+ Meer informatie

De Opvoeding als factor in de ontwikkeling van het geloofsleven

11 minuten leestijd

Enkele opmerkingen vooraf

In de eerste plaats geeft de titel aan dat de opvoeding als een factor wordt gezien. Ze is zeker niet de énige! Wat te denken van bijvoorbeeld: aanleg en karakter, milieu, kerkelijke gezindte, sexe, cultuurkring? Stuk voor stuk factoren die eveneens een rol van betekenis spelen in de ontwikkeling van het geloofsleven. De redactie verzocht mij echter alleen de factor „opvoeding” te belichten. Ik zal me daartoe beperken. Maar ook dan weet iedere lezer, dat op de keper beschouwd opvoeding altijd twee uitstralingseffecten kan hebben, óók op het geloofsleven: ze kan bevorderen, ze kan ook afbreken. In dit artikel mag ik, gelukkig, aandacht vragen voor de positieve invloed van de opvoeding op de groei van het geloofsleven.

Mijn tweede opmerking raakt een oeroud misverstand in de discussie over geloofsopvoeding. Opvoeding tot geloof? Dat kan immers niet? Het geloof is toch puur gave Gods, werking van de Heilige Geest? Dat „kun je elkaar niet geven” etc. Ik wil daar graag kort en duidelijk in zijn. Deze dingen zó tegenover elkaar plaatsen betekent een valse tegenstelling maken. Wie naar de Schrift belijdt, dat het geloof een gave Gods is, kan uit diezelfde Schrift weten, dat de Here God daartoe mensen inschakelt, een „middellijke weg” gaat. Men leze Deut. 6, Psalm 78, of denke aan Timotheus. Geloof is uit het gehoor en er zullen vertellers moeten zijn die de grote daden van deze, onze God, doorgeven. Kortom, als het gaat om Zijn aanwezigheid in het leven van de komende geslachten, dan behaagt het de Here God zich te houden aan de orde die Hij scheppend tot stand bracht: Hij gaat van geslacht tot geslacht. En aan wat Hij in zijn heilsplan heeft besloten: Zijn verbond met mensenkinderen. Tegen die achtergrond kan er alleen maar sprake zijn van verwondering, dat God ons inschakelt als het gaat om de eeuwige toekomst van onze kinderen. Bij die verwondering komt bovendien een groeiend besef van de diepe betekenis van de bekende woorden: „Prent het uw kinderen in…….”.

Tenslotte een derde „opmerking vooraf”. Het is niet zo eenvoudig om precies aan te geven wat onder opvoeding moet worden verstaan. En wie zijn daarbij betrokken? Uiteraard in de eerste plaats de ouders. Maar in onze maatschappij is het aandeel van „de school” in de opvoeding onloochenbaar. Toch zal ik me in het volgende beperken tot die primaire kring: de ouders, zo u wilt: het gezin.

De koninklijke weg

Het eerste wat gezegd mag worden is, dat de Schrift toekomstperspectief en rijke beloften verbindt aan de opvoedingstaak van de ouders. Vooropgesteld dat die taak wordt aangevat vanuit een levenshouding die gekenmerkt wordt door „horen naar het Woord”. Wij lopen als moderne westerse mensen voortdurend het gevaar in een horizontaal schema van oorzaak en gevolg te denken. Het NIPO doet de rest! We kijken om ons heen, zien de kerken leger worden, lezen cijfers over kerkverlating, krijgen tal van verklaringen voorgeschoteld en dan……Ja, wàt dan? Gevoelens van defaitisme, onmacht, moedeloosheid kunnen ons ook als christenen hevig aangrijpen. Ik zal ze zeker niet bagatelliseren. Maar toch! Waardoor laten wij onze verwachting, onze hoop bepalen? Geeft Gods Woord ons niet doorlopend de les, dat ons geloof niet leeft, niet leven kàn uit wat het ziet, maar uit wat het niet ziet en wat het hoopt (Hebr. 11)? En juist als we het geloof als gave van Hem erkennen, komt het meer aan op wat wij investeren aan vertrouwen op Zijn beloften dan op wat enquête-uitslagen en opiniepeilingen ons willen doen „geloven”.

Ondanks de onmiskenbare bedreigingen in onze samenleving is er alle reden om duidelijk, en bemoedigend, tegen elkaar te zeggen dat onze God een Rots is en een Toevlucht (Psalm 46), dat Zijn beloften ja en amen zijn en dat wij vanuit het diepst van ons hart mogen uitspreken: „Wij mogen bouwen op de vaste grond van Uw beloften en van Uw verbond” (Psalm 90 N.B.). Men mene niet, dat ik hiermee luchthartig over de moeiten en zorgen van de opvoeding heenwuif. Ze zijn er, vele en grote! Maar dàt is het niet wat we elkaar hebben aan te reiken. Dat zal eerder zijn de boodschap, dat we „de slappe handen moeten opheffen en de knikkende knieën strekken”, want niet het NOS-journaal bepaalt de wereld waarin wij leven, maar het eens en voorgoed verworven koningschap van Hem, die wij als Heiland der wereld belijden. In en met het doopsformulier hebben we toch grondig weet van wat het „hier en nu” aan kwaad en bederf in zich draagt? Maar met de kinderen in onze armen staan we bij de doopvont steeds weer met ontroering te getuigen van onze verwachting: het „nochtans”…..En staan we Zijn beloften te beamen !

