+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

5 minuten leestijd

59.

DE ZONDEVAL (3)

Hebt u nog getracht een antwoord te vinden op de vraag, waarmee we onze vorige les beëindigd hebben: hoe kan Paulus schrijven in 1 Tim. 2:14: „En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest”?

Het kan natuurlijk niet de bedoeling van Paulus en van de Heilige Geest geweest zijn om te stellen, dat Adam niet is verleid geweest. Maar we hebben hier te doen met een bepaalde spreekwijze, zoals we die meer in de Heilige Schrift tegenkomen. O.a. Christus zegt in Joh. 6: 27: „Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven”, terwijl de spreukendichter zegt, dat de luiaard niet dan gescheurde klederen zal dragen. Het is duidelijk, dat Christus bedoelt met „werkt niet om de spijs, die vergaat”, dat het werken voor ons tijdelijk bestaan niet het allervoornaamste, het ene nodige, in de weg zal staan en dit in beslag zal nemen.

Wanneer Paulus schrijft, dat Adam niet is verleid geweest, dan moeten we hier het verband van de tekst bezien. De apostel laat in dit hoofdstuk uitkomen hoe de positie van de vrouw dient te zijn in de samenkomsten van de gemeente, namelijk dat zij in de gemeente niet lere. Voor „lere” staat in de grondtekst een woord, dat wijst op een spreken met autoriteit. Hij verbindt hieraan, dat de vrouw niet over de man mag „heersen”. Heersen als zelfstandig persoon, met autoriteit. Zo mag zij niet leren. Dit laat de apostel niet toe. En dit is niet een persoonlijk gevoelen van Paulus, maar hij schrijft dit door de inspiratie van de Heilige Geest. Heeft de vrouw iets te vragen, aangaande het gehoorde woord, zij wachte tot zij thuis zij, haar man erkenne door haar vraag te richten tot hem. Door de man in ere te houden, is juist ook haar eer.

Blijkbaar openbaarde zich in de oud-christelijke kerk een neiging (aldus J. van Andel in zijn kommentaar) om zich op gemeentelijk gebied tot ’s mans gelijke op te werpen. Zij meende te goeder trouw even goed als de man gerechtigd te zijn om in de eredienst het woord te voeren. In Christus was immers man noch vrouw meer. Zij had evenals de man de Geest ontvangen en soms wel de gave der profetie. Dit was dus de christelijke vrijheid. Deze gedachte leidde de vrouw tot zulk een spreken met autoriteit. En dit verbiedt de apostel ten zeerste.

Twee redenen voert hij nu aan volgens welke de vrouw (ook de ongehuwde vrouw naar het verband) niet als lerares mag optreden in de gemeentelijke samenkomst. De eerste reden is: de schepping naar Gen. 2, en de tweede is: de val naar Gen. 3.

Paulus wijst op de orde Gods in Zijn schepping van man en vrouw. Adam is eerst gemaakt, daarna Eva (vers 13 van het teksthoofdstuk). De man heeft zelfstandig bestaan, dus ook zonder de vrouw. Dr. C. Bouma schrijft in zijn kommentaar over de brieven aan Timotheüs (voorheen uitgave Bottenburg) hierover het volgende:

„Maar hier wordt met Goddelijk gezag herinnerd aan de scheppingsgedachte Gods, Die met opzet de man als eerste heeft geschapen om daarmede tot openbaring te brengen, dat de man de eerste, de meerdere is in gezag, boven de vrouw. Daarin heeft de Schepper Zijn soevereiniteit geopenbaard, waartegen nooit het schepsel zich stellen of verzetten mag”. „Man en vrouw zijn maaksel Gods, gevormd door Zijn hand als aardewerk. Daarom ook over de kwestie van de prioriteit geen kritiek en verzet, want dat ware strijden tegen God de Schepper Zelf„.

Het tweede argument voor het verbod van de apostel, dat de vrouw niet in de openbare eredienst zich gelijk mag stellen met de man, ontleent Paulus aan de val. „Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest”, 1 Tim. 2:14.

Hier bedoelt de apostel aan te geven, dat de vrouw de eerste is geweest ten opzichte van de verleiding tot zonde door de duivel.

In de orde der schepping is Adam de eerste, de meerdere, de gezagdragende. Maar in het stuk van de zonde was de vrouw de eerste. De vrouw is de eerste bondsbreukige, de eerste verleidster geweest. Zij heeft Adam verleid. Zij heeft willen heersen over het tot zonde brengen van haar man. Haar heeft het dus niet goed gedacht haar plaats als vrouw te behouden, waarop God haar gesteld had. Zonder eerst haar man in kennis te stellen en hem te vragen over wat de slang haar voorgespiegeld en gezegd had, heeft zij van de verboden boom gegeten en Adam ook daartoe verleid. Zie, dit is het argument, dat Paulus nu aanvoert, dat één van de gevolgen van haar zonde, van ook haar heersen dus, is: dat de vrouw niet zal heersen in de gemeente, maar dat zij zwijge en thuis haar eigen man vrage, 1 Kor. 14: 34 en 35.

Onwillekeurig zijn we hier even terechtgekomen bij de kwestie, die in onze tijd velen bezig houdt, de plaats en positie van de vrouw in de openbare samenkomsten van de gemeente. Het ligt echter niet in ons bestek hierover verder in onze katechisatielessen uit te weiden. Niettemin zegt ons het geciteerde uit de genoemde kommentaren of verklaringen wel één en ander. Ja maar, zo zegt men tegenwoordig, die kommentaren zijn verouderd. Wij hebben nu meer licht in de uitlegging van de Schrift. Maar dan vragen we toch in alle ernst: hebben dan al deze toch wel ook wetenschappelijke mannen en van toch niet veel oudere tijd het mis gehad?

Ter zake. Mochten we bovenal iets leren verstaan door ontdekkende genade hoe diep we gevallen zijn, hoe groot onze zonde en ellende is, maar ook hoe onpeilbaar de diepte is van Gods verlossende genade in Christus tot eeuwig behoud!

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.