+ Meer informatie

De onafhankelijkheid van geloof en wetenschap

30 minuten leestijd

Abstract Natuurwetenschap bestaat uit het verklaren van de natuurlijke wereld op grond van waarnemingen, zonder verwijzing naar niet-natuurlijke grootheden: een pragmatische op ervaring gebaseerde methode. Het gevolg is de wederzijdse onafhankelijkheid van natuurwetenschap en theologie door de onafhankelijkheid van feiten en zingeving. Deze onafhankelijkheid wordt van twee kanten bedreigd. Ten eerste blijft de ‘natuurlijke theologie’ als verklaring van natuurlijke verschijnselen op grond van het bestaan van God natuurwetenschappelijk in gebreke. Ten tweede ligt bij de natuurwetenschap het gevaar op de loer van een interpretatie van de natuurwetenschappelijke verklaringen buiten het eigenlijke bereik. De evolutiebiologie heeft laten zien dat toeval een grote invloed heeft en heeft gehad op levende wezens, en de conclusie is dat binnen de biologie geen ‘doel van het leven’ aanwijsbaar is. Deze natuurwetenschappelijke conclusie loopt niet over in een filosofische conclusie. De onafhankelijkheid van natuurwetenschap en theologie vraagt om nadere bezinning op theologische begrippen gegeven de evolutie van de mens. In het bijzonder is van belang wanneer en hoe hogere-orde Theory of Mind deel uit is gaan maken van het menselijk bewustzijn.

evolutie, methodologisch naturalisme, natuurlijke theologie, theïsme, toeval

1. Inleiding

Geloof en wetenschap leven in verschillende werelden: wetenschap gaat over feiten en geloof gaat over zingeving, over een doel in het bestaan. Toch blijven theologen wetenschappelijke claims doen en wetenschappers zich bezighouden met zingevingsvragen. In dit artikel wil ik eerst nagaan hoe de scheiding tussen geloof en wetenschap werkt in de praktijk van het wetenschappelijk onderzoek. Vervolgens ga ik in op de manieren waarop deze scheiding vanuit zowel theologische als wetenschappelijke hoek wordt betwist.

De claim vanuit de theologie op de wetenschap staat bekend als ‘natuurlijke theologie’: de claim dat wetenschap leidt tot het aanvaarden van Ontwerp en een Ontwerper, én dat Ontwerp en een Ontwerper de beste wetenschappelijke verklaring geven. Natuurlijke theologie als een wijze van redeneren tot het bestaan van God op grond van waarnemingen uit de natuur valt buiten de natuurwetenschap. Natuurlijke theologie als verklaring van natuurlijke verschijnselen op grond van het bestaan van God is historisch interessant, aangezien het een algemene denkwijze was tot in de eerste helft van de negentiende eeuw, die recentelijk in een moderne variant weer opdook onder de naam ‘Intelligent Design’. In het tweede deel van dit artikel ga ik in op Ontwerp, en vooral op de bezwaren die tegen de natuurlijke theologie zijn ingebracht. Daar laat ik zien dat Ontwerp geen natuurwetenschappelijke papieren (meer) heeft.

In het derde deel ga ik in op de mogelijkheid dat er vanuit de biologie een filosofische claim op de theologie gelegd wordt, namelijk dat alles toeval zou zijn of dat het leven doelloos is. Ik ga in op toeval in de evolutiebiologie, om te laten zien dat dit toeval de waarneming en geen filosofische extrapolatie is. De vraag is hoe met biologisch toeval om te gaan, tussen ontkennen en metafysische doelloosheid. Daarbij moet tussen de Scylla van overinterpretatie of onzorgvuldig formuleren en de Charybdis van het ontkennen van toeval door gezeild worden.

Voor veel theologen en natuurwetenschappers zijn geloof en evolutie compatibel, maar binnen die consensus is nog veel diversiteit te vinden in de afgrenzing van beide. De vraag is dan hoe die compatibiliteit nader uitgewerkt zou moeten worden. In deel 4 bespreek ik een eerste voorstel hiervoor, namelijk de opvatting van de filosoof Alvin Plantinga. Plantinga ziet evolutie als gevolg van ‘geleide mutatie’, maar de vraag is of ‘geleide mutatie’ bij Plantinga een biologisch proces aanduidt of een volledig theologisch concept is. Met andere woorden, geeft Plantinga een theologische inbedding van de standaard evolutietheorie of valt hij terug op Intelligent Design?

In het laatste deel ga ik in op theïstische evolutie als geloofshouding, onder aanvaarding van biologische evolutie. Dan is belangrijk welke onderdelen van biologische kennis een handvat kunnen bieden aan de theologie. De evolutie van menselijk invoelingsvermogen is het eerste dat voor de hand ligt om aan te denken. Daarbij is het begrip Theory of Mind (ToM) belangrijk. ‘Eerste-orde’ ToM stelt ons in staat te redeneren over de mentale toestand van de ander; ‘hogere-orde’ ToM stelt ons in staat te redeneren over dergelijke redeneerprocessen bij anderen. Een zogenaamde ‘hogere-orde’ Theory of Mind als bijvoorbeeld de redenering ‘ik denk dat jij vermoedt wat ik gedacht heb’ lijkt een punt in de evolutie van de mens waar de theologie kan beginnen.

