+ Meer informatie

HET Atheisme

5 minuten leestijd

n.

Oorsprong: zondelust.

De boze wil des mensen om de zonde vrijuit te kunnen dienen, d& t is de eigenlijke oorsprong van het practisch Atheïsme. Zou het zulke mensen ernst zijn met hun godloochening? Weineen! Alleen om de zonde te kunnen indrinken als water willen zij God wegdenken. Hier blijkt echter des te duidelijker uit, dat Hij toch bestaat, want God is (bestaat) en Hij is een Beloner dergenen, die Hem zoeken en een Straffer dergenen, die Hem haten.

Brakel zegt er van in zijn „Redelijke Godsdienst" deel I, hoofdstuk I, blz. 7: „Men erkent geen wet dan de loop der natuur, dan 't geen men zich zeiven voorstelt om vermakelijk naar zijne eigene begeerlijkheden te leven, geen zonde, als wanneer men iets tegen zijn belang en voordeel doet, geen deugd, als datgene te doen, dat tot het bekomen zijner begeerte dient; geen zaligheid, dan maar vrolijk te zijn in eten, drinken, hoereren, pronken, pleizieren en opvolgen van zijne lusten; liegen en bedriegen zijn goede middelen om die zaligheid te bekomen, of te ontkomen datgene, dat hunne zaligheid zou storen; zij kennen geen straf dan schade en schande, geen verdoemenis dan een ongerust en droevig gemoed."

Practisch Atheïsme verklaarbaar?

Hoe komt iemand er nu toe om in zijn leven, in de practijk dus, het bestaan van God te loochenen?

Gods Woord geeft ons hier een zeer duidelijk antwoord op in Romeinen 1 : 28: OMDAT het de mens niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden!" Daarom! *

Immers, als een mens de zonde dient, dan is er altijd nog een stem, die hem voor het kwade waarschuwt. Dat is de stem van het geweten.

Hier spreekt de natuurlijke Godskennis. „God ziet het", zo spreekt de consciëntie, „en daar Hij geen ledig Aanschouwer is, zal Hij de zonde rechtvaardig straffen! Kiest nu heden, wie gij dienen wilt! God of de wereld!"

Bij iedere daad, die de mens verricht, moet hij kiezen. En altijd maar weer kiest hij de wereld. Dat is zeker! Als in het mensenhart het nieuwe leven ontbreekt, dan kiest hij onvermoeid de zonde.

God laat Zich echter, met eerbied gezegd, niet terzijde zetten! Hij zit midden in de mens, in het geweten, in het hart! En juist dwars door dat hart loopt de weg der zonde. De zonde heeft de gehele weg nodig en nu is de heilige God, Die met de minste zonde geen gemeenschap kan hebben, o, het is vreselijk om het te zeggen, nu is Hij als het ware het STRUIKELBLOK voor de zonde.

Al zondigende wordt de mens gekweld door de gedachte aan God. „Was God er maar niet, dan "

De lust tot zondigen en de begeerte tot het werelds vermaak, dat echter slechts schijngenot heeft, overschreeuwen die stem van het geweten en aangezien de mens verkocht is onder de zonde, zo kiest hij al weer, niettegenstaande Gods waarschuwing, voor het kwade. „Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle

kwaad; " dat leert ons de Catechismus op grond van Gods Woord.

Eindelijk leeft de mens zo goddeloos voort, dat hij er toe komt om te zeggen: Er is geen God!" Zo wordt het ons beschreven in de Heilige Schrift. David zegt van de goddeloze in Psalm 10 : 4: Al zijn gedachten zijn, dat er geen God is", en in Psalm 14 : 1 en. Psalm 53 : 2 staat vermeld: De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God!"

Al eeuwen oud!

Dit practisch Atheïsme dateert dus niet van vandaag of gisteren, maar het is al eeuwen en eeuwen oud. Het werd immers al aangetroffen onder het oude bondsvolk Israël! Natuurlijk was geen enkele Israëliet zo dwaas om dat hardop en ronduit te zeggen, dat er geen God was, maar de practijk leerde en bewees het, dat er toch vele dwaze waren, die het in hun hart zeiden. Onverschillig leefden ze voort, alsof God er niet was en Hij nimmer rekenschap zou vragen van hunne daden. Maar laten we het kwaad niet te ver zoeken! Hoe staat het met ons? Worden die „practische Atheïsten" ook niet gevonden onder de uitwendige belijders van onze Gereformeerde Waarheid, ja, onder de lezers van „Daniël? "

Geen trouwer kerkgangers zult ge kunnen vinden. Twee-of driemaal gaan ze op onder de bediening van Gods Woord. In het openbaar of in besloten kring (wellicht op de jongelingsvereniging!) verdedigen zij de Waarheid, die naar de Godzaligheid is. Zij wijzen op de noodzakelijkheid der bekering, de kennis der ellende en tóch niemand weet het, maar God weet het heel wèl in het verborgen bedrijven zg de zonde en missen zij de ware vreze Gods.

Dat zijn óók Atheïsten in hun practisch leven, want het dunkt hun ook niet goed om God in erkentenis te houden. * •

houden. * • Atheïst—Theïst.

Nu is het echter nog de welaangename tijd en de dag der zaligheid, om van Atheïst, godloochenaar, Theïst, Godvrezend te worden.

Millioenen zijn gesneuveld op het slagveld van het practisch Atheïsme en nog dagelijks verslindt dit zwaard zijn duizenden. Het is de Satan immers onverschillig, hoe ge hem dient. Gij moogt gerust een uitwendige belijder van de zuivere leer der Waarheid zijn, als ge hem maar in werkelijkheid dient. Als hij zijn doel maar bereikt, daar gaat het hem om!

Niet genoeg kan daarom gewaarschuwd worden in de prediking tegen dit gevaar. Er dient op gewezen te worden, dat het die goddeloze kwalijk zal gaan, die slechts een dienaar is van God naar de vorm, terwijl hij Hem in wezen verloochent.

Nóg gevaarlijker en ernstiger van aard is het Theoretisch Atheïsme.

Doch daarover D.V. een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.