+ Meer informatie

‘EEN GODDELIJK BEROEP’

3 minuten leestijd

Het protest tegen de verhoging van de AOW-leeftijd is goeddeels verstomd. Of misschien laait de discussie weer op, als het straks gaat over de vraag, welke beroepen als ‘zwaar’ aangemerkt moeten worden. Sinds ik als predikant zag wat voor zwaar en geestdodend werk sommige mensen moeten doen, heb ik twee dingen gedacht. Ten eerste: uitstekend, als mensen voor dat werk beter betaald zouden krijgen dan anderen die het voorrecht genieten een baan te hebben, waarin ze zichzelf kunnen ontplooien en iets tot stand mogen (helpen) brengen. Ten tweede: mensen met zwaar en geestdodend werk verdienen een vroeg pensioen, om dan op andere terreinen nog iets te kunnen gaan doen, wat hun voldoening kan schenken. (Nog een derde overweging had ik - van andere aard -: ‘wat kunnen we doen, om dit zware en geestdodende werk overbodig te maken?’)

Ik besef dat ik hiermee niet het algemeen gedeeld gevoelen verwoord. We denken in geld, in economische haalbaarheid - en dan kom je ergens anders uit. Al die bonussen van bankmensen, politiekader, zorgmanagement enz. moeten toch ook betaald worden?! Daar dóe je het toch voor?

Die laatste zin zit me echt dwars. We zouden werken om goed te verdienen en een riant pensioen te genieten. Is dat echt zó? In 1962 kwam in het ds H. Janssenfonds een boekje van ds. A. Hilbers uit met als titel ‘Een goddelijk beroep’. Het ging over hoe we arbeid in Bijbels licht kunnen zien. Zou dat vandaag nog kunnen - een boekje met die titel? Ik zou niet goed weten hoe ik het die mensen met zwaar en geestdodend werk in handen zou durven geven. Bij een temperatuur van even boven nul in een slachterij aan de lopende band alleen maar steeds dezelfde handeling verrichten met constante herrie uit de luidsprekers - hoe zou je dat kunnen beleven als ‘een goddelijk beroep’?

Velen onder ons hebben gelukkig werk, waarin je echt iets van jezelf kwijt kunt. Maar zien we het ook nog als ‘een goddelijk beroep’? In onze samenleving heerst de stemming dat het leven zo ongeveer begint met het (pre-)pensioen. Dan kun je tenminste eindelijk ‘aan jezelf toekomen’. ‘Hoe lang moet je nog?’, is de vraag die we elkaar stellen. Is het een goede vraag? Is werk niet bedoeld als manier om iets bij te dragen aan de samenleving, om het nodige te kunnen meedelen aan wie gebrek hebben? Zouden we niet moeten vragen: ‘Hoe lang kun je nog?’? En - als de gezondheid geen probleem vormt - ‘Hoe lang màg je nog?’?

In het vijfde gebod worden volwassen mensen in Israël opgeroepen hun ouders bij te springen, als het niet meer gaat. Het is geen gemakkelijk gebod. Je bent je eigen bestaan aan het opbouwen en je kinderen hebben geld nodig. Om dàn ineens je ouders te moeten ‘eren’ snijdt in het vlees. In de tijd van het Nieuwe Testament probeerde men er onder een vroom voorwendsel onder uit te kruipen (Mat. 15,1-9). De dertigers en veertigers van vandaag hebben zo’n voorwendsel niet nodig. Het is ook daarom hoog tijd ons denken over werken en rusten tegen het licht van de Schrift te houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.