2. Pragmatisme als methode

De methode van de natuurwetenschap is ‘methodologisch naturalisme’, maar wat is dat eigenlijk? Ruwweg komt het erop neer dat wetenschap werkt met verklaringen van natuurlijke aard zonder daar filosofische opvattingen over de aard van de wereld aan te verbinden. In de VS omschrijven de National Academy of Sciences en de National Science Teachers Association als volgt wat zij onder wetenschap verstaan:

In science, explanations are restricted to those that can be inferred from confirmable data. (NAS 1998: 27; NAS formulering)

Science is a method of explaining the natural world. It assumes the universe operates according to regularities and that through systematic investigation we can understand these regularities. (NAS 1998: 124; Appendix C; NSTA formulering)

Dat is de methode, maar waar zit het naturalisme? De volgende vier citaten laten verschillende graden van meer of minder streng methodologisch naturalisme zien:

Explanations that cannot be based on empirical evidence are not a part of science. (NAS 1998: 27; NAS formulering)

Because science is limited to explaining the natural world by means of natural processes, it cannot use supernatural causation in its explanations. Similarly, science is precluded from making statements about supernatural forces because these are outside its provenance. (NAS 1998: 124; Appendix C; NSTA formulering)

… if we incorporate God-talk in efforts within the natural sciences, our work is no longer scientific (de Vries 19861: 388)

… we are forced by our a priori adherence to material causes to create an apparatus of investigation and a set of concepts that produce material explanations (…). Moreover, that materialism is absolute, for we cannot allow a Divine Foot in the door. (...) To appeal to an omnipotent deity is to allow that at any moment the regularities of nature may be ruptured, that miracles may happen.” (Lewontin 19972).

De vier citaten hebben verschillende oogmerken. De National Academy of Sciences en de National Science Teachers Association zoeken een positie die benadrukt dat wetenschap levensbeschouwelijk neutraal is. De evangelische filosoof De Vries beoogt ruimte te houden voor waarheid buiten het terrein van de natuurwetenschap door het bereik van de natuurwetenschap af te palen; “the world is more than matter and energy“. Bij De Vries leidt het uitsluiten van God tot gerechtvaardigde grenzen aan de natuurwetenschap maar ook tot een voorschrift voor de methode van de natuurwetenschap (De Vries 1986: 396). Voor Lewontin betekent God als verklaring opvoeren het veronachtzamen, zelfs ontkennen, van de natuurlijke orde, terwijl de natuurwetenschap stoelt op waargenomen regelmatigheden. Lewontins opvatting staat hier lijnrecht tegenover die van De Vries: voor De Vries vloeien regelmatige patronen van oorzaak en gevolg en de natuurlijke samenhang in de schepping voort uit Gods macht en betrouwbaarheid.

Bij al deze citaten is methodologisch naturalisme een afpaling van de natuurwetenschap waarbij de natuurwetenschap zich vrijwillig beperkt. Vaak is die afpaling een tactiek om te ontsnappen aan mogelijke conflicten tussen geloof en wetenschap. Bovennatuurlijke verklaringen worden dan per definitie buiten de wetenschap gehouden; dat brengt baten en kosten met zich mee. Voor christelijke filosofen zijn de baten dat er ruimte overblijft voor verklaringen naast de wetenschap (zie de Vries 1986, Plantinga 2001). De kosten zijn voor de wetenschap: de beschuldiging dat wetenschap draait op metafysische naturalistische vooroordelen blijft gehandhaafd (Johnson 2001: 68), terwijl de mogelijkheid om bovennatuurlijke hypotheses te toetsen vervalt.

In de citaten hierboven is de inperking van de natuurwetenschap tot naturalistische verklaringen a priori, voordat wetenschappelijke verklaringen ook maar beginnen. A priori methodologisch naturalisme en een totaal verbod op niet-natuurlijke verklaringen doen geen recht aan de historische ontwikkeling van de wetenschap. Dat doet twijfelen aan de houdbaarheid van een a priori methodologisch naturalisme als voorschrift voor de wetenschap: is een a posteriori methodologisch naturalisme als beschrijving van de wetenschap geen betere houding?

Boudry et al. (2010) geven vijf argumenten waarom een a priori opvatting3 over methodologisch naturalisme filosofisch zwak is en een a posteriori opvatting4 een verstandigere benadering is. Het eerste argument gaat over de definitie van wetenschap. A priori methodologisch naturalisme als voorschrift voor wetenschap houdt een definitie van wetenschap in: gezien de vele voetangels en klemmen bij de vraag of iets wetenschap is of niet, is het niet verstandig een regel te willen voorschrijven. De vier overige argumenten gaan over (1) natuurwetten, (2) science stoppers, (3) werkregels en (4) toetsbaarheid. Deze argumenten behandelen samen de vraag hoe erg het eigenlijk zou zijn als bovennatuurlijke verklaringen niet per definitie buiten de wetenschap gehouden werden. Boudry et al. zien geen nadelen voor de wetenschap van het in principe toelaten van het bovennatuurlijke, als studieobject of als verklaring. Bij hen is de vraag hoe de wetenschappelijke praktijk met het bovennatuurlijke zou omgaan.

