+ Meer informatie

Begeleiding van stervenden

14 minuten leestijd

Zware taak.

Het is geen eenvoudige taak om een stervende te moeten begeleiden. Ik denk hierbij niet alleen aan de laatste dagen of uren, maar aan heel die periode sinds het bekend geworden is, dat een patiënt ongeneeslijk ziek is. Er kunnen dan nog heel wat dagen voorbij gaan, voordat het einde er is.

In veel gevallen vinden wij de predikant de aangewezen man om deze taak op zich te nemen. Dat wordt terecht gedacht. Toch is daarmee niet alles gezegd. Niet elke gemeente heeft een eigen predikant. Er zijn consulenten die het zo druk hebben, dat ze zulk een patiënt niet zo trouw kunnen bezoeken als ze wel zouden willen.

Dan moet een ouderling zijn plaats innemen. Laat ik direct mogen zeggen, dat ik voorbeelden ken van ouderlingen die deze taak met liefde en zegen hebben vervuld. Het behoort dus niet tot de onmogelijkheden, dat een ouderling in de plaats van een predikant de stervende begeleidt.

Daar komt nog bij, dat ook in die gevallen, waarin een predikant ter beschikking is, de taak van een ouderling niet is afgelopen.

Een stervende begeleiden betekent met hem (of haar; ik spreek nu verder maar over hem) mee te gaan op het laatste stukje van de weg, stap voor stap en voet voor voet. Men kan toch niet voelen wat een stervende voelt? Men staat toch nog niet voor die laatste poort! Kan men dan wel met hem meegaan? Hier stuiten we al direct op een grote moeilijkheid. Velen voelen zich juist om deze reden onbekwaam tot het begeleiden. Dan moet men goed beseffen, wat begeleiden is. Het betekent niet, hetzelfde voelen als een stervende. Het betekent, naast iemand staan en voorzover dat in ons vermogen is, met iemand meegaan. Daar komen twee dingen aan te pas. In de eerste plaats zal men zich zoveel mogelijk in de situatie van de patiënt moeten verplaatsen. Men moet zich indenken wat dit alles voor de ander betekent. Men moet zich voorstellen, hoe men er zelf aan toe zou zijn, als men dit verwerken moest. Dat is het element van het invoelen en meevoelen.

Het tweede is: het verschil zich goed bewust zijn. Men kan zich in de situatie van de ander proberen te verplaatsen. Dat is zelfs nodig. Tegelijk dient bedacht te worden, dat men de ander niet is. Dat moet men in alle fasen van de omgang goed voor ogen houden. Die ander moet zichzelf kunnen zijn. U moet hem niet willen hebben zoals u bent.

De waarheid zeggen?

Dan komt er direct al de vraag: moeten we aan een ongeneeslijk zieke beslist de waarheid zeggen? Ik ben van mening dat dit dient te geschieden. Daarvoor zijn verschillende argumenten. Een mens moet verantwoording afleggen van wat hij in zijn leven gedaan heeft. Men mag een mens niet laten sterven zonder hem op de ernst van die verantwoording gewezen te hebben. Het kan zijn dat er nog schuld beleden moet worden of dat er nog dingen in orde gemaakt moeten worden. Het kan zijn dat het met God nog niet in orde is. Men mag de waarheid dan niet verbergen.

Daar komt iets anders bij. Het is wreed bijna zou ik zeggen onmenselijk, om iemand van wie de omgeving weet, dat hij niet beter worden kan, tot het laatste ogenblik hoop op herstel te geven. Dat is eenvoudig in strijd met de waarheid. Wie daaraan meedoet, maakt zich aan leugen schuldig. Er komen gevallen voor van patiënten, die een hele lijdensweg achter de rug hebben, en die toch vlak voor hun sterven, soms zelfs tot een kwartier voor hun dood, denken dat ze nog beter worden.

Welk spel heeft men dan gespeeld? Had men zelf de moed niet het te zeggen? Kon men tegen de arts, die de waarheid wilde verzwijgen, niet op? Men mag in zulke gevallen de waarheid voor de patiënt niet verbergen.

In literatuur uit Amerika wordt er herhaaldelijk op gewezen, dat eenzaamheid en onzekerheid bij hen die vrezen niet beter te zullen worden, een grote rol spelen. Mag men het lijden verzwaren door aan deze eenzaamheid en onzekerheid niets te doen?

