+ Meer informatie

Sociale arbeid

7 minuten leestijd

De titel

Dit seizoen zijn de diakenen zich opnieuw aan het oriënteren over de relatie tussen het diaconaat en de maatschappelijke dienstverlening.

Het leek me goed om een paar conclusies uit deze bezinning op papier te zetten, om er later nog eens gemakkelijk op terug te kunnen komen indien zich situaties vanuit de praktijk voordoen.

Vanuit deze invalshoek, zou de titel dus best kunnen luiden: „diaconaat en de maatschappelijke dienstverlening”.

Toch heb ik dit bewust niet gedaan.

Bestemd voor iedere ambtsdrager

Het gevaar is nl. niet denkbeeldig, dat bij het lezen van deze titel er een aantal verkeerde conclusies worden getrokken. De broeders diakenen die de classicale of een regionale vergadering hebben bijgewoond, zouden kunnen denken dat het „oud-nieuws” betreft.

Alle ambtsdragers, die niet het voorrecht genieten tot het bijzondere ambt van diaken te behoren, kunnen gemakkelijk concluderen dat dit alles niet van belang is voor de uitoefening van hun ambt.

Vandaar o.a. de keuze voor bovenstaande titel.

Intussen moet ik nu nog helemaal gaan bewijzen, dat de te behandelen materie inderdaad voor allen van belang is. Uiteraard kan dit alleen als is duidelijk gemaakt, wat nu precies het begrip „sociale arbeid” inhoud.

Als ik u nu vast vertel, dat het begrip ondermeer te maken heeft met maatschappelijk werk, dan wordt het misschien al wat duidelijker.

Ik hoor nl. nog wel eens de verzuchting van een predikant dat hij soms meer fungeert als een maatschappelijk werker dan als zielszorger. Hoe kan dat?

Het is nl. niet onmogelijk, dat met name de pastor tijdens zijn bezoeken, of spontaan, wordt geconfronteerd met bijv. huwelijks-problematiek of grote moeilijkheden met de opvoeding van de kinderen. Vaak gebeurt dit op een moment, dat de zg. buitenwereld hier (nog) niets van weet of weten mag.

Ook de ouderling kan voor een dergelijke situatie worden geplaatst tijdens het huisbezoek. Overleg met andere broeders — diakenen — kan gewenst zijn, maar dit hangt af van de situatie.

Deze illustratie maakt een nadere oriëntatie op het terrein van de sociale arbeid al noodzakelijk. Er zijn bij zulke zaken als genoemd eigenlijk twee vragen die direct oprijzen: „waar kan ik terecht en hoe moet ik verder handelen”?

Het één heeft betrekking op de organisatie, het tweede betreft het terrein van de methodiek. Hoewel het tweede aspect minstens zo belangrijk is, beperken wij ons voornamelijk tot die van de organisatie.

Intussen gaat de vraag dringen: „wat is sociale arbeid?” Ik wil beginnen met een definitie.

„Onder sociale arbeid verstaan wij alle arbeid, die primair gericht is op ofwel zijn eerste motivatie vindt in het bevorderen van het welzijn van zowel individuen als groepen van individuen”.

Deze definitie is te vinden in het boek „Encyclopedie van Sociale Arbeid”, geschreven door G. Duitemeijer en uitgegeven door Vuga 1974. Het meeste materiaal voor dit artikel is ontleend aan dit boek.

Nu is er met een definitie goed te werken, mits men deze ook op een goede manier relativeert. Dr. H. Berkhof heeft in een heel ander verband een definitie betiteld als „begrenzing” en daarbij gesteld dat elke begrenzing iets kunstmatigs heeft (zie Christelijk Geloof, blz. 35).

We doen er goed aan deze dingen te bedenken bij onze definitie over de sociale arbeid.

Sociale arbeid kunnen we noemen: een verzamelnaam voor alle arbeid die betrekking heeft op welzijn. Alle arbeid let u er wel op, dit betekent in het kader van dit artikel, dat het onmogelijk is alle werksoorten met name te noemen. Toch willen wij een poging doen om overzichtelijk iets op papier te zetten. Eén van de werksoorten binnen de sociale arbeid is die van de

maatschappelijke dienstverlening

We vinden daaronder alle soorten van maatschappelijk werk zowel algemeen als gespecialiseerd maatschappelijk werk, bijv. school-, ziekenhuis- (medisch) en bedrijfs maatschappelijk werk.

Ook de gezinsverzorging vindt daaronder een grote plaats. In 1974 stond 78% van het bedrag ten behoeve van de totale maatschappelijke dienstverlening genoteerd op de Rijksbegroting voor dit werk. Het punt van de sociale zekerheid binnen onze samenleving is ook van groot belang. Vandaar allerlei sociale verzekeringswetten. U kent ze wel: A.O.W.-A.W.W., W.A.O. en W.W.

Wie hierover uitvoerig en concreet geïnformeerd wil worden kan elk jaar opnieuw bij de Raden van Arbeid de zg. „Kleine Gids” voor een gering bedrag aanvragen.

Opbouwwerk

We laten allerlei theorieën over deze werksoort maar buiten beschouwing, hoewel, wanneer we nog iets te maken hebben, via deelname aan een provinciale stichting met samenlevingsopbouw, bestudering hiervan wel gewenst is.

