+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We hebben al enkele keren met elkander gedacht over al datgene wat er op zondag, dat is op de rustdag, te doen is. Dat is nog al wat, wanneer je op al de „werkwoorden” let, die er in zondag 38 van de H. Cat. staan. Want werkwoorden getuigen van werken. Er moet op de rustdag gewerkt worden. Gewerkt in de dienst des Heeren. Wie dat verstaat behoeft zich echt niet te vervelen. Bij al het reeds genoemde, komt nog veel meer. We willen dat ook even noemen, zonder op alles breedvoerig in te gaan. Want dan zouden deze artikelen weer te eentonig gaan worden.

Nadat gesproken is over het gebruik van de sacramenten, waarin de Heere op een „zichtbare” wijze een rijk evangelie aan arme zondaren laat verkondigen, wordt er gesproken over „God den Heere openlijk aan te roepen”. Dat ziet op het zogenaamde grote gebed wat aan de eigenlijke preek voorafgaat. Ik weet dat er tegenwoordig ook zijn, die het grote gebed na de preek laten volgen, maar wij houden ons nog aan de oude liturgie. (Liturgie is een vreemd woord dat op de gang van zaken wijst, zoals deze in de eredienst plaats heeft).

Het grote gebed staat dus in de H. Cat. omschreven, als een openlijk aanroepen van God de Heere. De Heere is God. Hij alleen. Daar moet een ieder diep van doordrongen zijn, die zich bevindt in het huis des Heeren, dat is: voor het aangezicht des Heeren. Als de dominee gaat bidden, dan is dat natuurlijk niet een zaak voor de dominee alleen. O zeker, hij gaat vóór in het gebed. En hij dient dat te doen met de meeste eerbied. Hij dient dat te doen met diep ontzag. Ook hij moet zich bewust zijn, dat bidden niet een zaak is van „uitstallen van woorden”. Het moet een vertolken zijn van de nood der gemeente. De noden der gemeente zijn velerlei. Daar zijn geestelijke noden. Die nebben alle leden gemeen. Mochten ze meer worden beleeid en gevoeld. Helaas worden deze noden meer besproken, dan dat ze worden ervaren. Als dat gebeurd, zijn we gelijk aan mensen die over bittere armoede spreken, terwijl men in de meest welvarende gesteldheid zich bevindt. Zó welvarend te zijn, in natuurlijk opzicht - en ook in geestelijk opzicht dik en vet van de godsdienst - en dan te doen aisol je arm bent, dat kan de Heere niet behagen. Dat is eigenlijk niets anders dan komediespel. En er wordt in de kerken heel veel komedie gespeeld. Ik dacht dat jullie, die de naam hebben dat je scherp oplet, deze dingen wel aanvoelen. Arm doen terwijl men het toch niet is, doet mij denken aan die bedelaar die met een paar krukken de boer op ging. Overal, waar hij kwam maakte hij een ziehge vertoning. Stel je voor, een man, die zich op krukken voortbewegen moet door het leven. Die niet gaan en niet staan kan op eigen benen. Die van hetgeen hem gegeven wordt, leven moet. Wie zou daar geen medelijden mee hebben. Heel wat mensen waren door zijn armoedige vertoning al bij de neus genomen. Totdat hij op een boerderij kwam, waar een kwade hond op hem afschoot. De man schrok zodanig dat hij zijn krukken vergat en haastig de benen nam. De quasi ongelukkige bleek helemaal niet ongelukkig te zijn. Zo zijn er in geestehjk opzicht heel wat. En als God er ons niet voor bewaart, doen we het allemaal zo. Een dominee moet ook eerlijk gemaakt worden, om voor het aangezicht des Heeren eerhjk te zijn.

Naast de geestelijke noden zijn er ook natuurlijke noden. Ik denk bijvoorbeeld aan zieken, mensen die in rouw gedompeld zijn, mensen die een of ander zwaar kruis te dragen hebben. Ieder heeft zo zijn eigen noden. En die moeten nu gemeenschappelijk de Heere worden voorgedragen. Hij zegt niet voor niets dat Hij de moeite en het verdriet aanschouwt, opdat men het in Zijne hand zou geven. Elk mens heeft moeite en verdriet. Misschien dat jullie, jongeren, daar nog niet zo veel van weten, maar vroeg of laat kom je er toch mee in aanraking. En dan staat, met eerbied gezegd, de Heere er naar te kijken, waar je er mee blijft. Hij wil dat je het in Zijne hand zult geven. Ten deze heeft dus de dominee ook een taak, als de Heere God openlijk, dat is in het openbaar, aangeroepen wordt.