Hoeveel mensen hebben achteraf geen schuldgevoelens, omdat ze voor het sterven van familieleden niet eerlijk over de dood gesproken hebben. Ik heb in mijn radiolezingen daarvan enkele voorbeelden genoemd. (Onder de titel „Rondom het levenseinde” zullen deze in de boekhandel verkrijgbaar zijn, wanneer dit nummer verschijnt.)

Het is niet gemakkelijk iemand te zeggen dat hij sterven moet. Toch zal het contact er beter door worden. Hoe kan men nu tot echt contact komen, als men steeds maar om dat ene punt heen loopt? Hoe kan men zichzelf het voortdurende verwijt besparen dat men de ander wat voorliegt? Hoe kan men echt bidden met de ander, wanneer aan hem de waarheid onthouden wordt? Wil dat zeggen, dat de waarheid op elk willekeurig moment gezegd moet worden? Stellig niet. Men moet daarvoor het geschikte ogenblik uitkiezen. Waarheid is nooit een abstractie. Het is altijd waarheid voor een mens in een bepaalde situatie. Men moet met die situatie terdege rekening houden. Men kan in de gesprekken ook langzamerhand ernaar toe werken. Soms stelt de patiënt zelf vragen en kan men daarbij aanknopen.

Ik doe nu alsof de geestelijk verzorger de patiënt moet zeggen, dat hij niet beter kan worden. Ik acht dat in de eerste plaats de taak van de arts. Er zijn artsen die zich aan deze taak onttrekken. Ik heb de indruk dat de gedachten hierover zich aan het wijzigen zijn. Onder artsen wordt er veel meer over gesproken dan vroeger. Er worden zelfs conferenties en congressen aan dit thema gewijd.

Mocht de arts verstek laten gaan, dan zal een familielid of geestelijk verzorger het moeten doen. Men zal als predikant of ouderling nooit ongevraagd de plaats van de familie mogen innemen. Laat ook de familie na, wat haar taak is, dan zal men als predikant het moeten doen.

Er kunnen zich heel moeilijke situaties voordoen. Mij werd de vraag gesteld wat een kerkeraad van een vacante gemeente moest doen in een geval, waarin de familie het ongeneeslijke van de ziekte voor de patiënt verborgen wilde houden. Men mag natuurlijk nooit spreken zonder overleg met de familie. Men moet eerst trachten haar te overtuigen dat er gesproken moet worden. Als de familie dan nog in zwijgen volhardt, zal men moeten zeggen: wij kunnen dit niet langer voor God verantwoorden en wij zullen erover spreken. De verantwoordelijkheid tegenover de patiënt voor Gods aangezicht moet zwaarder wegen dan wat de familie ervan vindt.

Hoe?

Dat is de grote vraag. Wat moet ik zeggen? Daarop kan ik heel kort antwoorden. Men heeft niets anders te doen dan Jezus Christus te verkondigen. Misschien zijn er lezers die zeggen: daarmee hebt u niets gezegd. Ik kan dat bezwaar begrijpen. Ik deel het niet. Ik heb inderdaad over het hóe met dit antwoord nog niets gezegd. Wie zal er regels kunnen geven, hoe men moet handelen met een stervende? Ik wil er vooral op wijzen, dat men zich bewust moet zijn, dat men een boodschap heeft. Professor van Niftrik heeft onlangs in een uitvoerig artikel in „Trouw” erop gewezen, dat het ontbreken van die boodschap kenmerkend is voor literatuur over het sterven. Het interessante boek van E. Kübler-Ross, „Lessen voor levenden. Gesprekken met stervenden”, is daarvan wel een indrukwekkend voorbeeld. Men komt onder de indruk van wat men zoal overwogen heeft. Als men dan vraagt: en wat zeg je nu vanuit het Evangelie tegen stervenden, dan is er in dit boek geen antwoord te vinden.

Men zal op Jezus Christus mogen wijzen. Dat is in één naam samengevat alles wat men te zeggen heeft. Zeker, die naam laat zich spellen. Er is veel over Hem en zijn werk te zeggen. Dat zal bij een sterfbed ook wel gebeuren. Maar meer dan de genade in Hem en de vergeving door zijn offer en de overwinning door zijn opstanding, is er niet, en is er ook niet nodig.

