+ Meer informatie

Gemeente van Christus zijn in deze tijd, enige bezinning en enkele perspectieven

21 minuten leestijd

Inleiding

De redactie van „Ambtelijk Contact” heeft mij verzocht, zij het in een wat aangepaste vorm, iets weer te geven van het referaat, dat ik gehouden heb op de predikantenconferentie van 1 en 2 april 1970. Tot goed begrip mag dienen, dat op die conferentie is gesproken over „Structuren van de kerk”, een thema dat van verschillende kanten is belicht. Door ziekte van een der inleiders ontbrak helaas een eerste referaat over Nieuwtestamentische grondlijnen voor de inrichting van de kerk; toen heeft als eerste gesproken dr. W. van ’t Spijker over de visie van de Reformatie op kerk en ambt; de tweede referent was drs. T. Brienen, die moderne ontwerpen van kerkstructuur onder de loupe nam, terwijl ondergetekende een poging deed, voor ons eigen kerkelijk leven de praktijk onder ogen te zien. Dat gebeurde dan onder bovenstaande titel. Elk van de drie referenten heeft zijn best gedaan, het gemis aan voorafgaande Schriftuurlijke grondlijnen zo goed mogelijk te compenseren door de verbinding van zijn eigen aspect met de Schrift en de belijdenis te zoeken.

Mijn verhaal was gerangschikt naar een tiental stellingen, die ik hieronder laat volgen om ze daarna van een bespreking te voorzien. Hier en daar heb ik enkele vaktermen, die misschien niet voor ieder aanstonds duidelijk zijn, van een omschrijving voorzien.

1. De praktijk van veler spreken over de kerk en haar structuren dringt ook ons tot een nadere bezinning op de inrichting van het kerkelijke leven. Hiertoe behoren ook de vragen naar de deugdelijkheid van de presbyteriaalsynodale kerkregering.

Ieder, die niet vreemd staat in het geestelijke leven van deze tijd, weet, welke vragen er opgewoeld zijn in verschillende kerkgemeenschappen. In de rooms-katholieke kerk is een heroriëntering gaande als nooit tevoren.

In de Hervormde kerk heeft de Algemene Kerkvergadering inmiddels van zich doen spreken. Sommigen zijn heftig geschrokken van wat daar allemaal wel gezegd is, hoewel dat toch wel te verwachten was. In de Geref. kerken is „de wereld veranderd”. In de Geref. kerken (vrijgemaakt) ontstond het afschuwelijke schisma rondom wat ik gemakshalve maar de ware-kerk-ideologie noem; in de kring van wie buiten het verband raakten ontstond het boekje „De gekerkerde kerk” van ds. M. R. van den Berg. In Eindhoven vond de aanvankelijke overeenstemming tussen de vrijgemaakte kerkeraad en de onze verdere gestalte. Ook overigens is er in ons kerkelijke leven geen windstilte: in Amsterdam schreven enkele leden een kleine brochure „Appèl aan de kerk”, die aan het slot een aantal wensen formuleert over democratisering van onze kerken, wijziging van onze instelling en reorganisatie van onze grotestadskerken. Geheel los daarvan staande nam vorig jaar een groep leden onzer kerken, willekeurig samengesteld, het initiatief tot een bezinning op hun positie en taak als kerkleden in een poging, hun eigen kerklidmaatschap en het kerkelijke leven meer vruchtbaar te maken dan tot nu toe. Een vervolg hierop hebt u onlangs kunnen lezen in een publikatie van de initiatiefnemers in „De Wekker”.

2. Het aflezen uit de Schrift van beginselen voor de inrichting van het kerkelijke leven door onze gereformeerde vaderen betekent nog niet, dat geen onopgeloste vragen en spanningen zijn overgebleven. De (ook recente) kerkhistorie wijst daar soms schrijnend op.

3. In „onze” kerken blijkt het bestaan en het functioneren van het kerkverband vaak zegenrijk gewerkt te hebben. Wel mag gevraagd worden, of in onze kring aan het stellen van synodale bepalingen niet teveel betekenis is gehecht en of op de achtergrond niet een collegialistische tendens (de gedachte van de kerk als één grote vereniging met verschillende afdelingen, zoals de Herv. kerk in de vorige eeuw was ingericht) meespeelde.