Nee, ik blijf erbij: ook in 1988 geeft dat unieke Godswoord ons geen wankele bodem of reden tot pessimisme in het opvoeden van onze kinderen. Integendeel, het wijst een vaste, koninklijke weg aan waaraan het beloften verbindt van heil en eeuwige toekomst voor ons en onze kinderen. Die weg is wel „eenkennig”: het is de weg van gehoorzaamheid aan het Woord in onze dagelijkse levenspraktijk. Buiten die weg is er inderdaad alle reden tot pessimisme. Maar….. „laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebr. 10 : 23).

De „middellijke” weg van de opvoeding

Er is wellicht een tijd geweest dat het levenspatroon „van vader op zoon” bijna vanzelfsprekend werd voortgezet, herkenbaar in gesloten gezinsstructuren, gelijke keuzen, vaste gedragingen en vaststaande normen. De boeken van prof. Waterink in de eerste helft van onze eeuw („Aan moeders hand tot Jezus” en „Brieven aan jonge mensen”) gaven rustige adviezen in de nog weinig geschokte wereld van gezin, christelijke school en kerk. Die tijd lijkt definitief voorbij. Patronen hebben een steeds kortere levensduur gekregen. Opvattingen veranderen als het ware met de dag. Dat kan ons overigens steeds weer opnieuw tot de vraag brengen, waar wij onze „vastigheid” in wezen zoeken.

Niettemin, de praktijk leert dat het wisselvallige denken en doen in de huidige samenleving veel verwarring en ontreddering brengen in gezinnen en in relaties. Geconfronteerd met de rampzalige gevolgen die de „vrijheid-blijheid” moraal van de jaren zestig en zeventig heeft bewerkstelligd in het leven van vele jongeren, lijkt het erop, dat er vandaag ook buiten christelijke kring een zekere herwaardering komt van „het gezin” en van het belang „iets van houvast mee te geven” aan de kinderen. Christenen hebben het altijd geweten - niet op eigen gezag trouwens - dat opvoeden een onmisbare en verantwoordelijke taakstelling is van ouders. Het lijkt me onnodig voor die verantwoordelijkheid uitvoerig bewijsmateriaal uit de Schrift te halen. Wel wil ik eraan herinneren, dat de invulling van die opvoedingstaak nogal wat verschillen liet en laat zien. Ook hier geldt: „andere tijden, andere zeden” zonder dat daarbij direct van béter òf minder gesproken kan worden. Ik wil dat verduidelijken met een kernwoord uit het christelijk pedagogisch denken: het begrip „tucht”. In de 14e eeuw schreef de Nederlandse moralist en didacticus Jan van Boendale:

„die ’t kint heeft inder hoede saelt houden onder der roeden…..”

Er is weinig historische kennis voor nodig om zich een voorstelling te maken van de zéér onderscheiden manieren waarop de tucht door de eeuwen heen in onze gezinnen werd geoefend: met de stok, met de plak, met èn zonder (straf)regels, met en zonder „opsluiting”, met weinig woorden of juist via veel „dialoog”.

Een aardig beeld - tussen twee haakjes - kreeg men onlangs van die variatie binnen christelijke gezinnen bij het kijken en luisteren naar een programma over straf in „De open cirkel” van de E.O. Duidelijk is voor iedere ouder die op grond van z’n Bijbel wil handelen, dat er „tucht” moet zijn, maar hoe……..?

„Leringen wekken, maar voorbeelden trekken”

Wanneer er wordt nagedacht over de verhouding opvoeding en geloof komt men al gauw voor de dag met de term godsdienstige opvoeding. Er is dan een etiket geplakt op één van de aspecten van de totale opvoeding. Daarnaast kun je immers spreken over de morele opvoeding, de emotionele opvoeding, de lichamelijke opvoeding etc. Welnu, op het terrein van de godsdienstige opvoeding is een indrukwekkende hoeveelheid literatuur voorhanden. Daarin wordt niet alleen aandacht gegeven aan de verschillende leeftijdsfasen en tal van ontwikkelingspsychologische zaken. Er wordt ook in beschreven welke rol de Godsvoorstellingen spelen in het leven van kinderen en jongeren, en op welke wijze die voorstellingen worden beinvloed etc.

Zonder ook maar iets op het belang van deze literatuur af te dingen - integendeel -, wil ik het accent in dit artikel duidelijk anders leggen. Naar mijn mening gaat het bij ons onderwerp ook niet om de rol van de specifiek godsdienstige opvoeding, maar veel meer om de vraag wat de waarde en het effect van ons „opvoeden” (totaal) is in het leven van de jongere die het geloof als werkelijkheid ontdekt.