Doch, zoals reeds gezegd is, het is niet een zaak voor de dominee alleen. Degenen die in de kerk zitten, worden geroepen om mee te bidden. Daarom wordt dat grote gebed ook wel het „gemeenschappelijke gebed” genoemd. En dan gebeuren er ook heel veel ongerechtige dingen. Velen bidden helemaal niet mee. Ze luisteren niet eens, naar wat gezegd wordt. De gebedstijd wordt niet zelden „slapende” doorgebracht, in de meest letterlijke zin van het woord. Anderen zitten te snoepen en met propjes papier te schieten. Weer anderen zitten te praten, gekheid te verkopen, te lachen en ga zo maar door. „Een stroom van ongerechtigheden”, golft er door de kerken heen. Als ik deze dingen zo schrijf, zal niemand, die eerlijk is, dit tegenspreken. Want deze dingen zijn praktijk. Ik weet, je zult me kunnen tegenspreken en zeggen: Je moet niet generaliseren, dominee. Er zijn ook andere dingen. Er zijn ook mensen, die echt mee bidden. Ik wil dat natuurlijk niet ontkennen. Gelukkig zijn er ook, die echt meebidden. Maar als dit gebeurt, dan kunnen jullie dit gerust als een wonder van Gods genade beschouwen. Sla ten deze de mens maar niet te hoog aan en zeker je zelf niet. Jullie hebben mogelijk het verhaal wel eens meer gehoord van die „ouderling” - niet de eerste, de beste kerkganger dus - die moest het eerlijk bekennen, dat terwijl de dominee stond te bidden, dat hij bezig was om zaken te doen. En wie zal, als hij eerlijk is, niet moeten zeggen: En ik heb het er niet beter afgebracht. Wanneer dit allemaal in het huis des Heeren gebeurt, dan ziet de Heere ook al deze dingen. En hoe zou de Heere nu over al deze dingen moeten oordelen? Want Hij weet het natuurlijk veel beter dan wij, wat er aan de hand is, hoe het in het hart van elke kerkganger gesteld is, wat hij daar „afzondigt van binnen”. Als de Heere precies eender was als wij, dan keerde Hij Zijn huis de rug toe. Dan keerde Hij alle kerkgangers de rug toe. Ja erger, dan zou Hij allen van voor Zijn heilig aangezicht wegdoen. Hij zou hen allen verdoen. Als de ogen voor de verschrikkelijkheid van de werkelijkheid van het zondaar-zijn opengaan, dan wordt dit ook hartelijk beleden. Dan is het maar niet een veel gebruikt versje, wat in het bidden nog al eens aangehaald wordt: Zo Gij in het recht zoudt treden O Heer’, en gadeslaan Onz’ ongerechtigheden, Ach, wie zou dan bestaan? Doch dan wordt dit doorleefde werkelijkheid. Men kan dan ook voor God niet bestaan. En men zou dan ook vergaan, indien er nog niet een andere stroom door de kerk golfde.

Ik stel hier het één tegenover het ànder. Een stroom van ongerechtigheden - dat is hetgeen wij voortbrengen. Maar nu is er de bloedstroom van de Heere Jezus, die reinigt van alle zonden. Wie daar oog voor krijgt, ziet dat er bij de Heere vergeving is. Ons weerspannig overtreden, verzoent en zuivert Hij.

Dit te mogen geloven, wat is dat onuitsprekelijk groot. Wat is dat onbegrijpelijk groot. Daar kan ik echt geen woorden voor vinden om dit naar waarheid uit te drukken.


Dies noem ik God, zo goed als groot
Voor hen, die op Hem bouwen.


Zo staat het in Ps. 91. En zo is het dan ook. God is zo goed als Hij groot is. En God is groot, oneindig groot. Wij begrijpen het niet. Zo goed is Hij nu ook. Ondanks dat mensen zo verdorven zijn, ondanks dat zij zulke „spotters” zijn, wil de Heere toch nog horen naar hen, die in oprechtheid tot Hem bidden, ook meebidden, als de Heere God in de kerk openlijk wordt aangeroepen.

Jongens en meisjes, als jullie nu een klein beetje jezelf kennen, eerlijk voor God, en dat geldt natuurlijk niet minder de ouderen, dan wordt het „horen” van de Heere een groot wonder. Wij zouden het niet doen. De Heere doet het wel. Want Hij is barmhartig en zeer genadig; Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig, De Heere is groot van goedertierenheid. Ik zou er zin in krijgen, om hier over de deugden Gods te gaan schrijven. Doch dat kan nu niet. Misschien op een andere keer eens. Ik hoop alleen dat al deze dingen maar diep in jullie harten zullen mogen ingaan.

En waarom kan de Heere nu horen, naar mensen, die het in het minst niet verdiend hebben. Integendeel! Weet je waarom dit nu kan? Dat is door de Heere Jezus verdiend. Die vond geen ontferming in Zijn verdriet. Die moest het uitroepen - schreeuwen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Waarom? Opdat mensen, ook jonge mensen, die waardig zijn door God eeuwig verlaten te worden, in genade zouden kunnen worden aangenomen. Als.., - dit gelovend - zó in Gods huis mag verkeren, dan zit je er goed. Dan beleef je, hóe goed God is. Dat is ook nooit te zeggen. Ik hoop dat jullie daar veel van zullen beleven. God geve het. Dan wordt het dienen van Hem een lust. Wie heeft lu de Heere te vrezen, ’t Allerhoogst en eeuwig Goed… ? Ik moet weer eindigen. God zegene jullie allemaal, uit genade.

Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.