+ Meer informatie

Naar de katechisatie

5 minuten leestijd

22

HET GELOOF (10)

C) Het vertrouwen (slot)

We hebben in onze vorige les besproken, dat de Schrift aangeeft een VERTROUWEN van het geloof als een „toevluchtnemend” en een „verzekerd” vertrouwen. Dit onderscheid raakt dus de b e o e f e n i n g van het geloof, de trap en maat in de werkzaamheden van de ware gelovige, in wie de Heilige Geest het zaligmakend geloof gewerkt heeft, door het Evangelie. Zondag 25 antw. 65.

Op die trap en maat van de werkzaamheden des geloofs wijst ook de uitdrukking in onze Heidelberger bij de behandeling van de b a a t van het geloof, de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, Zondag 23: „in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem.”

Wanneer er dus ook is een „toevluchtnemend” geloof en vertrouwen, zo moeten we niet denken, dat er in zulk een toevluchtnemend geloof geen ZEKERHEID wordt gekend. Zeer zeker wél. Want wie door genade met zijn zonde-nood en ellende de toevlucht neemt tot de Heere, zoals we bij de Kananese vrouw zien, bewijst in die toevluchtneming een volkomen vast vertrouwen te stellen in de Heere, in Zijn Woord en Beloften. Om bij het voorbeeld maar weer te blijven van de Kananese vrouw, zo dacht en redeneerde zij niet: zou de Heere het wel zijn, zou Hij wel de Zoon van David zijn, de Messias, zou Hij wel kunnen helpen? O neen, dat stond voor haar vast! Ware zij hiervan niet overtuigd, zij had nooit die stap gedaan, om tot Hem te gaan.

Van Hem gehoord hebbende (Markus 7 : 25), nergens hulp en beterschap voor haar dochterke te kunnen vinden, onderneemt zij het stoute stuk als „heidin” Zijn hulp in te roepen, met het vaste vertrouwen, dat H ij haar alleen kon helpen en haar dochter genezen. Ja, zelfs doet zij een beroep op Zijn Messiasschap „Zone Davids” en zelfs op Zijn „godheid”, HEERE zo roept zij, tot tweemaal toe. Zo is het ook met een „bekommerde vanwege zijn zonde”. In het feit, van zijn toevluchtnemen tot de Heere ligt opgesloten „zekerheid”, dat de Heere kan en wil verhoren als de almachtige en genadige God jegens een diepschuldig en arm zondaar. Zie bij de melaatste man, die beleed: „Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.”

De apostel schrijft in Hebr. 11 : 6: „Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.”

De volle VERZEKERDHEID des geloofs is een nadere daad van het zaligmakend geloof, zoals we reeds besproken hebben.

Comrie spreekt van u i t g a a n d e daden des geloofs (het toevluchtnemen) en van w e d e r k e r e n d e daden. Deze houden in die volle verzekerdheid, namelijk te weten door het geloof, dat Christus niet alleen „geschonken” is, maar ook „deelachtig” is gemaakt; zich verzoend te weten met een Drieënig God in Christus en zulks in de weg van gehele ontlediging en ontgronding van zichzelf en van alles wat geen grond is voor de eeuwigheid, wat buiten Christus is. Of, zoals de Heidelberger in Zondag 23 verklaart: „Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.” We hopen daarvan nader te horen bij de behandeling van de „rechtvaardigmaking des zondaars voor God.”

Ligt dus in de toevluchtneming „zekerheid”, de bekommerde over de zekerheid van zijn „staat” durft voor zichzelf niet aan te nemen, dat Christus Zijn persoonlijke Borg is. Wel zal hij of zij er naar staan om tot die verzekerdheid te komen. Het is ook de eigenschap van het geloof, de aard van hetzelve, zoals een bloem zich richt naar de zon.

Maar waarom durft de bekommerde niet aan te nemen, dat Christus Zijn dierbaar bloed voor hem of haar gestort heeft? Wel, omdat men zo bang is voor zelf-bedrog, voor een zomaar-aannemen gelijk de naam-christen doet. Men wordt daarbij ook zo erg bestreden. Dan zeggen de binnenpraters: je schuldbesef is niet diep genoeg, u bent geen uitverkorene, u zult nog als een huichelaar openbaar worden. Dit brengt donkerheid en moedeloosheid over de ziel, want men blijft dikwijls zo naar die binnenpraters luisteren, terwijl die grote Rustaanbrenger zo welmenend de vermoeiden en beladenen vanwege hunne zonden nodigt om tot Hem te komen: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.”

Maar wàt is nu nodig om als zulk een vermoeide en beladene vanwege de zonde-last en vanwege al de vergeefse pogingen om door wettische werken tot de ware rust en vrede te komen? Wel, geloofs l i c h t over het enige en algenoegzame VOORWERP des geloofs, Christus, in Zijn dierbare beloften en in Zijn Persoon! Ontdekkend licht is nodig ter ontlediging en ontgronding, maar ook over de kennis van Christus als de enige en volkomen Borg, over Zijn volbracht Middelaarswerk, over de vastheid van Zijn beloften, de beloften, die in Christus ja en amen zijn! U. die naar de verzekerdheid van het geloof staat, smeek om dit licht en om die geloofsdoorbraak. Zij ’t maar veel uw bede:


„Zend Heer” Uw licht en waarheid neder
En breng mij, door die glans geleid,
Tot Uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereder
Ten berge van Uw heiligheid,
Daar mij Uw gunst verbeidt.


Opdat het mag worden:


„Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de Bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Uwe goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt,
Mij eindeloos verheugt.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.