De ervaring van een zielzorger — tot hen reken ik ook de ouderlingen, die zorg voor stervenden hebben — is deze: ik doe het niet; maar de Here doet het door mij. Ik denk geen schema uit om precies te komen waar ik zijn wil. De Geest gebruikt mijn zwakke woorden om de ander de weg te doen gaan.

Dat is de kracht van het werk van een zielzorger. Hij wordt gebruikt. In dat vertrouwen mag hij zijn taak vervullen. Hij heeft er alleen voor te zorgen, dat hij het Woord van God doorgeeft. Ik herinner me dat ik eens aan het eind van een gesprek een paar woorden uit de Bijbel aanhaalde. Later zei de patiënt tegen me, dat ze aan die Schriftwoorden zoveel gehad had. Sindsdien heb ik begrepen, dat Gods woorden meer doen dan onze lange gesprekken. Niet dat we die uit de weg moeten gaan. Als het nodig is, moeten we praten. Maar het Woord van God betekent meer dan onze woorden. Laat daarom aan een sterfbed altijd een woord uit de Bijbel achter. Het geldt voor een ziekbed trouwens evenzeer. Wanneer men weet dat iemand vernomen heeft, dat hij niet beter kan worden, is het gewenst hem kort achter elkaar te bezoeken. Beter enkele korte bezoeken, kort na elkaar, dan een lang bezoek, en dan een hele poos niets.

Wat gaat er niet door het hart en hoofd van een mens die weet dat zijn einde in zicht komt! Wat moeten we dan naast iemand staan en bij hem zijn in al de gemoedsgesteldheden die hij doormaakt.

Verschillende reacties.

Er zijn mensen, die er niet aan willen. Er zijn mensen die de dood ver van zich duwen en die verstoppertje spelen met de werkelijkheid die hun werd bekend gemaakt. Er zijn mensen die een schuldige zoeken: hadden we dit maar eerder gezien of dat maar eerder gedaan. De schuld kan bij iedereen gezocht worden. Er zijn mensen die helemaal versuft zijn door het bericht. Het is of alles zijn zin en glans verloren heeft; of er niets meer voor hen bestaat.

Er zijn mensen die erdoor heen komen en zich leren overgeven. Niet ieder zal daar zo vlug aan toe zijn als de vrouw van een van onze ambtsdragers die, toen haar man verteld had, dat ze niet beter kon worden, vroeg of hij wist wat er op haar rouwkaart moest staan. Zij dacht aan psalm 43: dan ga ik op tot Gods altaren.

De hier bedoelde reacties wisselen elkaar soms bij dezelfde mens af. We moeten veel geduld hebben met stervenden. We moeten niet denken: zijn ze er nu nog niet voor klaar? We mogen in geen geval doen alsof de omgang teveel wordt; alsof we hen bij hun leven al afgeschreven hebben. Dat voelen zulke patiënten bijzonder fijn aan. Men moet er maar eens naar luisteren hoe ze het bezoek van de dokter ervaren: aan dit bed is geen eer meer te behalen; daarom zorgt de dokter dat hij er zo gauw mogelijk voorbij komt. Gelukkig is niet elke dokter zo. Maar er zijn er wel.

Hoe staat men er zelf tegenover?

Waarom is de taak van begeleiding van stervenden zo moeilijk? De oorzaak zit vaak in het feit dat men zelf niet klaar is met de vragen, waarop men bij de patiënt een antwoord moet geven. Er zijn wel geestelijke verzorgers die deze vragen van zich duwen, omdat ze ze niet onder ogen willen zien. Men weigert met eigen dood geconfronteerd te worden. Hoe zal men dan een stervende kunnen begeleiden? Dat is ten diepste onmogelijk. Het omgekeerde geldt ook: wie deze vragen met betrekking tot eigen leven en dood onder ogen durft te zien, leert ook voor zichzelf van de omgang met stervenden. Wie zo voor zichzelf leert, leert ook weer voor anderen. Wat God ons, ambtsdragers, leert, komt immers altijd anderen ten goede.

Hoe zal men in diepe wanhoop troosten? Wijzen op Jezus Christus, op het leven dat Hij verworven heeft. Hoe zal men helpen, als er een schuldige gezocht wordt? Erop wijzen dat Jezus Christus zich over ons, schuldigen, ontfermt; dat wij met onze schuld bij Hem terecht kunnen. Hoe zal men helpen wie de werkelijkheid van de naderende dood niet onder ogen willen zien? Wijzen op het feit, dat God de mens doet sterven en dat wij die werkelijkheid niet kunnen ontlopen.