Op alle vier punten blijkt er weinig vraag naar een strikte beperking vooraf. (1) Natuurwetten als bijvoorbeeld de wet van behoud van energie en de wet van behoud van massa gelden. Er zijn nooit wonderen vastgesteld waarbij massa uit het niets verschijnt. Zo lang dat niet zo is gaan we over tot de orde van de dag, en werken we met natuurwetten, niet uit naturalistisch vooroordeel of uit een zelf-opgelegde beperking, maar omdat er geen noodzaak voor een andere werkwijze is. Lewontins vrees is in de praktijk ongegrond. (2) De science stopper “God heeft het gedaan” is altijd een mogelijkheid, maar oninteressant. (3) Een werkregel dat niets bovennatuurlijks als verklaring in de wetenschap mag dienen omdat al het bovennatuurlijke buiten het wetenschappelijk onderzoek staat, bijt zichzelf in de staart. (4) Een bekend argument voor de vrijwillige beperking van de natuurwetenschap tot natuurlijke verklaringen is dat het bovennatuurlijke niet toetsbaar is. Misschien is het bovennatuurlijke niet direct toetsbaar, maar wetenschappelijke hypothesen geïnspireerd door bovennatuurlijke verklaringen komen duidelijk voor toetsing in aanmerking. Er bestaan hiervan heel bekende voorbeelden. Sober (2011a) maakt het punt dat in Newtons theorie het zonnestelsel niet stabiel was zonder dat God af en toe een tikje tegen een planeet gaf; Newtons theorie was een heel goede theorie, maar werd verbeterd door Laplace.5 De zondvloed was tot omstreeks 1800 een goede natuurwetenschappelijke hypothese, tot zijn verwerping op grond van geologische waarneming. De hypothese dat er nooit een (zoogdier)soort uitgestorven was deed opgeld in de 18e eeuw: immers, uitsterven was in strijd met een volmaakte schepping.

Georges Cuvier toonde omstreeks 1800 aan de hand van fossielen echter aan dat het uitsterven van soorten werkelijkheid was. Het is volledig mogelijk dat naturalistisch wetenschappelijk onderzoek had laten zien dat alle radiometrische data wijzen op een aarde van minder dan 10.000 jaar oud, dat alle fossielen overeenkomen met nu nog levende soorten, dat er geen DNA-overeenkomst bestaat tussen de huidige dieren, en dat de placentale zoogdieren geen gen voor dooiereiwit bezitten, zelfs geen kapot gen daarvoor. Dit zijn hypothesen op grond van Bijbelinterpretaties, toetsbaar en allemaal verworpen. Godsdienstig gemotiveerde hypothesen kunnen worden getest, mits voldoende gespecificeerd (Sober 2011a). A posteriori methodologisch naturalisme is in staat met dergelijke hypothesen om te gaan.

Er is op grond van deze argumenten geen rechtvaardiging om het bovennatuurlijke per definitie uit te sluiten uit wetenschappelijke verklaringen – bovennatuurlijke verklaringen blijken nooit nodig geweest te zijn. Natuurwetenschappelijke theorieën kunnen het zich veroorloven geen aandacht te schenken aan het bovennatuurlijke.

3. Natuurlijke Theologie

Het eerste dat opvalt aan organismen is dat ze aangepast zijn aan hun omgeving. In Engelse wetenschappelijke biologische teksten vinden we vaak het woord design: ‘the design of the Porifera’ (het bouwplan van de Sponzen) ‘protein evolution and design’ (evolutie, structuur en functie van eiwitten), ‘the design of the eye’ (bouw en functie van het oog). Design betekent ‘de eenheid van functie en bouw / structuur’: de kenmerkende aangepaste toestand van de levende natuur.

In de biologie betekent design nooit ‘ontwerp’; deze vertaling behoort tot de natuurlijke theologie. Vanuit de natuurlijke theologie is William Paleys design argument voor het bestaan van God algemeen bekend. Wanneer we op de hei een horloge vinden, denken we dat het horloge gemaakt is door een intelligente ontwerper; we veronderstellen dat niet voor een steen die we ook op de hei vinden. Paley betoogt dat een complexe levende structuur ook gemaakt moet zijn door een intelligente ontwerper, door God. De vraag is hoe Paleys argument opgevat moet worden: als inductie, als analogie, als abductie (‘inference to the best explanation’) of als aannemelijkheid.6 Argumentatie over ontwerp voorafgaand aan Paley werkte met inductie; dit is verworpen door David Hume in 1779. Paley gebruikt voornamelijk abductie (volgens Gliboff 2000, De Cruz & De Smedt 2010), maar valt ook terug op inductie (Gliboff 2000).

Bij inference to the best explanation gaat het om de beste verklaring uit een bepaalde lijst: er is geen enkele garantie dat de optimale verklaring in de lijst aanwezig is. Paley noemt ‘toeval’ en twee vormen van ‘organizing principles’ als alternatieven voor Intelligent Design maar hij laat de beste biologie van zijn tijd buiten beschouwing: de door de omstreeks 1780-1790 toonaangevende Göttinger school gepropageerde principes als Bildungstrieb, Reproduktionskraft of Lebenskraft.7 Als Paley de Duitse biologie meegenomen had, had hij niet kunnen concluderen dat ‘ontwerp’ de beste verklaring is (Gliboff 2000).

Paley gebruikte een uitgesponnen verbaal argument, maar inference to the best explanation kan geformaliseerd worden door middel van a posteriori-kansen (De Cruz & De Smedt 2010), op een Bayesiaanse manier. Dit houdt in dat ook de a priori-kansen meegenomen moeten worden: in dit geval voor elk van de alternatieve hypotheses H(God) en H(natuur) de kans dat deze de juiste blijkt. Het is echter onmogelijk kansen aan dergelijke hypotheses toe te kennen (De Cruz & de Smedt 2010, Sober 2004), zodat geen precieze vorm van Bayesiaanse inference to the best explanation voor dit ontwerpsargument mogelijk is.