Prof. Hovius heeft er in de bundel „Woord en keik” op gewezen, dat het kerkrecht geen doel in zichzelf is. maar er is „om de ware religie te onderhouden”. De kerkrege-ring is een geestelijke bestuurswijze, om met art. 30 N.G.B, te spreken. Maar waar het verband tussen kerkre gering en religie niet gezien wordt, daar wordt de omgang in een kerkverband tot een verschrikking. We kunnen ons nu nog maar nauwelijks voorstellen, welk een vreugde en een morele steun het voor de weinigen, die in 1892 christelijk gereformeerd bleven, geweest moet zijn, ook uit andere plaatsen broeders en zusters aan te treffen, met wie men zich in één geloof en in één belijdenis en in één kerk verbonden wist. Eén kerk; mag dat erbij gezegd worden? Zeker werd het toen zo aangevoeld. Er is een onwillekeurig spreken over de „kerk” in het enkelvoud, uitgaande van de belijdenis van de éne heilige algemene christelijke kerk, die er niet in het minst op uit is om het presbyte-riale kerkrecht omver te stoten. Menigeen, die zich plaatselijk alleen en verlaten voelde in zijn gemeente, werd getroost met de gedachte, dat hij „eigenlijk” lid was van een groter geheel. Op school- en andere toog-dagen kwam voor sommiger besef meer van het kerkzijn en het kerklid-zijn aan de dag dan in de plaatselijke gemeente.

Afgezien van persoonlijke gevoelens, die soms moeilijk te peilen zijn, moet erkend worden, dat het bestaan en het functioneren van het kerkverband onder ons vaak zegenrijk gewerkt heeft. Omdat onze kerken na 1892 vaak spelonk van Adullam waren voor alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was en die een schuldeiser had, is het gevaar van subjectivisme („ik zie het zo”, of „ik heb het zo beleefd”) soms heel groot geweest. Meer en meer kon het kerkverband in geordende banen geleid worden. Op het punt van het kerkrecht mogen de namen van prof. P. J. M. de Bruin en van prof. J. Hovius wel eens met ere genoemd worden, want het christelijk gereformeerde materiaal is soms weerbarstig! Thuis te zijn in het kerkrecht gold soms voor een geheimzinnige bekwaamheid. Verschillende voorbeelden zouden aan te halen zijn om te laten zien, dat er steeds gestreden moest worden om niet een ondergrondse „vijfde kolonne” een rechtmatige plaats te geven en het bijbelse, gereformeerde, katholieke karakter van Christus’ kerk te handhaven.

Wie de Acta van de synoden na de tweede wereldoorlog leest, merkt uiteraard, dat de synoden telkens geconfronteerd worden met vele vragen, het kerkelijke en politieke leven betreffende, die vroeger buiten de gezichtskring lagen.

De verhouding tot andere kerken, buitenlandse contacten, politieke ontwikkelingen, dat alles stelde voor vragen, die eerder zo niet onder ogen gezien waren. Als kerkengroep gingen we een weg, die door anderen vaak niet begrepen werd en waarin we onszelf niet altijd gelukkig voelden. Verscheidene malen hebben meerdere vergaderingen vragen op tafel gekregen, waar men plaatselijk door meningsverschillen niet uitkwam, maar die eigenlijk niet tot de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen behoorden. Dikwijls hebben zulke vergaderingen misbruik van hun bestaan moeten tegengaan.

Bij dit alles is de vraag niet te ontgaan, of men veelal niet gedacht heeft, dat de eigenlijke stem der kerk die van de meerdere vergaderingen was en dan met name die van de generale synode. Hoezeer ook begrijpelijk is, dat onze kerkleden, mede door het plaatselijk soms geringe aantal, zich gesteund wisten door de aanwezigheid van vele broeders en zusters elders in den lande, toch is het geen bijbels en geen gereformeerd gevoelen, te doen alsof je eigenlijk lid bent van een landelijke „kerk” en dan pas van je plaatselijke „gemeente”. In overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht hebben we als kerken in 1947 net enkelvoud „kerk” wel vervangen door het meervoud „kerken”, maar de vragen, die de bevoegdheid raken en de taken van de plaatselijke kerk en van het kerkverband, zijn daarmee niet opgelost.

4. Het bijbelse spreken over de kerk is bepalend voor de verwerkelijking van het kerkelijke leven, ook in de praktijk van vandaag. Dit is niet slechts een formele kwestie, maar is metterdaad van fundamentele betekenis vanwege de majesteit van het Evangelie. Dit is vol te houden tegenover pragmatisch (vanuit de situatie van het ogenblik nuttig geacht) opgestelde plannen.

Niet onbekend behoeft onder ons gerekend te worden de veelkleurige manier, waarop de Schrift de gemeente van Christus tekent. Reeds de betiteling als „ekklesia”, volk van God, geroepen tot Zijn gemeenschap en dienst, is veelzeggend. Christus is de Goede Herder over Zijn kudde. Er is één kudde en één Herder, al zijn er verschillende schapen. Voor haar leven en levensonderhoud is de kudde op de Herder en Zijn leiding aangewezen. Zonder de Herder zou ze ook geen kudde zijn, maar een losse troep schapen, onderhevig aan al de daardoor ontstane gevaren. Als bruid van Christus is ze nu reeds gelukkig, ziende op de toekomst van de bruiloft, maar is ze nu nog in gespannen afwachting, met de roeping om te waken en bereid en versierd te zijn. Nooit zal ze in de steek gelaten worden door haar Bruidegom en zonder Hem heeft ze ook geen leven.