Zoals dus reeds uitkomt valt de zg. samenlevings-opbouw hieronder, alsmede diverse zg. sociale acties.

Meer bekend is waarschijnlijk het sociaal/cultureel vormingswerk voor jongeren en volwassenen. Club- en buurthuiswerk valt hieronder. Dit alles is een geweldig breed en indringend terrein, waarin men vooral met groepen werkt en daarbij gedrags-beïnvloedend bezig is. Niet minder breed is het terrein van de

maatschappelijke gezondheidszorg

Zowel de geestelijke als de lichamelijke gezondheidszorg wordt hiermee bedoeld. Het werk van de kruisverenigingen kennen we allemaal wel. Vooral de zg. psychische-hygiënische zorg is duidelijk in opkomst, voor jongeren maar ook voor volwassenen. Deze zorg strekt zich uit ten behoeve van alle mensen die in dusdanige psychische moeilijkheden verkeren dat zij hulp van derden behoeven. Direct willen wij hierbij ook betrekken de bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden, misschien beter bekend onder de benaming L.M.-bureaus.

Als vervolg willen wij u nog wijzen op het terrein van de bejaardenzorg en de opvang voor diegenen die aan alcohol of drugs zijn verslaafd.

Enkele conclusies

Wie dit alles eens rustig op zich laat inwerken, komt tot de conclusie dat we binnen onze Nederlandse samenleving geweldig bevoorrecht zijn. Er is een stuk zekerheid van ons bestaan ingebouwd die haast niet te overtreffen valt.

Daar is veel zg. preventieve zorg bij. Maar voor elke situatie, die zich in een mensenleven kan voordoen, of die nu van materiële of geestelijke aard is doet er niet toe, er staat een organisatie en daarachter een werker klaar, die tot dienst bereid is.

Allerlei adviezen zijn dan ook te verkrijgen voor de ambtsdrager die daaraan op een gegeven ogenblik behoefte heeft. Deze zaak heeft ook een keerzijde. Je kunt hieruit ook concluderen, dat er binnen onze samenleving nogal wat aan de hand is.

Juist op het moment, dat schijnbaar voor allerlei materiële zaken voorzieningen waren getroffen, bleek het nodig te zijn om bijv. een L.M.-bureau op te richten. Zo is het momenteel nogal urgent dat hulp wordt geboden aan hen die verslaafd zijn aan alcohol of drugs. Terecht is daarom wel gesteld, dat de organisatorische opbouw binnen de sociale arbeid grotendeels is ingegeven door steeds weer opnieuw opkomende noodsituaties. Vanuit deze optiek wil dit zeggen, dat de samenleving zelf aangeeft welke (nieuwe) voorzieningen nodig zijn. Of de methodiek van organisatie juist is kan terecht disputabel worden gesteld.

Een verkeerde conclusie

Het is nl. niet onmogelijk, om na dit alles ook nog een verkeerde conclusie te trekken. Soms ben ik bang dat dit nog wel eens gebeurt.

Wanneer enerzijds wordt gesteld, dat allerlei voorzieningen tegelijk aangeven welke ontzettende dingen er zich afspelen binnen onze samenleving, dan kan het gebeuren dat we te gemakkelijk de conclusie trekken dat dergelijke dingen niet voorkomen binnen onze kerkelijke gemeenten.

Wie zo redeneert kent zijn gemeente niet voldoende. Ook kerkmensen staan handelend in deze samenleving en de invloeden daarvan gaan ook onze mensen niet voorbij.

Dit alles behoeft niet in cijfers te worden uitgedrukt. Al was het er maar één, reden genoeg om er intensief aandacht aan te besteden.

Daarmee is, dacht ik, de vraag enigermate beantwoord of we ons als ambtsdragers moeten oriënteren. Heel globaal weten we nu waar we heen moeten.

Nog een conclusie ligt daarbij voor de hand. We kunnen als ambtsdragers in deze tijd niet buiten vakbekwame werkers. Alle arbeid binnen het kader van de sociale arbeid geschiedt ook in ons belang. Toch zou deze stelling als eindconclusie te ongenuanceerd overkomen.

Enkele vragen

Er blijven nog wel enkele vragen over zoals:

— kunnen we als christenen zonder meer een beroep doen op iedere instelling, gezien de levensbeschouwingen die daar veelal worden gehanteerd?

Is het in de praktijk veelal niet zo, dat we van de regen in de drup komen omdat er adviezen worden verstrekt die niet stroken met Gods Woord?

— Als alle werk binnen de sociale arbeid tot doel heeft „welzijnsbevordering voor iedereen”, is het dan niet noodzakelijk eerst eens na te gaan, wat dan wel onder welzijn wordt verstaan?

Ik dacht, dat deze vragen vandaag aan de dag terecht gesteld dienen te worden. Op het eerste gezicht lijken de vragen over welzijn en organisatie vér uit elkaar te liggen. In de praktijk valt dit echter mee, zodat we ons een volgend keer eens met het begrip welzijn gaan bezighouden. Dit willen we dan doen aan de hand van recente ontwikkelingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.