Sober (2004) vat Paleys argument op als een ‘argument op basis van aannemelijkheid’. Aannemelijkheid vergelijkt ook a posteriori-kansen, namelijk de kansen Pr(O|H1) en Pr(O|H2) op waarneming O gegeven twee alternatieve hypothesen H1 en H2, maar gebruikt niet de a priori-kansen op H1 en H2. Wel is nodig dat er enig zicht is op hoe O tot stand komt gegeven hypothesen H1 en H2. Sober (2004) concludeert dat Paleys argument voor ontwerp niet werkt, omdat Paley geen bijbehorende details kan geven maar terugvalt op veronderstellingen over doel en eigenschappen van de Ontwerper. Ook Gliboff (2000) acht de kans klein dat bijvoorbeeld het oog van gewervelden precies zo geschapen is, gezien alle andere mogelijkheden voor ogen die ook bestaan. Dit maakt dat aannemelijkheidsvergelijkingen niet gunstig voor Paley uitpakken. Natuurlijke selectie geeft een principeverklaring van het waargenomen feit van design, van aanpassing. Biologen hebben gevallen verzameld waarin natuurlijke selectie overduidelijk tot aanpassing leidt. Gezien de mate van detail van verklaringen van adaptatie door natuurlijke selectie leidt inference to the best explanation naar natuurlijke selectie, niet naar het slecht omschreven Intelligent Design. Het huidige Intelligent Design geeft (net als Paley) geen toetsbare wetenschappelijke hypotheses, geen antwoord op de vraag ‘hoe werkt Intelligent Design?’. Die vraag zou beantwoord moeten worden, voordat ‘design’ als ‘ontwerp’ iets anders kan zijn dan een theologisch concept, waarbij de verwondering over de wereld leidt tot een verbazing over de Schepper.

4. Toeval en doelloosheid

De ondertitel van een van de meest bekende boeken van Richard Dawkins, The Blind Watchmaker, is: Why the evidence of evolution reveals a universe without design. Velen in christelijke kring zullen dit lezen alsof Dawkins de biologie en methodologisch naturalisme verlaten heeft voor het metafysisch naturalisme. Voor een bioloog is het echter verre van vanzelfsprekend Dawkins’ retoriek als metafysica op te vatten. Is wat Dawkins zegt niet een plat feit? Is evolutie immers niet een toevalsproces zonder doel?

Evolutie heeft twee aspecten: patronen en processen die die patronen bewerkstelligen. Bij de patronen horen o.a. de indeling van de huidige organismen en het verschijnen van de organismen in de tijd. Bij de processen denkt men o.a. aan kansprocessen bij de genetische samenstelling van de volgende generatie, aan mutatie en aan natuurlijke selectie. Zowel bij patronen als bij processen speelt ‘toeval’ met zijn vele gezichten een rol. ‘Toeval’ in de biologie is het best te benaderen via de notie ‘onafhankelijkheid’, of ‘causaal onafhankelijk’, zowel voor de patronen als voor de processen.

Veel geologische gebeurtenissen zijn voor beesten ‘toevallig’, al ondervinden ze de gevolgen ervan. Mogelijk stierven alle landdieren zwaarder dan omstreeks 20 kilo uit als gevolg van de meteorietinslag op de grens van het Krijt en het Tertiair. Dat was heel gunstig voor de placentale zoogdieren, die in het Krijt klein waren (het grootst bekende wordt geschat op 14 kilo).

Na het uitsterven van de dinosauriërs slaagden de placentale zoogdieren erin alle niches van groot landbeest in te nemen, naast hun niche als kleine insecteneter. Een ander voorbeeld is het afdrijven van Antarctica van Australië en Zuid-Amerika naar de zuidpool. Dit mag tot de Antarctische stroom8 en koude, rijke zeeën geleid hebben, met als gevolg een hoge toename van het aantal walvissoorten in het Oligoceen (Uhen 2010), maar voor de walvissen was het uiteengaan van de continenten toeval.

‘Toeval’ is even veelvuldig aanwezig in de processen van evolutie als in de patronen. ‘Toeval’ speelt een grote rol bij de overgang van generaties. Altijd is een volgende generatie genetisch een toevallige steekproef9 uit de vorige. Dit is vooral belangrijk bij kleine populaties, omdat daar de relatieve afwijking van de vorige generatie door de steekproef groot kan zijn. Van heel groot belang is dat selectie sterk tot zeer sterk moet zijn om in kleine tot gematigd grote populaties belangrijker te zijn dan de steekproefeffecten.

‘Toeval’ in de biologie is vooral bekend van ‘toevallige mutatie’. ‘Toevallig’ wil zeggen dat mutaties onafhankelijk zijn van wat nodig zou zijn voor verdere aanpassing aan de omgeving. In het Engels vinden we random mutation en undirected mutation als synoniemen.10 De beste omschrijving in het Nederlands is ‘ongerichte mutatie’, namelijk niet gericht op aanpassing of verhoging van fitness. ‘Toevallige mutatie’ wekt de suggestie dat het toevalsproces van ontstaan van mutaties het belangrijkste punt is.11 Weliswaar is het ontstaan van mutaties ‘toevallig’, bijvoorbeeld in de zin dat basemutatie in het DNA per positie beschreven kan worden met een standaard stochastisch model voor toevalsgebeurtenissen in de tijd, en dat onvoorspelbaar is welke base zal muteren, maar de onafhankelijkheid van het effect van mutatie en het dier in zijn milieu op dat moment is het belangrijkste punt. Gerichte (directed) mutaties, ofwel genetische veranderingen die gericht zijn op verhoging van aanpassing en fitness, zijn nooit gevonden. ‘Toevallige’ mutatie is geen a priori in de evolutiebiologie, maar uitkomst van onderzoek.

