+ Meer informatie

Vragen over volwassendoop en kinderdoop, belijdenis met mond of hart en gelovige ouders

14 minuten leestijd

Een anonieme vragensteller of-stelster heeft een flinkaantal vragen aan Terdege toevertrouwd. Omdat zeallemaal met elkaar te maken hebben, behandelen we zein één keer. Ze gaan over de volwassendoop en dekinderdoop, maar ook over lichtvaardig belijdenis doenen het "ik ben niet bekeerd" gebruiken als excuus.Dingen uit gewoonte doen is niet goed, benadrukt ds.Mulder. Maar hij waarschuwt ook ernstig voor veralgemeniseringvan uitspraken en klachten.

Op welke grond kan men "ja" zeggen als men zich als volwassene laat dopen en je bent niet bekeerd. Want je belooft toch ook in het gebruik van het Heilig Avondmaal te zullen volharden.

De vragen van het volwassendoopformulier zijn zodanig, dat een mens van zichzelf in zijn natuurstaat deze niet oprecht kan beantwoorden. Alleen door de genade des Heiligen Geestes zullen deze beantwoord kunnen worden. Alleen in diepe afhankelijkheid van de Heere en met het gebed in het hart „Heere, geeft Ü wat U beveelt, en U zult niet tevergeefs bevolen hebben" zal deze Een anonieme vragensteller of-stelster heeft een flink aantal vragen aan Terdege toevertrouwd. Omdat ze allemaal met elkaar te maken hebben, behandelen we ze in één keer. Ze gaan over de volwassendoop en de kinderdoop, maar ook over lichtvaardig belijdenis doen en het "ik ben niet bekeerd" gebruiken als excuus. Dingen uit gewoonte doen is niet goed, benadrukt ds. Mulder. Maar hij waarschuwt ook ernstig voor veralgemenisering van uitspraken en klachten. belijdenis afgelegd, en deze doop ontvangen kunnen worden. In de vraag staat „als je niet bekeerd bent." Wie zal van zichzelf zeggen, dat hij wel bekeerd is? En wie dat zegt, is die het ook? Is het niet veeleer zo, dat een oprecht gemaakte weet dat hij onbekeerd is en dat alleen de Heere hem bekeren kan? Zo één zal zich niet in lijdelijkheid verschuilen achter het „ik kan me niet bekeren", maar zal wel zoeken zich te bekeren, en tegelijkertijd bidden „Heere, bekeer Gij mij, zo zal ik bekeerd zijn." In Hand. 9 lezen we van de Moorman, dat hij vrijmoedig zijn geloof belijdt: „Ik geloof datjezus Christus de Zoon van God is." En op deze belijdenis wordt hij gedoopt. Maar we lezen ook (in Mark. 9) van de vader van de maanzieke knaap, die op de vraag van de Heere Jezus naar zijn geloof antwoordt: „Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp." Laten we het zwakke, aangevochten, maar wel oprechte geloof van deze vader toch niet verachten. De Heere Jezus deed dat in elk geval niet.

Mondbelijdenis
De vragensteller haalt vervolgens enkele gedeelten uit het formulier voor de volwassendoop aan. „Het is niet geoorloofd de volwassenen te dopen tenzij die tevoren hun zonden gevoelende belijdenis doen van hun boetvaardigheiden van hun, geloof in Christus."En:„daarvan door belijdenis des monds weten rekenschap te geven." Nu is de vraag: Als men met de mond iets belooft dan is dat toch niet oprecht? Wat heeft God (met eerbied gesproken) nu aan een belijdenis met de mond? Het moet toch uit het hart komen? Ik denk dat de vraagsteller hier iets uit het formulier haalt, wat heel anders bedoeld is dan de vraagsteller meent. In het formulier voor de volwassendoop wordt (juist aan het slot, waar ook de aangehaalde zinnen staan) de tegenstelling weergegeven tussen „de kinderen der christenen die deze dingen niet verstaan en toch uit kracht des verbonds moeten gedoopt worden" en de volwassenen. De volwassenen moeten deze dingen "geleerd" en verstaan hebben en daarvan met de mond belijdenis doen.Dit betekent niet: een belijdenis met de mond is genoeg; hoe het in het hart gesteld is, doet er niet toe. Maar mijns inziens gaat het er hier om dat de volwassenen in tegenstelling tot de kinderen met hun eigen mond van deze dingen belijdenis kunnen afleggen. We mogen uit de woorden van het formulier niet de conclusie trekken dat onze vaderen zouden zeggen dat een mondbelijdenis genoeg is en dat het hart er niet toe doet. Zij wisten heel goed dat „men met de mond belijdt ter zaligheid en met het hart gelooft ter rechtvaardigheid" (Rom. 10:10). Deze twee horen bij elkaar, wil het goed zijn. Daarvan doen onze vaderen niets af. Integendeel; zij roepen hiertoe op. Hoewel zij ook heel goed wisten dat deze belijdenis alleen maar waarheid zal zijn "door Gods genade", zoals Voetius in zijn belijdenisvragen opmerkt.

