+ Meer informatie

Over ‘bijzondere’ dominees

Achtergrond en reikwijdte van art. 6 K.O.

9 minuten leestijd

De laatste twaalf maanden gebeurde het weer herhaaldelijk: in de (kerkelijke) pers was te lezen dat die en die dominee beroepen was ‘naar art. 6 K.O., voor bijzondere arbeid ten behoeve van… ’. Maar wat betekent dat nu eigenlijk?

Schets van de situatie

Globaal genomen kan men het predikantencorps in de kerken in twee groepen verdelen: de gemeentepredikanten en de ‘bijzondere’ predikanten, zoals we die voor het gemak noemen. Maar dat ‘bijzonder’ is dan wel een containerbegrip. Er vallen namelijk heel uiteenlopende werkzaamheden onder: bijvoorbeeld evangelisatieconsulenten, predikant voor de varenden, zendingsarbeiders, predikant-docenten aan de TUA, zieken-en verpleeghuispredikanten, schoolpastores, televisiedominee, legerpredikanten. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Vervolgens kunnen al die uiteenlopende bijzonderheden dan toch wel weer bij elkaar gebracht worden: voor de meeste van deze predikanten geldt dat zij te boek staan als predikant ‘naar art. 6 K.O’.

Tekst artikel 6 K.O.

Een dienaar des Woords zal een benoeming tot bijzondere arbeid zoals het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke scholen, geestelijke verzorging van militairen of varenden, in de gezondheidszorg, in penitentiaire inrichtingen en dergelijke alleen mogen aannemen wanneer hij verbonden blijft aan een gemeente. De verhouding waarin deze dienaar tot de betrokken gemeente staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis.

Artikel 6 – achtergrond

Wat zegt art. 6 van onze kerkorde? Dat artikel staat in de groep artikelen die gaat over de toelating tot het ambt en het werkveld van de predikanten (art. 4-10). Art. 5 stelt dat een predikant aan een gemeente verbonden dient te zijn. En uit de details van dit artikel is dan af te leiden dat het dan in de regel gaat om gemeentelijke arbeid. En zo zijn de meeste predikanten aan het werk: voorgaan in de zondagse erediensten, pastoraat en catechese, verdere gemeenteopbouw, kerkenraadswerk. Dat alles ondersteund door andere leden van de gemeente.

Maar… al snel na het begin van de Reformatie in Nederland bleek dat predikanten ook wel eens door ‘particuliere’ instituten benaderd werden om binnen dat instituut hun predikantswerk te doen. Los van de plaatselijke gemeente dus, en zo ook buiten de directe invloed en controle van de plaatselijke kerkenraad.

Dat begon op hoog niveau, namelijk bij Prins Willem I; hij stelde een zogenaamde ‘hofprediker’ aan. Dit voorbeeld werd gevolgd door enkele ‘hoge’ families, al of niet van adel. Zij hadden aan geld geen gebrek en hadden dat ervoor over. Gasthuizen en weeshuizen volgden. En zo ontstond er een serieuze groep ‘bijzondere’ predikanten. Ze hadden geen directe band met de kerkenraad van de plaats waar zij werkten. En dat gaf toch een ongemakkelijk gevoel: kerkenraden dienen toch garant te kunnen staan voor leer en leven van de predikanten? En predikanten zouden er toch op uit moeten zijn om niet al te solistisch hun werk te doen, beperkt als ieder mens is, en ontvankelijk voor uitglijders zonder dat bewust te veroorzaken? In het licht van de nog jonge Reformatie, waarbij nog maar kort geleden geestelijk en kerkelijk schoon schip was gemaakt, is dit goed te begrijpen. En de gedachte ontstond: of een dominee nu wel of niet gemeentelijke arbeid doet, het is goed dat hij via een beroep van een kerkenraad verbonden is aan een plaatselijke gemeente. Dan kan

a. ‘vrijbuiterij’ voorkomen worden;

b. De predikant door zijn kerkenraad geholpen worden in tijden van moeite.

En zo verscheen uiteindelijk, in 1618-’19, in de Dordtse Kerkorde art. 6 met de volgende tekst:

‘Zal ook geen dienaar dienst mogen aannemen in enige particuliere heerlijkheden, gasthuizen, of anderszins, tenzij dat hij voorhenen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en zo zal hij ook niet minder de anderen de kerkenordening onderworpen zijn’.