Mutatie is toevallig, maar natuurlijke selectie is wetmatig: in een populatie verandert het gemiddelde van een kenmerk per tijdseenheid of generatie in de richting die een hoger gemiddeld aantal nakomelingen oplevert. Natuurlijke selectie wordt vaak uitgedrukt in doel-gerichte bewoordingen. Bijvoorbeeld: selectie voor optimale legselgrootte bij de koolmees. Dit houdt niet in dat er een ‘doel’ is waarnaar selectie streeft! Het gaat bij dit soort teleologisch klinkende beschrijvingen om een afgekorte weergave van hoe selectie werkt. Ook is het goed in gedachten te houden dat de richting waarin het kenmerkgemiddelde verandert onder selectie onafhankelijk van het beest is. Een duidelijk voorbeeld is de optimale legdatum bij de koolmees. De optimale legdatum hangt af van de voorjaarstemperatuur. De voorjaarstemperatuur is onafhankelijk van koolmezen.

Gewoonlijk wordt de oorsprong van het leven niet tot de evolutie gerekend. Dat is een kwestie van vakgebied, scheikunde tegen biologie. Vaak wordt gezegd dat we niets weten over de oorsprong van het leven. In feite is er een behoorlijk uitgewerkt scenario voor de oorsprong van het leven: geen toeval, maar een gevolg van de eigenschappen van de planeet waarop we leven. De eigenschappen van de planeet zijn wel weer ‘toeval’: afstand tot de zon, water, chemische stoffen, en plaattektoniek. Leven is een noodzakelijk gevolg van deze eigenschappen, door een spontane chemische reactie tussen waterstof uit de mantel en koolzuurgas uit zeewater bij basische hydrothermale bronnen. Leven is een voortdurende ononderbroken energiestroom gedurende de laatste 3,8 tot 3,5 miljard jaar van de aarde, in voortdurende energieuitwisseling met de omgeving. Leven is de “katalysator en het product van de chemische reactie van waterstof met koolzuurgas” (Russell 2006), niet alleen nu maar ook bij het ontstaan van het leven. De toegankelijkste inleiding tot dit scenario van het ontstaan van het leven is het eerste hoofdstuk van het boek Life Ascending van Lane (2009).

Uit al die onafhankelijkheden en al dat toeval volgt dat de biologie geen richting of doel aan evolutie kan toekennen. Dat is een heldere biologische conclusie, die steunt op het feit van ongerichte mutatie naast al het andere toeval. De uitspraak ‘evolutie laat geen doel zien’ is verantwoord, en valt binnen het methodologisch naturalisme. De uitspraak ‘evolutie laat zien dat er geen doel is’ kan zowel als methodologisch naturalisme als als metafysisch naturalisme worden opgevat of bedoeld zijn. De uitspraak ‘evolutie laat zien dat het leven geen doel heeft’ is waarschijnlijk metafysisch naturalisme. Dawkins’ reputatie en de achtergrond van de lezer beïnvloeden hoe men de ondertitel Why the evidence of evolution reveals a universe without design opvat.

5. Plantinga’s claim

De wetenschapsfilosoof Sober (2011b) neemt als motto een citaat van Jacques Monod: “...any confusion between the ideas suggested by science and science itself must be carefully avoided“. In deel 3 hebben we al gezien dat de grens daartussen nauw luistert. De vraag is hoe vaak of hoe systematisch er vanuit de evolutiebiologie metafysische conclusies getrokken worden, met name de conclusie dat het leven geen doel heeft. Dat Richard Dawkins dat in zijn latere boeken doet is duidelijk, maar hoe systematisch is het?

De godsdienstfilosoof Alvin Plantinga zegt in de inleiding op zijn boek Where the Conflict Really Lies: “There is no conflict between theistic religion and the scientific theory of evolution. What there is, instead, is a conflict between theistic religion and a philosophical gloss or add-on to the scientific doctrine of evolution: the claim that evolution is undirected, unguided, unorchestrated by God” (xii). Het leest alsof Plantinga aanneemt dat “undirected, unguided, unorchestrated by God” drie bewoordingen voor hetzelfde zijn. Als het over evolutie gaat is dat niet zo. Biologen gebruiken ‘random’ of ‘undirected’ als technische term voor mutatie en evolutie, maar nooit ‘unguided’. ‘Ongericht’ is een biologisch begrip: evolutie is in de biologie ‘ongericht’. ‘Ongeleid’ (unguided) is een theologisch begrip, en er is dan ook geen biologische claim dat evolutie ‘ongeleid’ is.