Gelovige ouders
De volgende vraag luidt: Onze oudvaders hebben het over "gelovige' ouders; waren dat allemaal bekeerde mensen ? Het opschrift boven het formulier van de kinderdoop luidde oorspronkelijk „formulier om de heilige doop aan de kinderen te bedienen." Drukkers hebben daar later „kleine kinderen der gelovigen" van gemaakt. Deze uitdrukking stond er dus oorspronkelijk niet. Intussen blijft waar dat de doopouders aangesproken worden met „geliefden in de Meere Christus." Onze vaderen spreken in de formulieren de gemeente in haar wezen, in haar kern; de ware gelovigen, aan. Overigens wisten onze vaderen ook zeer goed dat helaas niet alle leden der kerk ware gelovigen waren. Calvijn immers merkt reeds op dat het er misschien maar een op de tien is. En het feit dat er zoveel kaf onder het koren was, is mede een van de redenen voor "een nadere reformatie" geweest. Anderzijds was de dooppraktijk in de vaderlandse kerk in de 16e, 17e en I8e eeuw over het algemeen gesproken zeer ruim. Uit kracht van het verbond Gods doopte men een kind van gedoopte ouders bij voorbeeld in de regel al gauw. Soms liet men dan, om toch maar het kind gedoopt te kunnen laten worden, getuigen of grootouders de vragen beantwoorden. (De kerk wilde dan de verantwoordelijkheid voor een christelijke opvoeding feitelijk bij deze getuigen of grootouders neergelegd zien.)

Persoonlijk
In de volgende vraag komt de vraagsteller met een probleem naar voren dat zeer persoonlijk kan liggen. Als een vader en moeder wel belijdenis gedaan hebben en zich ook hebben laten dopen, maar hun kinderen niet hebben laten dopen om bepaalde redenen (bijv. door te zeggen: ik ben niet bekeerd, dus mag ik mijn kinderen niet laten dopen), is dit dan niet het afschuiven van de verantwoordelijkheid op hun kinderen ?Maar de kinderen gaan wel naar de kerk; zien andere kinderen gedoopt worden en zien jonge mensen die tot hun verstand gekomen zijn belijdenis des geloofs afleggen. Maar zelf willen ze het niet, 'kunnen' het niet, misschien durven ze het niet, omdat ze zo zijn opgevoed. Het is een hele problematiek, die hier aangesneden wordt. We moeten maar proberen de lijn van Schrift en belijdenis vast te houden. Dat ouders zelf wel belijdenis gedaan hebben, en niet hun kinderen laten dopen, begrijp ik niet goed. Wel voor jezelf "ja" zeggen op de belijdenisvragen, maar niet voor je kind "ja" zeggen op de doopvragen, en daardoor het sacrament Gods aan je kind onthouden, dat kan ik niet rijmen. Beide keren zal "ja" zeggen, als het goed ligt tegenover de alwetende God, niet kunnen in eigen vermogen, maar alleen "door Gods genade." Nu kan het zijn dat ouders later van gedachten veranderd zijn, de dingen ernstiger zijn gaan nemen. Misschien zegt iemand wel doordat de eeuwigheidszaken zwaarder zijn gaan wegen: „nu had ik geen belijdenis meer durven doen; dus kan ik ook mijn kinderen niet meer laten dopen." Toch meen ik dat dit niet goed is. Onttrekken is de weg niet. Ik zou daar geen bijbels voorbeeld ten goede van weten. Wel lees ik iets anders in het Woord Gods. Als de Heere aan Abraham opdracht geeft de zoontjes op de achtste dag te besnijden, voegt Hij eraan toe: „wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, deze ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden" (Gen. 17:12-14). Er mocht geen onbesnedene onder Israël zijn; dat zou verbondsbreuk zijn. Als dan het doopformulier de doop in de plaats stelt van de besnijdenis, zouden wij dan de doop wel mogen nalaten? Het antwoord op deze vraag zal duidelijk zijn. De Heere vraagt gehoorzaamheid. Het zou ook kunnen zijn (ik ken de achtergronden van de briefschrijver niet) dat ouders hun kinderen niet hebben laten dopen omdat ze van hun kerkeraad niet mochten dopen, zolang ze bepaalde openbare zonden vasthouden. Ook dan is er maar een weg: breken met de zonde, opdat „het verbond Gods niet verbroken worde" (Gen. 17:14) en de toorn Gods over ons kome. Inderdaad is het zo dat ouders door hun nalatigheid verantwoordelijkheid op hun kinderen kunnen leggen, die buiten proportie is. Dat is in vele opzichten waar. Wat dragen wij als ouders een grote verantwoordelijkheid, ook tegenover ons nageslacht. In Gods wegen wandelen "door Gods genade" is de enige weg.

