+ Meer informatie

GEWIJDE GESCHIEDENIS O.T.

4 minuten leestijd

Num. 13—21.

De omzwervingen in de woestijn.

I. De oorzaak van deze omzwervingen. Num. 13 en 14.

a. het bevel om Kanaan binnen te trekken.

b. het uitzenden van de Verspieders.

c. de terugkeer van de Verspieders.

d. de uitwerking op het volk.

II. Gebeurtenissen gedurende de omzwervingen.

a. samenzwering van Koraeh, Dathan en Abiram. Num. 16

b. de twist met Mozes om water. Num. 20 : 1-13.

c. wat de Heere eiste en wat Mozes deed.

d. Israël bij Edom. Num. 20 : 14-22.

e. de dood van Aaron. Num. 20 : 23-29.

Toen Israël aan de zuidgrens van Kanaan gekomen was, gaf de Heere bevel Kanaan binnen te trekken.

Volgens Deut. 1 : 22 vragen de Israëlieten mannen te zenden, om het land te verspieden, om te weten, welke weg zij zouden gaan en tot welke steden zij zouden komen. Mozes willigt dit verzoek in en zendt twaalf mannen uit, van iedere stam één man.

Deze mannen gaan tot Hebron toe, en stellen zich op de hoogte van de vruchtbaarheid van het land en de sterkte van zijn inwoners.

Na veertig dagen keren zij weder en als bewijs van de vruchtbaarheid van Kanaan brengen ze edele vruchten mee en een tros druiven die door twee mannen gedragen moest worden.

Tien verspieders ontroeren het volk door meer de nadruk te leggen op de macht van de inwoners dan op de macht en trouw van Jehova die dat land aan Abraham had beloofd.

Jozua en Kaleb hadden wel een open oog voor de bezwaren maar het waren mannen des geloofs, die het volk opwekten om op te trekken en niet te twijfelen maar te steunen op Gods beloften.

Eerst begon het volk te wenen, maar hun droefheid veranderde spoedig in bitterheid en zij spraken er over om een andere leidsman te kiezen en terug te trekken naar Egypte.

De Heere wil in Zijn toorn het volk verderven, maar op voorbede van Mozes trekt de Heere dit besluit in.

Ongestraft mag echter het volk niet blijven.

Veertig jaren zouden ze moeten omzwerven in de woestijn. Allen, die bij de uittocht uit Egypte twintig jaren telden, zouden in de woestijn sterven.

Met Jozua en Kaleb, die een goed getuigenis hadden gegeven, maakte de Heei'e een uitzondering.

De tien verspieders werden zwaar gestraft. Nu wilde het volk toch optrekken maar werden door hun vijanden geslagen.

Dat het volk nog niets geleerd had blijkt wel uit de opstand van Korach, Dathan en Abiram, waarvan we in een vorige schets al iets hebben gezegd.

Bij gebrek aan water begint het volk weer te murmureren. Mozes sloeg tegen het bevel des Heeren op de rots, inplaats van er tegen te spreken.

Met Mozes zondigde Aaron, omdat hij niets deed om het ongeloof tegen te gaan.

De Heere handelt zonder aanzien des persoons want ook Mozes en Aaron delen in het ongenoegen Gods.

Vanuit Kades zond Mozes boden tot de koning van Edom met het verzoek om door zijn land te mogen reizen. Mozes beloofde het land niet te zullen beschadigen en alles te zullen betalen wat zij nodig hadden voor zich en hun vee.

De koning van Edom weigerde en trok Israël tegemoet met een zwaar heir.

Door deze weigering was Israël genoodzaakt de doortocht te vragen van Sihon, de koning der Amorieten. Ook deze koning weigerde.

Toen hij echter zijn krijgsvolk vergaderde om tegen Israël te strijden, stelde het volk zich in slagorde, versloeg hem en nam zijn land in bezit.

Ook Og, de koning van Bazan, moest voor Israël zwichten. Zo kwam Israël in het bezit van het land ten Oosten van de Jordaan, dat niet tot het beloofde land behoorde. Dit land werd later ten erfdeel gegeven aan de stam van Ruben en Gad en de halve stam van Manasse, omdat het uitstekend weiland was en deze stammen veel vee hadden.

Toen Israël bij de berg Hor was gekomen, beval de Heere Mozes en Aaron en diens zoon Eleazar de berg te beklimmen.

Daar zou Aaron sterven. Vooraf werd Eleazar tot Hogepriester geheiligd door het aantrekken van Aarons klederen.

Nadat dit geschied was, stierf Aaron op honderddrieëntwintigjarige leeftijd.

Zonder Aaron klommen Mozes en Eleazar de berg af. Het volk begreep daaruit, dat Aaron overleden was en betreurde hem dertig dagen.

Lief en leed wisselt zich in het leven van Gods volk in de woestijn van dit leven gedurig af.

Tegenover zonde en ontrouw openbaart de Heere gedurig Zijne genade en trouw.

Zo trekt het geestelijk Israël onder vuur-en wolkkolom op naar het Kanaan der eeuwige ruste.

Wanneer Gods onweerstaanbre hand, De vorsten uit het ganse land Verstrooid had en verdreven.

Ontving Zijn erfdeel, eed'ler schoon Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon, Aan Salmon ooit kon geven.

Vraag 1. Was het billijk dat de inwoners van Kanaan moesten worden uitgeroeid om het land aan Israël te geven?

2. Wat was het karakter van Mozes' zonde, waarom hij niet in Kanaan mocht komen. (Zie Psalm 106).

3. Waarom heeft Israël niet tegen Edom gestreden ?

Ds A. DE BLOIS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.