Plantinga (2011: 12) claimt dat er een koor van wetenschappers is die van mening zijn dat evolutie unguided is, dus verschuift naar metafysisch naturalisme. Nu is iedere evolutiebioloog ervan overtuigd dat evolutie undirected in de zin van ongericht is, maar geen evolutiebioloog heeft het over ‘unguided’. Voor zijn claim geeft Plantinga twee citaten van Gould, een citaat van Simpson en het bovengenoemde citaat van Dawkins. Beide citaten van Gould blijken over wetenschapsgeschiedenis te gaan, over de breuk die Darwins theorie maakte in het wereldbeeld. Die breuk valt niet te ontkennen. Dezelfde Gould zegt ook: “Darwin did not use evolution to promote atheism, or to maintain that no concept of God could ever be squared with the structure of nature” (Gould 1999: 192). Plantinga haalt de paleontoloog Simpson aan: “Man is the result of a purposeless and natural process that did not have him in mind”; dit is geen metafysica maar standaard methodologisch naturalisme. Dezelfde Simpson wordt door Johnson (2001: 70) aangehaald: “Simpson added that it is nonetheless “self-evident (...) that evolution and true religion are compatible””. Plantinga’s claim is niet sterk onderbouwd, maar gebaseerd op uitgezochte citaten die hij eenzijdig interpreteert. Het probleem met Plantinga’s claim is dat Plantinga grote moeite heeft met standaard evolutiebiologie. Plantinga wil onder evolutie ‘afstamming onder verandering’ verstaan zonder darwinisme: dus zonder naturalistische mechanismen als natuurlijke selectie op grond van ongerichte mutatie (10). Plantinga geeft een summiere schets van ‘toevallige mutatie’ (11/12), en zegt dan dat dit begrip verenigbaar is met ‘door God veroorzaakte mutatie’. Als dit een theologische opvatting zou zijn, zou Plantinga het darwinisme moeten aanvaarden, en zich theologisch bezig moeten houden met het wetenschappelijke gegeven van doelloosheid. Het lijkt er meer op dat Plantinga ‘geleide mutatie’, door God veroorzaakt, als mechanisme van evolutie ziet. Dat houdt in dat Plantinga een aanhanger is van Intelligent Design, aangezien Intelligent Design poneert dat de beste verklaring van de wereld “een intelligente oorzaak is, niet een ongericht proces als natuurlijke selectie”.

Plantinga wil geloof en ‘evolutie’ verenigbaar maken zonder het methodologisch naturalisme te aanvaarden (Plantinga 2001, 2011). Hij betoogt dat voor natuurwetenschap een wijdere evidence base mogelijk is, een evidence base die het christelijk geloof omvat (Plantinga 2001, 2011: 175). Zijn betoog laat zien dat de natuurwetenschap hem wezensvreemd is. Plantinga staat compatibiliteit van geloof en wetenschap voor, op voorwaarden van zijn theologie, en wijst daardoor een doodlopende weg.12 De consensus voor wie het methodologisch naturalisme aanvaardt is dat christelijk geloof en evolutietheorie compatibel zijn juist omdat ze op gescheiden terreinen werken. Die mening wordt onderschreven door de National Academy of Science of the USA (1998), en ook gevonden in leerboeken over evolutiebiologie. Bijvoorbeeld Ridley (2004: 68) zegt: “This is not an ‘either/or‘ controversy, in which accepting evolution means rejecting religion”. Futuyma (2013: 635) schrijft: “[Science] cannot tell us what the meaning of life is, and it cannot tell whether or not supernatural beings exist”. Ook de wetenschapsfilosoof Sober (2011b: 216, 218) merkt op dat de evolutietheorie niet impliceert dat er geen God is, en ook niet dat er wel een God is.

6. Theïstische evolutie

Theïstische evolutie heeft geen relatie tot de door Plantinga (2011) voorgestane ‘diepe harmonie tussen theïsme en natuurwetenschap’. Aanhangers van theïstische evolutie zijn dat niet omdat theïstische evolutie de beste wetenschappelijke verklaring zou geven van enig aspect van het leven: theïsme geeft geen wetenschappelijke verklaringen. ‘Theïstische evolutie’ is niet houdbaar als wetenschappelijke concurrent voor ‘materialistische evolutie’ voor wie methodologisch naturalisme als de methode van de wetenschap aanvaardt.

Dat is de wetenschappelijke kant. Hoe staat het met de theologische kant? Aanvaarden van evolutie geeft theologische problemen voor ‘de rechterkant van de gereformeerde gezindte’. Het eerste probleem is het mensbeeld. Als evolutie werkelijk zou wijzen op ons ontstaan als vleesetende, jagende “sociale roofprimaten die hun driften en instincten volgden en dus niet anders konden dan zich op agressieve en gewelddadige wijze staande houden”13 lag misschien een tegenstrijdigheid met het ‘beeld Gods’ voor de hand. Misschien, want zoveel verschilt deze beschrijving eigenlijk niet van het menselijk gedrag in de jaren waarin dit evolutiescenario ontstond en populair was, terwijl we desondanks konden geloven in de mens als beeld van God. Het is afkomstig van Robert Ardrey in African Genesis (1961) en daarop volgende boeken van Ardrey14; het idee dat menselijke agressie aan de basis van de menselijke evolutie staat komt ook van Ardrey. Als daarentegen het temmen van het vuur en het overgaan op gekookt voedsel de doorslaggevende factor is geweest voor ongeveer alles wat we als uniek menselijk zien, komt een heel ander beeld van de mens naar voren. Het belang van vuur en koken is de laatste vijftien jaar betoogd door Richard Wrangham (voor een overzicht: Wrangham 2009). Wrangham stelt voor dat het temmen van het vuur samenvalt met het ontstaan van Homo erectus, omstreeks 1,9 miljoen jaar geleden. Vuur betekent dat de sociale groep belangrijk is, want vuur moet aangehouden worden. Koken betekent voedsel delen: het ultieme en universele menselijke ritueel. Vuur betekent op de grond kunnen slapen, niet meer de bomen in hoeven klimmen om veilig te zijn voor de leeuwen ’s nachts. Vuur betekent een verlenging van de waaktijd, zonder de bezigheden van overdag. Vuur betekent om het vuur zitten ’s avonds (Wiessner 2014): verhalen vertellen, over de voorouders vertellen, zingen en dansen.

