+ Meer informatie

Wat als het waar is? (4)

(VERVOLG VAN KERKBLAD NR. 17)

5 minuten leestijd

Een probleem voor de evolutietheorie is ook de zogenaamde onherleidbare complexiteit die optreedt bij hogere levensvormen. Dit argument wordt met name gebruikt binnen de zogenaamde ‘Intelligent design’ beweging. Een onherleidbaar complex systeem is een systeem waarvan alle onderdelen tegelijkertijd nodig zijn om het te laten functioneren. Wanneer slechts één onderdeel niet werkt, werkt het hele systeem niet. Veel biologische systemen zijn onherleidbaar complex en die komen voor binnen allerlei diersoorten. Een voorbeeld is het oog. Professor van Bemmel noemt in het boek Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble een aantal voorbeelden die wijzen op ontwerp waaronder de vleugels van vlinders, fruitvliegjes en kolibries en de zintuigen van zeearenden, slangen en sluipvliegen, maar er zijn er veel meer te geven. Door evolutionisten wordt die complexiteit niet ontkend, maar er zijn inmiddels hypotheses opgesteld en bijhorende verklaringen uitgewerkt voor het ontstaan en de ontwikkeling van structuren of organismen die als onherleidbaar complex worden beschouwd. Zo stellen zij dat ook een heel primitief oog in de strijd om het bestaan al voordelen biedt. Maar dit blijven hypothesen en geen bewijs. Dat de genoemde complexiteit alleen door toevallige mutaties en selectie zou zijn ontstaan, is ten diepste meer geloof dan wetenschap, hoezeer er ook klinkende verklaringen voor worden bedacht.

Dan nog het argument van rudimentaire organen of ‘nutteloze organen’. Door velen worden deze organen beschouwd als overtuigend bewijs voor evolutie en tegen schepping omdat een volmaakte Schepper geen nutteloze organen zou maken. Bij dit argument moet echter onderscheid worden gemaakt tussen de mening dat een orgaan zonder functie is en het feit dat organen geen functies hebben. Die functies kunnen ook gewoon (nog) niet bekend zijn. Darwin beweerde van circa tien menselijke kenmerken dat ze nutteloos waren, waaronder de appendix (wormvormig aanhangsel bij de blinde darm) en de Duitse anatoom Robert Wiedersheim breidde de lijst van ‘nutteloze organen’ uit tot 86. Maar door de jaren heen zijn bijna alle organen waarvan men ooit dacht dat ze functieloos zijn, functioneel bevonden. Beweringen van functieloosheid zijn dus altijd gebaseerd op de huidige stand van kennis.

Ad 3. De toegenomen genetische kennis maakt evolutie juist onwaarschijnlijker.

Voor de aanhangers van de evolutiegedachte is de overeenkomst in DNA wel de sterkste aanwijzing voor evolutie. Zo komt het DNA van apen (chimpansees) en mensen voor 96% met elkaar overeen. Maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat apen en mensen gezamenlijke voorouders hebben. Wie ziet op de vele overeenkomsten in biologische functies en gelooft in God de Schepper zal het niet verbazen dat er ook grote overeenkomsten zijn in DNA. Ons DNA komt ook voor meer dan 50% overeen met het DNA van een banaan, maar niemand hangt de hypothese aan dat we van bananen afstammen.

Daar staat verder tegenover dat overeenkomst in DNA maar deels de overeenkomst tussen soorten bepaalt. Om erfelijke informatie tot uiting te doen komen (men spreekt dan van genexpressie) zijn RNA en eiwitten nodig die complexer zijn dan het DNA zelf. Daarbij is ook nog eens sprake van een kip-ei probleem. Het DNA is zonder eiwitten niet in staat tot genexpressie te komen, maar het DNA is weer nodig om de eiwitten te produceren waardoor dit kan. Daarvoor zijn weer hypothesen ontwikkeld om het toch te verklaren, maar dat blijven onbewezen hypothesen, die volgens professor van Bemmel ook nog eens een zeer hoge onwaarschijnlijkheid hebben. Genoemde hoogleraar wijst ook op andere ontwikkelingen in kennis waaruit blijkt dat DNA helemaal niet alles bepalend is voor de wording en groei van een organisme.

Daarbij houden mutaties veelal een verlies aan informatie in, of concreter: een verlies aan genen. Bij veel van de huidige soorten zien we genetische verarming. Zo is het menselijk genoom, het geheel van erfelijke informatie in een cel, langzaam aan het degenereren door ophoping van licht schadelijke mutaties. Men verwacht dat dit over de komende generaties zal toenemen. Aanpassing van een soort, ook wel micro-evolutie genoemd, door selectie en mutatie, werkt dus genetisch verarmend en is bij uitstek ongeschikt voor de ontzaglijke toename van genetische informatie in het DNA die nodig zou zijn voor een macro-evolutie: van amoebe tot mens. Verder blijkt dat veel zogenaamd functieloos rommel-DNA (junk-DNA), wat een aanwijzing voor evolutie werd genoemd, toch een functie heeft, vergelijkbaar met de eerder genoemde rudimentaire organen. Hierdoor blijkt ook de genetische overeenkomst tussen mens en aap kleiner te zijn dan eerder werd aangenomen.

Ook andere, eerder ingenomen, stellingen die de evolutietheorie zouden onderbouwen, blijken achterhaald te zijn door nieuwere kennis. Zo werd eerder gesteld dat het allereerste leven in vroegere cellen, zonder celkern, veel minder complex was dan de cellen die we tegenwoordig kennen en die het product zouden zijn van miljarden jaren aan evolutie. Maar die stelling is inmiddels achterhaald en dat geldt zowel voor het DNA, het RNA als de eiwitten. Verder zijn de uniciteit van de mens, bijvoorbeeld zijn taal, moreel gedrag, religiositeit, bewustzijn enzovoort, niet echt te verklaren binnen een evolutionistisch wereldbeeld, hoewel hier zeer veel theorieën over in omloop zijn.

We moeten wel bedenken dat er ook meerdere waarnemingen zijn, die puur wetenschappelijk gesproken, wel lijken te wijzen op evolutie. Een voorbeeld hiervan is dat identieke mutaties voorkomen op overeenkomstige positie in het genoom van mensen en chimpansees, waaronder ook het gen voor het aanmaken van vitamine C. We moeten dus niet doen alsof allemaal volkomen helder is dat alle argumenten voor evolutie wetenschappelijk onhoudbaar zijn. Maar wel geldt in het algemeen gesproken dat de toegenomen kennis van de genetica het proces van macro-evolutie onwaarschijnlijker maakt.

(Wordt vervolgd)

Wageningen, prof. dr. ir. Wim de Vries

Naar aanleiding van Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.