populaire verzen. Zij schrijft wel diepe gedichten. Zij kijkt terug op het leven en ziet om zich heen. Zij getuigt van de dragende grond. Zij doet dat op een heel eigen wijze. Wie haar verstaat, zal ook van haar poëzie houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.