Een tweede probleem is dat het onmogelijk wordt te werken met een historische zondeval. De beste schatting voor de gemiddelde populatiegrootte gedurende de laatste 2,5 miljoen jaar is 10.000 – 50.000 individuen (Cela-Conde & Ayala 2007). Er zou een soort evolutionaire verklaring van zondebesef moeten komen, of een evolutionaire verklaring van de mentale mogelijkheid van zondebesef. Daarbij valt te denken aan Theory of Mind (ToM), ons aangeboren vermogen om ons in te kunnen leven in de gedachten en gevoelens van anderen.

‘Theory of Mind’ bij mensen is veel uitgebreider dan ToM in de dierlijke cognitie (Call & Tomasello 2008, Van der Vaart & Hemelrijk 2012). Het is niet alleen ‘ik weet wat jij ziet’ en ‘ik weet wat jij weet’, maar ‘Jan weet dat zijn vrouw Marie denkt dat hun dochter Lisa vermoedt dat de jongen Ted op wie zij verliefd is verliefd is op Hanneke die niets om hem geeft’. Als ik het goed heb is dit vijfde-orde ToM. Ook is ToM het invoelen in de beweegredenen van de ander. Sociaal gedrag en taal maken dit mogelijk (zie bijvoorbeeld Cole 2015), terwijl ToM sociaal gedrag kan bevorderen, en ‘hogere-orde’ ToM meer taalvaardigheid voor nuances van gevoelens gaat vragen. Invoelen betekent ook: ‘ik weet dat zij denkt dat ik jullie benadeeld heb’. Het is deze mogelijkheid van invoelen die ook tot verantwoordelijkheid leidt: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt doe dat dan ook een ander niet’, wat de enige universele menselijke morele regel schijnt te zijn. Zonder invoelen kan dat niet. Aan de andere kant, de mogelijkheid tot invoelen leidt ook tot het gevoel van tekortkomen en schuld. Een gevorderde ToM kan geleidelijk zijn ontstaan en aan de wortel liggen van zondebesef. In mijn ogen is zondebesef belangrijker dan een ‘historische zondeval’.

Ik zou theïstische evolutie willen zien als een geloofshouding. Er zijn twee punten van mogelijk conflict tussen natuurwetenschap/evolutiebiologie en geloof. De eerste moeilijkheid is dat de natuurwetenschap maakt dat elke religieuze claim op feitelijkheid de mist ingaat. De filosoof Herman Philipse stelde een determinatietabel voor de filosofische verdediging van het geloof op. De eerste splitsing is tussen: a) geloof houdt feitelijke beweringen in; en b) geloof is niet cognitief en houdt zich niet bezig met feitelijke waarheidsclaims. Gezien de natuurwetenschap is Philipses optie (b) de enige zinnige optie (Philipse 2013). Geloof is geen kennis vergelijkbaar met wetenschappelijke kennis, met hoeveel werk het woord ‘kennis’ ook opgezadeld wordt.15 Wie gelooft in de schepping, gelooft niet in een verzameling feiten over ‘geleide mutatie’, maar in het bewaren en behouden in Gods hand. De tweede moeilijkheid ligt bij ‘zin’, ‘doel'. Biologische evolutie laat geen doel zien, en dat brengt ons bij het grote probleem voor veel gelovige christenen: de vele sterfte die aan het huidige leven, aan de huidige mens voorafgaat. Dit is een diepgevoeld bezwaar tegen evolutie.16 Het schuurt tegen de voorzienigheid van een goede God. Ik heb er geen oplossing voor, behalve geloof, behalve psalm 27.17

Dr. G. (Gerdien) de Jong was tot haar pensioen Universitair Hoofddocent evolutiebiologie aan de Universiteit Utrecht. E g.dejong@uu.nl


Literatuur

Bergstrom, C.T., & Dugatkin, L.A. (2012). Evolution. W.W.Norton, International Student Edition.

Boudry, M., Blancke, S., & Braeckman, J. (2010). How not to attack intelligent design creationism: Philosophical misconceptions about methodological naturalism. Foundations of Science 15, 227–244.

Call, J. & Tomasello, M. (2008). Does the chimpanzee have a theory of mind? 30 years later. Trends in Cognitive Sciences 12, 187-192.

Cela-Conde, C.J., & Ayaka, F.J. (2007). Human evolution: trails from the past. Oxford: Oxford University Press.

Cole, J. (2015). Hominin language development: A new method of archaeological assessment. Biosemiotics 8, 67-90.

De Cruz, H. & De Smedt, J. (2010). Paley’s iPod: the cognitive basis of the design argument within natural theology. Zygon 45, 665-684.

De Vries, P. (1986). Naturalism in the natural sciences: A Christian perspective. Christian Scholar’s Review 15, 388–396.

Futuyma, D.J. (20133). Evolution. Sinauer Associates.

Gliboff, S. (2000). Paley’s design argument as an inference to the best explanation, or, Dawkins’ dilemma. Studies in History and Philosophy of Science Part C Studies in History and Philosophy of Biological and Biomedical Sciences 31, 579-597.