Hoe zullen we hen helpen, die er niet voor klaar zijn? Hen die angst hebben? Wijzen op het gebed en het vertrouwen in Gods beloften. Ook wijzen op de ernst van de zonde. Als ze niet verzoend is, kan men God niet ontmoeten. Daarom is de schuldbelijdenis zo nodig. Het kan zijn dat er dingen uit het verleden nog niet beleden zijn. De duivel laat ze graag tussen God en een mens in staan. Maar Jezus Christus is sterker. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.

Hoe zal men helpen hen die vrouw en kinderen nog niet kunnen loslaten? Wijzen op de genade die God wil geven en op de Bruidegom Jezus Christus. Hij voltooit zijn eigen werk. Hij staat in voor degenen die achter blijven, zoals Hij ook ingestaan heeft voor de patiënt zelf.

Terwijl ik deze regels schrijf, besef ik dat er geen regels te geven zijn. Het enige wat ik kan doen, is enige dingen als voorbeeld noemen. De praktijk is in elk geval weer anders.

De omgang met stervenden heeft mij wel geleerd, dat wij de vrede niet kunnen brengen bij een medemens. Onze beste bedoelingen en onze met zorg gekozen woorden, kunnen een mensenhart niet de ware vrede geven. Dat moet God zelf doen.

Het is een groot voorrecht wanneer men als zielzorger geleerd heeft, zich ook voor dit werk aan God toe te vertrouwen. Het betekent ook dat men van het gebed veel verwacht. Ik kan daarop niet genoeg de nadruk leggen: bid met hen die sterven moeten. Zeg de dingen heel eenvoudig, zonder grote woorden. Zeg de dingen zoals ze in het gesprek ter sprake kwamen. Smeek dan om Gods genade, om de vrede en om de Heilige Geest. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel. Dat laat de Here ook bij sterfbedden zien.

Sterven ongelovige mensen rustiger?

Er wordt nog wel eens smalend opgemerkt dat ongelovige mensen vaak rustiger sterven dan gelovigen. Wat moet je daarvan zeggen?

Ik heb er geen „statistische gegevens” over. Ik heb verscheiden sterfbedden meegemaakt waarvan grote rust uitging. Zelfs bij jonge mensen. Ik herinner me hoe we op een vroege maandagmorgen in een diaconessen-huis stonden te zingen rond het bed van een jongen van ongeveer 17 jaar. Zo ging hij naar het Vaderhuis.

Er zijn ook andere ervaringen.

In het algemeen kan wel hierop gewezen worden: gelovige mensen weten van de verantwoording die God vraagt. De schuld van het verleden kan sterk op hen afkomen. De duivel kan het hen enorm moeilijk maken.

Ongelovige mensen zijn in hun denken over God en de dood soms zo verhard, dat ze zelfs tegen de tijd van het sterven nog in hun verharding vastzitten. De duivel behoeft zich voor hen ook niet veel moeite te geven. Ze zijn toch reeds zijn prooi.

Ik schrijf dit niet om de onrust bij een gelovige goed te praten. Men zou van een gelovig iemand anders verwachten. Ik schrijf het wel om te laten zien, dat juist een gelovige door veel heen moet. Ook bij het sterven van Gods kinderen — evenals in hun leven — laat de Here zien, dat we niet in mensen, maar alleen in de genade zullen roemen.

Dat moeten we goed voor ogen houden, als we wel eens teleurgesteld zijn over een sterfbed van een van Gods kinderen. De Here geeft zijn eer niet aan een mens.

Naast het onderwerp begeleiding van stervenden mag ook wel aan de orde komen: voorbereiding op het sterven. Vindt dat plaats? Het oude gezegde: „Een nauw leven, geeft een ruim sterven”, geldt ook vandaag nog. We kunnen dat niet als een wet hanteren. We zien het wel vaak bevestigd.

Bij een nauw leven hoort ook het bewustzijn dat men voor God moet verschijnen.

Dat is een vorm van voorbereiding op het sterven.

Het is een zware taak stervenden te begeleiden. Het is ook een voorrecht tot het laatste toe mee te mogen gaan. Men behoeft er niet met eigen geestelijk bezit of ervaring bij te zijn. Alleen met het woord van God. Meer is niet nodig; met minder kan men niet toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.