Kortweg gezegd: een predikant hoort geen ‘vrije vogel’ te zijn. De kerken vragen van hem dezelfde route tot toelating tot het predikantschap en het volgen van dezelfde principiële regels als van zijn collega-gemeentepredikanten. En de kerkenraden zien daarop toe. Iedereen die kerkendienst verricht zal dat doen via de weg van beroep door en verbintenis aan een plaatselijke gemeente. Hun roeping tot en verantwoording van hun werk wordt duidelijk omschreven, en de kerkenraad houdt daar toezicht op. Niet uit wantrouwen, want zo werkt de kerk van de Here Jezus niet. Maar wel vanuit dezelfde gedachte die o.a. ook blijkt uit de ondertekeningsformulieren, namelijk dat wij als predikanten, ouderlingen en diakenen ons werk – hetzij binnen, hetzij buiten de kerk – verrichten in onderlinge eensgezindheid, aan elkaar verbonden door Schrift, belijdenis en kerkorde. We hebben immers allen onze zwakheden en willen elkaar daarbij helpen.

Eeuwenlang bleef de tekst van het artikel ongewijzigd. In 1947 kwam er in onze kerkorde een ‘hertaling’:

‘Een dienaar des Woords zal geen benoeming tot bijzondere arbeid als: geestelijke verzorging van militairen, in stichtingen van barmhartigheid en dergelijke mogen aannemen, tenzij hij verbonden blijft aan een gemeente.

De verhouding waarin deze dienaar tot de betrokken gemeente staat, dient geregeld te worden onder goedkeuring van de classis’.

En in 1971-’72 breidde de synode de tekst nog eens uit met enkele andere voorbeelden, geboren uit de toenmalige praktijk: godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid, gezondheidszorg, gevangenissen e.d. Dat was tevens een periode waarin relatief veel predikanten overgingen van gemeentelijke arbeid naar arbeid op een dergelijk bijzonder terrein. Eerlijk is eerlijk: dat gaf toen hier en daar wel enige onrust: was het gemeentepredikantschap niet hét predikantswerk? Erger was de gedachte die hier en daar, vooral in wandelgangen, ook opdook: dat het die predikanten zouden zijn, die het gemeentelijk werk eigenlijk niet goed aan zouden kunnen en dat werk zouden ontvluchten. Dat was best pijnlijk. Zoals ieder gemeentelid specifieke gaven heeft, zo is dat ook onder de predikanten. En er zijn inderdaad predikanten die minder in het veelomvattende werk in een gemeente bloeien, maar erg gelukkig zijn in een afgeperkter werkgebied. Juist omdat zij daar een gave voor hebben ontvangen! En… de hierboven genoemde werkgebieden zijn bepaald niet de gemakkelijkste, integendeel. Gezinnen van legerpredikanten weten bijvoorbeeld dat het werk van deze broeders bepaald niet risicoloos is… .

In werkelijkheid mag het ons als kerken een eer zijn om predikanten voor deze terreinen af te staan, en daarvoor kerkordelijk ruimte te bieden. De kerk staat immers in de wereld en in de samenleving en sluit zich niet op binnen de kerkelijke werkkaders. Zij heeft een roeping om het Evangelie ook daar te brengen waar zij niet direct invloed op heeft. Zij zaait aan alle wateren, en niet alleen aan de binnenwateren, zogezegd.

Eén voorbeeld: in het kader van het voormalige deputaatschap kerk en onderwijs heeft prof.dr. W.H. Velema, de eerste voorzitter van dat deputaatschap, eens gezegd dat het christelijk onderwijs een bruggenhoofd is van het Koninkrijk van God. Daarom alleen al is het goed als er van alle CGK-predikanten ook daar enkele hun werkterrein hebben. En dat is ook meermalen het geval geweest.

Theorie en praktijk

Nu moet wel gezegd worden dat er in de loop van de jaren iets verschoven is. Hopelijk hebt u als lezer inmiddels begrepen dat de wortel van art. 6 K.O. predikantsarbeid betreft die buiten de dagelijkse invloed van de kerk valt. Wat had een kerkenraad immers te zeggen over wat er aan het hof van Prins Willem I gebeurde? Wat heeft een kerkenraad in Den Haag te zeggen over ‘Huis ten Bosch’? En toch… willen de kerken hun verantwoordelijkheden niet ontlopen.