Verduisterd verstand
Wij hebben een verduisterd verstand. Maar tot hoever is ons verstand verduisterd? Waarom kan men wel 'geloven'dat er een God is en datje naar de kerk moet, en waarom zou men dan niet kunnen 'geloven' dat je belijdenis moet doen en moet laten dopen ? Inderdaad is ons verstand verduisterd en „begrijpt de natuurlijke mens niet de dingen die des Geestes Gods zijn" (1 Cor. 2:14). Dat neemt niet weg dat er een algemeen Godsbesef is. Deze algemene kennis van God
en Zijn wil neemt toe, naarmate een mens meer kennis heeft van Gods openbaring. Ons zijn de woorden Gods toebetrouwd. En dus weten wij wat de Heere ons daarin voorschrijft. En daaronder hoort zowel naar de kerk gaan als laten dopen. Iets anders is het dat wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, pas door de toepassing van de Heilige Geest van zaligmakende betekenis zal worden in ons leven. Daarom is er groot verschil tussen een historisch geloof en het zaligmakend geloof Het historisch geloof weet dat God bestaat en Zijn Woord de waarheid is. (Zelfs „de duivelen geloven en zij sidderen" Jak. 2:19). Maar het zaligmakend geloof is een werk van Woord en Geest en dat is door de liefde werkzaam. Alleen dat geloof (om nog eenmaal met het formulier van de volwassendoop te spreken) „doet de zonde gevoelen, maakt boetvaardig en gelooft in Christus." Dat zaligmakende geloof hebben wij allen nodig. Maar dat laat onverlet dat iedereen 'geloven' moet dat God bestaatn, dat Zijn Woord waar is, dat wij naar de kerk moeten gaan, dat kinderen gedoopt moeten worden, dat men tot zijn jaren gekomen zijnde belijdenis moet doen, enz.

Was het vroeger beter?
Wordt er tegenwoordig niet te licht gedacht over de betekenis van de sacramenten en de inhoud ervan ? Iedereen laat maar dopen en doet belijdenis, want anders krijg je moeilijkheden bij overtrouwen en kinderen laten dopen. Zoiets mag toch niet uit sleur of gewoonte gedaan worden? Tegenwoordig is er meer vorm dan wezen. Is de tijd nu zoveel slechter dan vroeger of zijn de mensen nu slechter dan vroeger? Ook in deze vraag wordt veel stof tot denken aangedragen. Dat er tegenwoordig nogal eens gemakkelijk omgegaan wordt met bij voorbeeld de sacramenten, is, vrees ik in veel gevallen helaas waar. Uit oppervlakkigheid in leer en leven is dit helaas wel af te leiden. Wordt historisch geloof soms niet voor zaligmakend geloof aangezien? Bij het ware geloof hoort immers ook de 'ervarings'-kennis „hoegroot mijn zonde en ellende is"en boetvaardigheid En dit geloof kent ook zijn strijd en aanvechting en wordt niet zonder worsteling verkregen. Toch zou ik ernstig willen waarschuwen voor veralgemenisering van uitspraken en klachten. Het is in onze kringen toch vast niet waar dat iedereen die belijdenis doet het licht neemt met het Heilig Avondmaal. Er zullen er welzijn die belijdenis doen omdat het kerkelijk gebruik is en verder niet of nauwelijks over deze gewichtige dingen nadenken. Er zijn er ook die belijdenis doen zonder zich ergens voor uit te geven, maar die niet anders kunnen en durven dan de weg der gehoorzaamheid bewandelen. Met een bevend hart, vragend of de Heere waarheid in het binnenste wil werken.

