+ Meer informatie

Strijden om de waarheid én de ander te bewaren

5 minuten leestijd

Discussie over "Gouda 1953 " hoort thuis in vakwetenschappelijk tijdschrift, zo las ik onlangs in het RD. Dat was de wat uitdagende kop boven het verslag van een vraaggesprek met dr. Ouweneel. In ieder geval uitdagend voor iemand die, als schrijver dezes, betrokken is bij het kerkelijk leven in Gouda en die nog altijd pijn gevoelt over wat daar in 1953 gebeurd is (toen verschil van inzicht over het aanbod van genade leidde tot kerkscheuring). Ouweneel stelt min of meer dat er rond 1953 (en niet alleen toen, maar ook al in de discussie over de verkiezing tussen Gomarus en Arminius aan het begin van de 17e eeuw) eigenlijk een geweldige denkfout gemaakt is. Gebrek aan wetenschapstheoretisch inzicht zou ertoe geleid hebben dat theologische discussies aan het kerkvolk opgedrongen zijn alsof het geloofswaarheden betrof Eigenlijk zou er sprake zijn geweest van een discussie over een vakwetenschappelijk probleem (of God zonder voorwaarden te stellen genade kan aanbieden aan iemand die Hij niet heeft verkoren). Een probleem dat niet aanwezig is in de Schrift. Als men was uitgegaan van een juiste wijsgerige visie, zou het anders zijn gegaan, zo is ongeveer de teneur van Ouweneels opmerkingen. Die visie zou hebben doen beseffen dat elke logischanalytische bezinning op de gegevens van de Heilige Schrift te kort doet aan de werkelijkheid.

Oplossing?
Er worden in dit vraaggesprek zeer zinnige uitspraken gedaan. Maar toch heb ik de neiging de vraag te stellen of Ouweneel hier niet verder probeert te springen dan zijn polsstok lang is. Zou het werkelijk waar zijn dat we met een juiste wijsgerige visie een discussie van eeuwen tot de juiste oplossing zouden kunnen brengen? Was het maar waar! Ik moet in dit verband denken aan een gesprekskring -zo'n 20 jaar geleden- waarin gesproken werd over datzelfde eeuwenoude vraagstuk van verkiezing en verantwoordelijkheid. Daar werd toen het bekende beeld gebruikt van de trein die op twee rails moet rijden, wil hij niet buiten het spoor terecht komen. „Zo moeten wij figuurlijk ook op twee rails rijden", werd gezegd. Mijn vraag was of wij dat kunnen. „Dat moeten we!", zo was het antwoord. ,Ja", zei ik, „dat weet ik, maar kunnen wij dat ook?" Toen die vraag bevestigend werd beantwoord, kon ik alleen maar zeggen dat zo'n antwoord wel eens een bewijs van blindheid en overmoed kon zijn. Ik durfde dat alleen maar te zeggen omdat ikzelf iets van die blindheid had moeten inleven. Die inleving bewaart ons, als het goed is, ons leven lang voor de mening de volle waarheid in pacht te hebben.

Geworsteld
Wat ik ermee wil zeggen, is dit: Laten we beginnen met te erkennen dat er in de 17e eeuw (en toch ook, zij het op een heel ander niveau, rond 1953) van weerszijden in alle ernst geworsteld is met een zeer wezenlijke problematiek, die het hart van de prediking raakt. Geworsteld in een ernst waaraan wij misschien nog nooit zijn toegekomen. Dat te beseffen zou ons in ieder geval wat bescheidener maken in ons oordeel. Het zou ons misschien ook wat voorzichtiger maken in ons eigen spreken over deze dingen. Misschien zelfs wat aarzelender in onze houding. Een aarzeling echter die mogelijk zou leiden tot wat meer luisterbereidheid. Toch ook -om de kring weer rond te maken- naar Ouweneel, als hij ons attendeert op het gevaar van scholastieke tendenzen.

Klein beginsel
Er is nog iets wat mij in dit verband van het hart moet. Onze Catechismus zegt ons dat, als het gaat over goede werken, zelfs de allerheiligsten slechts een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. Deze belijdenis bewaart ons, als het goed is, voor hoogmoed. Maar zou zoiets ook niet van ons verstaan van de waarheid gezegd moeten worden? En zou dat besef dan ook niet wat voorzichtiger maken? Er is er maar Eén geweest Die de volle waarheid bezat, omdat Hij de Waarheid was. Vanwege de verdorvenheid van ons verstand zijn en blijven wij allemaal gebrekkig in ons kennen en lijden we altijd aan eenzijdigheid. Zelfs Paulus moest zeggen: Wij kennen ten dele. Dat houdt o.a. in dat we elkaar nodig hebben om elkaar telkens opnieuw te corrigeren. Ik vrees dat dit veel te weinig beseft wordt. De gevolgen ervan zie je in de ontwikkeling van het kerkelijk leven: Scheuringen leiden niet zelden tot verdergaande polarisatie.

Dwaling niet dulden
Met het voorgaande wil ik niet zeggen dat we alles maar moeten tolereren, omdat ieder toch wel een stukje van de waarheid zou hebben. Integendeel, de Schrift zelf roept ons op voor de waarheid te strijden. En we mogen de dwaling die duidelijk strijdt met Schrift en belijdenis, niet dulden. Maar het gaat erom of we altijd op de juiste wijze strijden. Ik kan me voorstellen dat er situaties zijn dat we menen dat de ander in z'n eenzijdigheid dwaalt en hem dan ook in alle ernst vermanen en dat we tegelijk belijden dat we de ander niet kunnen missen om ons ervoor te behoeden dat we in de tegenovergestelde eenzijdigheid terechtkomen. Zo'n houding zou bewarend kunnen werken. Daar is veel zelfverloochening voor nodig. Bovenal veel gebed: Gebed om wijsheid, maar ook om moed èn ootmoed. Om de waarheid èn de ander te bewaren. Het is de houding die ik zo schitterend verwoord vind bij Calvijn, als hij enerzijds zegt dat hij wel tien zeeën wil oversteken om de eenheid van de leden van Christus te helpen bewaren en anderzijds dat beter de hemel en de aarde kunnen instorten dan dat door verkeerde verdraagzaamheid schade aan de godsvrucht zou worden toegebracht. Zo'n houding brengt veel spanning met zich mee. Maar het is een spanning die we alleen maar tot schade voor onszelf en voor anderen kunnen ontlopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.