En dan moeten er mijns inziens twee dingen gezegd worden. In de eerste plaats dit: er moet kennis zijn van wat geloof is, wat het inhoudt. Daarmee raken we rechtstreeks aan het „ja-woord” dat ouders geven op de vraag of ze van harte bereid zijn hun kinderen in „de voorzeide leer te onderwijzen”. Dan denken we aan onderwijs, aan de „lering”: het vertellen uit het Woord, het lezen van de (kinder)bijbel, het leren van psalmverzen, de catechisatie enz. Die kennis van Gods heilsplan is wezenlijk, want ze is de bekendmaking van Gods openbaring in Jezus Christus. Simpel gezegd: Wie de Bijbel dicht laat, heeft over „het geloof” verder niets te zeggen. In de opvoeding zal de kennis van Gods Woord voor de „inhoud” van het geloof onmisbare voorwaarde zijn. En die kennis hebben de ouders hun kinderen bij te brengen.

Maar vervolgens èn onmiddellijk moet daaraan toegevoegd worden: de belevingswerkelijkheid van het geloof door de ouders, in het gezin. Als die beleving „haaks” staat op wat het Evangelie leert, dan moeten we niet vreemd opkijken als de kinderen alle vormen en normen die bij „dat geloof” geleerd werden, later „schade en drek” gaan achten - om een Paulinisch woord in dit verband te gebruiken.

In „Ambtelijk Contact” van januari 1988 schrijft ds. B. de Graaf in zijn artikel „Werkt de preek nog iets uit?” o.m.: ,,Misschien moeten we ons in de eerste plaats eens bezinnen op de levensstijl binnen onze gezinnen. We belijden allemaal: „in de wereld maar niet van de wereld”. Maar is dat in werkelijkheid ook zó?” En de befaamde hoogleraarpedagoog Künkel heeft eens geschreven: „Godsdienstig opvoeden wil zeggen: godsdienstig leven; al het andere komt vanzelf”.

Vanuit een meer dan vijfentwintigjarige praktijk in het omgaan en spreken met jongeren ben ik steeds meer gaan zien hoe fundamenteel het leefklimaat, de belevingswerkelijkheid van de gezinssituatie is: negatief èn positief. En vaak heb ik moeten constateren dat vijftien jaar lang horen van Bijbelwoorden volkomen „onderuit” gehaald wordt door slechte relaties in het gezin, verwaarlozing van de eigen emoties van de kinderen en egocentrisch gedrag. Maar ook omgekeerd, Goddank! Ik maak ze mee: de jonge mensen voor wie het geloof gestalte heeft gekregen in het leven van hun ouders, waardoor voor hèn - menselijkerwijs gesproken - het licht opging.

Waar dat aan ligt? Aan de grondhouding van de ouders, die kinderen bij het groter worden feilloos gaan ontdekken. Ik noem dan een paar wezenlijke trekken van die grondhouding:

1e Harmonie

Daarmee wordt niet bedoeld een koekoek-één-zanghouding, maar de herkenning in het gezin van de innerlijke - èn innige - saamhorigheid van de ouders in het altijd weer zich „voegen naar het Woord”: het respect voor dat Woord en het zich gezamenlijk daardoor laten gezeggen. Merken de kinderen aan vader en moeder dat er tussen hen geen bitterheid kan zijn „opdat uw gebed niet verhinderd worde”, naar het woord van Petrus.

2e Integriteit

Daarmee bedoel ik dat kinderen aan hun ouders de ervaring opdoen van waarachtigheid, van echtheid in de beleving van hun geloof. Crisissituaties in het gezin, ervaringen met de diepste levensvragen, moeiten rondom ziekte en dood: hoe gaan vader en moeder daarmee om? Hoe wordt er gebeden? En hoe gereageerd? En wordt vreugde ook vertaald in samen danken en lofzingen?

3e Eerlijkheid

Nauw samenhangend met het hiervoorgenoemde… Ervaren kinderen aan hun ouders ook de vragen, de moeiten, de emoties en de zorgen met betrekking tot het geloof? Kan daar eerlijk over gesproken worden? Kan er samen met de kinderen, gehuild en gezongen worden? Kunnen fouten worden erkend, ook door de ouders? Kan er daadwerkelijk vergeving zijn?

4e Trouw

Naar mijn diepste overtuiging het blijvende kenmerk van waarachtige liefde. Want het is - Godlof! - het refrein van Gods liefdesverklaring aan ons: ,,Hij blijft getrouw, Zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Ervaringen met trouw zijn van onschatbare waarde voor de vorming van het christelijk leven. Ik weet het: trouw vindt men bij weinigen. En juist daarom èn wegens de trouweloosheid die in onze cultuur welhaast mode geworden is, zou ik het wel willen uitroepen: „Blijf trouw aan elkaar, aan je gegeven woord, aan je gegeven liefde, in voor- en tegenspoed, door dik en dun!” Het is mijn overtuiging, dat in onze tijd christen-zijn méér en méér getoetst zal worden op dit punt. En dat mag! Want Hij is „trouw in alles wat Hij doet”. En daarin beelddrager Gods te zijn is voor een christen niets meer of minder dan ,,to be or not to be”.

En tenslotte: gelukkig die opvoeding, waarin zonder krampachtigheid samen de lofzang gezongen kan worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.