De praktijk is echter – zonder dat iemand dat onderkende – ruimer geworden, en eigenlijk ook wel zo dat de praktijk van art. 6 de theoretische lading ervan niet meer dekt. Want gaandeweg werden ook predikanten op grond van art. 6 K.O. beroepen voor werk dat weliswaar niet het gemeentepredikantschap betreft, maar dat toch wel degelijk te betitelen is als werk dat binnen de reikwijdte van de kerk wordt gedaan. Niet voor één gemeente, maar wel voor en binnen de kerken als geheel.

Te denken is aan:

• het predikant-docentschap aan de TUA. De TUA is immers een binnenkerkelijke instelling en de kerken als geheel hebben er zeggenschap over: de generale synode beoordeelt het werk aan de TUA. Hun arbeid wordt niet via art. 6, maar via art. 18 en 20 K.O. geregeld;

• de landelijke dovenpastor. Binnenkerkelijk werk, weliswaar in een groot samenwerkingsverband met andere kerken, en ingedeeld in geografische regio’s. Maar men kan het niet typeren als werk buiten de kerk;

• de evangelisatieconsulenten (nu even toegespitst op de predikanten onder hen). Evangelisatie hoort tot de kerntaken van de kerk, men zie het zendingsbevel van de Heiland in Matt. 28:16-20, vlak voor zijn hemelvaart. Per definitie wordt dit werk buiten de kring van de gemeente gedaan, maar wel met een directe lijn naar de kerken en met het geestelijke doel om de gemeente te doen groeien. ‘Bewaar en vermeerder Uw kerk’, zo zegt de Heidelberger Catechismus in zondag 48. Voor hun werk geldt dat art. 21 K.O. er de grondslag voor legt;

• de predikanten die zich geven aan het werk voor de buitenlandse zending, direct uitgezonden via de kerkelijke deputaten, met dezelfde argumentatie als hierboven.

En zo zijn er nog wel wat voorbeelden te geven.

Dan blijft er voor de praktijk van art. 6 K.O. nog genoeg over:

• het godsdienstonderwijs en pastorale arbeid aan christelijke scholen, op welk niveau dan ook;

• het brengen van het Woord van God in penitentiaire inrichtingen (gevangenissen);

• het brengen van het Woord van God binnen het leger (vloot, luchtmacht, marine);

• ziekenhuispredikant, verpleeghuispredikant, predikant bij een zorginstelling;

• predikant bij de media.

Voor al deze werkvelden – en er zijn er nog meer te bedenken - geldt dat, wanneer het werk ‘in overwegende mate het karakter draagt van verkondiging van het Woord van God’ (tekst art. 6 lid2a K.O.), de kerken er gaarne predikanten voor afstaan. De kerken willen dat zelfs stimuleren, zoals op de laatste synode duidelijk werd: toen daar via het rapport van deputaten geestelijke verzorging van de militairen bleek dat er na enkele decennia een tijd was aangebroken dat er geen chr. geref. legerpredikanten meer waren (we ‘leverden’ zelfs een paar keer een hoofdlegerpredikant!) werden deputaten gestimuleerd om naarstig te zoeken naar mogelijkheden om als CGK in dit arbeidsveld te kunnen blijven participeren.

Het werk van álle ‘bijzondere’ predikanten is van waarde en van belang. De route ernaartoe is dat ook. In dat opzicht is het goed om in voorkomende gevallen de bandbreedte van dit artikel iets beter in de gaten te houden dan nu, nogmaals: onbedoeld en onbewust, gebeurde. En de deputaten kerkorde en kerkrecht zullen dit zéker in hun rapport aan de synode-2019 DV verwoorden.

Dan blijft art. 6 gereserveerd voor dienst buiten de directe kring van de kerk. En ‘bijzonder’ predikantswerk waarover de kerken directe zeggenschap hebben wordt geregeld door vrijstelling van de gemeentelijke arbeid met verwijzing naar een ander kerkordelijk artikel. En voor beide geldt dat we dankbaar mogen zijn dat de Here ons een roeping geeft in kerk én samenleving. Hij laat de wereld, zijn wereld, niet los. En dan moeten wij dat ook maar niet doen.

Ds. Quant is emeritus-predikant en woont in Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.