Gould, S.J. (1999). Rocks of Ages. Science and religion in the fullness of life. New York: Ballantine.

Johnson, P. E. (2001). Evolution as Dogma: The establishment of naturalism. In R. T. Pennock (red.), Intelligent design creationism and its critics: Philosophical, theological, and scientific perspectives. Cambridge, MA: MIT press, 59-76.

Kitcher, P. (2007). Living with Darwin: Evolution, Design, and the Future of Faith. Oxford: Oxford University Press.

Lane, N. (2009). Life Ascending: the ten great inventions of evolution. W.W. Norton.

Lewontin, R.C. (1997). Billions and billions of demons (review of The Demon-Haunted World: Science as a Candle in the Dark by Carl Sagan, 1997). The New York Review of Books, 9 January 1997, 31.

National Academy of Sciences (1998). Teaching about evolution and the nature of science. Washington DC: National Academy Press.

Philipse, H. (2013). The Real Conflict between Science and Religion: Alvin Plantinga’s Ignoratio Elenchi. European Journal for Philosophy of Religion 5, 87-110.

Plantinga, A. (2001). Methodological naturalism? In R. T. Pennock (red.), Intelligent design creationism and its critics: Philosophical, theological, and scientific perspectives. Cambridge, MA: MIT press, 339-361

Plantinga, A. (2011). Where the conflict really lies: science, religion, & naturalism. Oxford: Oxford University Press.

Ridley, M. (20043) Evolution. London: Blackwell Publishing.

Russell, M. (2006). First Life. American Scientist 94, 32-39.

Sober, E. (2004). The design argument. In W. Mann (red.), The Blackwell Companion to Philosophy of Religion, 117-147.

Sober, E. (2011a). Why Methodological Naturalism? In G. Aulette, M. LeClerc, and R. Martinez (red.), Biological Evolution “ Facts and Theories, A Critical Appraisal 150 Years after The Origin of Species. Rome: Gregorian Biblical Press, 359-378.

Sober, E. ( 2011b). Evolution without Naturalism. In Jonathan L. Kvanvig (red.), Oxford Studies in Philosophy of Religion 3, Oxford: Oxford University Press, 187-221.

Uhen, M.D. (2010). The origin(s) of whales. Annual Review of Earth and Planetary Science 38, 189–219.

Van der Vaart, E., & Hemelrijk, C. (2012). ‘Theory of mind’ in animals: ways to make progress. Synthese 191, 335-354.

Wiessner, P.W. (2014). Embers of society: Firelight talk among the Ju/’hoansi Bushmen. PNAS 111, 14027-14035, Science 16 November 2012.

Wrangham, R.W. (2009) Koken: over de oorsprong van de mens (vertaling van Catching Fire: How Cooking made us Human). Nieuw Amsterdam.


1 De benaming ‘methodologisch naturalisme’ is afkomstig van Paul de Vries (1986:389).

2 Dit citaat eindigt meestal met ‘Divine Foot in the door’. De laatste zin (die de argumentatie geeft) ontbreekt stelselmatig. Voor info over dit citaat

3 Intrinsic methodological naturalism, IMN.

4 Provisory methodological naturalism, Pragmatic methodological naturalism, PMN.

5 À quoi Laplace aurait répondu: Citoyen premier Consul, je n’ai pas eu besoin de cette hypothèse.» Een feitelijke uitspraak door voortgang van wiskunde en natuurkunde, geen atheïsme (Laplace was geen atheïst, maar dat is niet eens relevant). Zie uitgebreide bespreking van dit vaak gemangelde citaat op: (geraadpleegd op 29 september 2015).

6 ; in het Engels likelihood.

7 Beter te vergelijken met de tegenwoordig populaire betekenis van ‘plasticity’ dan met vitalisme (Gliboff 2000).

8 De Antarctic Circumpolair Current isoleert Antarctica.

9 Dit heet genetic drift. Neem 10 oesters, met elk 1 miljoen zygoten, trek uit alle zygoten 10 volwassen oesters. Als er genetische variatie is, is er geen garantie dat de tweede tien oesters dezelfde genetische variatie laten zien als de eerste tien.

10 Zo alle leerboeken, bijvoorbeeld Ridley 2004: 88; Futuyma 2013: 208; Bergstrom & Dugatkin 2012: 194.

11 Of zelfs dat basemutaties in DNA uniform verdeeld over al het DNA zouden zijn, wat onjuist is.

12 ‘[Plantinga] does his religion no great service.’ Michael Ruse, 2001. Can a Darwinian be a Christian? CUP, 110.

13 Van den Brink, Radix, dit nummer.

14 Ik heb deze boeken nooit gelezen, dus ik weet niet waarop het idee gebaseerd was. De paleontologische vondsten van hominiden zijn vrijwel allemaal van na 1961.

15 Kennis is duidelijk een woord dat extra betaald moet worden, zie Humpty Dumpty. Bij een definitie van kennis als ‘gerechtvaardigde ware overtuiging’ is het nog maar de vraag of wetenschappelijke kennis onder de definitie valt.

16 Een goede behandeling is te vinden in Kitcher (2007), hoofdstuk 4, A mess of pottage, ‘een schotel linzensoep’.

17 Ik dank Gijsbert van den Brink en de redactie van Radix voor hun constructieve commentaar op eerdere versies van dit artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.