Het beste oordelen
Laten we toch erg voorzichtig zijn in ons oordelen over (doop en belijdenis van) een ander. Onze gereformeerde vaderen spraken anders: „Van diegenen die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der apostelen het beste oordelen en spreken; want het binnenste des harten is ons onbekend" (D.L. III/IV,15). Ook de Heere Jezus Zelf gaat ons hierin voor: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt." En Hij voegt daaraan toe: „En wat ziet gij de splinter die in het oog van uw broeder is, maar de balk die in uw oog is, merkt gij niet?" (Matth. 7:1, 3). (Terzijde: wat zouden wij balk en splinter graag omdraaien!) Ieder van ons heeft genoeg aan zijn eigen pak, dunkt mij. Overigens kon het best eens waar zijn, en de praktijk bewijst dit helaas ook wel, dat veel in de kerk uit gewoonte gebeurt. Dat is nooit goed te praten. Sterker: het is zonde voor God. Het nakomen van een goede gewoonte is op zichzelf niet verkeerd. En uiteraard beter dan nalaten. Zelfs beter dan nalaten onder een vroom klinkende schijnredenering. Zo van: „Als ik bekeerd word, dan zal ik wel anders gaan leven." En ondertussen wordt niet met een verkeerde gewoonte gebroken. Of: ik ben onbekeerd, dus doe ik maar niet...

Vorm en wezen
Dat er tegenwoordig veel vorm is en vaak weinig wezen, kon wel eens waar zijn. Laten we de schuld daarvan toch niet aan de Heere geven, maar die bij onszelf aanwijzen. Wij hebben God verlaten, wijken van Zijn wegen af, zijn aardsgezind, materialistisch, hoogmoedig, zelfzuchtig, oppervlakkig, liefdeloos... Daarom staat het er met de kerk en met het volk van Nederland niet zo best voor. Dat is onze schande en onze schuld. En hoe staat het met ons gebed in dezen? Was het dan vroeger zoveel beter? Duidelijk is dat er vroeger meer mensen naar de kerk kwamen en er in het volksleven ook meer rekening gehouden werd met Gods Woord en normen, om maar twee 'uitwendige' punten te noemen. Overigens schrijf ik dit zonder het goede dat de Heere ons nog overlaat, te willen kleineren of het verleden te willen verheerlijken. Want ook onze oudvaders hadden hun zorgen over ons volksleven en over de kerkmensen. Hun waarschuwende preken getuigen ervan. Overigens: de vormen nalaten omdat er weinig wezen is, is ook niet goed. Alleen: laat ons met schuldbelijdenis wederkeren tot de Heere met de bede: „Heere, zou U uit genade tot ons willen wederkeren."

„Ik word op mijn werk lastig gevallen" „Ik ben een meisje van 20 jaar en zit met een groot probleem. Op mijn werk ontmoette ik een ntan van middelbare leeftijd, die gereformeerd is opgevoed. Op 17-jarige leeftijd heeft hij afstand van de kerk genomen. Zijn geweten spreekt erg dus komt hij naar mij met zijn vragen. Ik heb hem geholpen zoveel als ik kon. Nu heb ik 8 maanden te maken met ongewenste seksuele intimiteiten. Ik vind het heel erg. Met angst ga ik naar mijn werk. Ik heb het nooit zo bedoeld. Ik wilde hem juist helpen. Toch voel ik me schuldig.geraakt is. Je hebt de oprechte bgeerte om hem opnieuw aan Gods Woord te verbinden, je bidt of de Heere je pogingen wil zegenen en de uitwerking is heel anders dan jij gedacht had. Tegelijkertijd is dit een ernstige waarschuwing voor andere meisjes. Je hebt vaak niet in de gaten hoe je door een spontaan gedrag, een open houding, door je kleding wellicht, bij mannen begeerten op kunt roepen. Een zekere gereserveerdheid is niet verkeerd... Het is helemaal niet gezegd dat deze man van meetaf deze bedoeling had. Maar hij beheerst zichzelf niet. Als er geen verandering komt, komt het vreselijke ogenblik dat je verkracht zult worden. Je onderkent het feit dat je zelf te toegeeflijk geweest bent. Bij de eerste keer dat hij handtastelijk was, had je resoluut "nee" moeten zeggen. Belijd dat aan de Heere. Leg Hem het hele geval voor. Vertel Hem je strijd en je moeite. Smeek Hem om Zijn leiding. Maar je moet hier ook handelen. Je verkeert in groot gevaar. Wat Gods wil hierin is heeft de Heere duidelijk genoeg geopenbaard. Maak deze man duidelijk dat je absoluut niets meer van zijn gedrag wilt weten. Smeek de Heere om vrijmoedigheid. Als je het helemaal niet durft te zeggen, schrijf hem dan een brief Of laat hem dit artikel lezen. Het mag nooit meer gebeuren! Denk niet dat het misschien vanzelf goedkomt, of toch overgaat. Je schrijft dat je veel gepraat hebt. Ik neem aan met deze man. Als dat niet geholpen heeft en niet helpt, stap dan naar je directeur of directrice en leg de zaak eerlijk voor. Van harte wens ik je dat je met Jozef zegt en handelt: Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.