En dan denken we uiteraard aan de twee vergelijkingen van het huis en het lichaam. De gelovigen komen tot Christus, de levende hoeksteen, maar laten zich ook zelf als levende stenen gebruiken tot de bouw van een geestelijk huis. (1 Petr. 2; Ef. 2 : 19–22).

De tempel, in het O.T. gebouwd van hout en steen, is nu de gemeente van Christus, die desnoods in een schuur kan vergaderen. Bij de vele teksten over het lichaam

denken we vooral aan Ef. 4: 11–16. Bij deze pericoop komen ook de ambten aan de orde, waarover straks meer. Het machtige is hier altijd weer, dat het in de gemeente niet gaat om de enkeling, maar om het lichaam, maar dat tegelijk in dat geheel de enkeling zijn geheel eigen plaats en taak heeft. In de kerk mag het individuele niet geaccentueerd worden ten koste van het gezamenlijke en het collectieve niet ten koste van het persoonlijke.

Er is ook groei in dit lichaam, de eenheid is organisch en er is een leven en geregeerd worden door het Hoofd, Jezus Christus, zonder wie het lichaam dood is en Die niet zonder zijn lichaam zijn wil. Het is daarom ook niet mogelijk, vanuit deze veelzijdige beeldspraak vaste beginselen te formuleren voor de structuur van de kerk. We zullen veeleer moeten zeggen, dat vormen en ideeën, waardoor de bijbelse beeldspraak niet meer spreken of functioneren zou, verwerpelijk zijn.

Naast al deze aspecten over wat de kerk is, zwijgt de Schrift ook niet over de vraag, wat de kerk doet. Ze is geroepen om een licht op de kandelaar te zijn en een zoutend zout en een stad op een berg. In haar zalving tot de profetische, priesterlijke en koninklijke taak deelt ze in de zalving van Christus, haar Hoofd. Ze is geroepen en wordt bekwaamd om te spreken en te dopen, om te redden en te strijden en te dienen. Tussen wat de gemeente is en wat ze doet bestaat geen tegenstelling. De gedachte van het levende lichaam weerspreekt dit reeds geheel.

Naast al dit spreken over de „kerk” in het enkelvoud kent de Schrift ook het spreken over de kerk in het meervoud. Paulus schrijft aan de gemeenten van Galatië. De brieven aan Corinthe zijn gericht aan de gemeente Gods, letterlijk: „zoals die te Corinthe is”. De plaatselijke, eventueel de regionale gemeente is niet een organisatorische afdeling van een landelijke eenheid, neen, de eenheid gaat boven landen, volken en tijden uit; de plaatselijke gemeente vertoont de trekken helemaal die de kerk als lichaam van Christus heeft. Ze is openbaring van het lichaam van Christus. Wat geldt van de totale kerk van Christus, geldt mede ook van die plaatselijke gemeente. Daar komt ze tot zichtbaarheid, tot openbaring.

5. Bij de vragen naar een bijbelse opbouw van kerkelijk leven spelen die naar de plaats van de ambten in de gemeente een allesbeheersende rol.

Te zien, hoe sterk de band tussen Christus en de gemeente is, brengt mee, dat een ambtsdrager erkent, dat hij wettig van Gods gemeente en door middel van deze van God zelf geroepen is. Van hieruit zien we ook enerzijds de mondigheid van de gemeenteleden; anderzijds ook het feit, dat het N.T. een zekere variabiliteit en „soepelheid” te zien geeft van de door de ambtsdragers te verrichten taken en de namen, die daaraan gegeven worden. U zoudt nog eens de namen moeten lezen in Rom. 12 en 1 Cor. 12. Sommigen zeggen: dit behoeven allemaal geen ambten te zijn geweest. Deskundigen in het Nieuwe Testament wijzen ons erop, dat we moeten oppassen voor het maken van een tegenstelling tussen het „charismatische” (datgene wat van onder op komt) en het „institutionele” (datgene wat van boven af wordt ingesteld).

Duidelijk lijkt mij uit de Schrift, dat de diensten in de gemeente zich gaan verdichten rondom twee kernpunten: het presbyteriale en het diaconale aspect, het ouderlingen- en het diakenambt. En daar ligt voor de structuur van het kerkelijke leven een belangrijke aanwijzing.

6. Oog hebben voor de betrokkenheid van het ambt op Christus en op de gemeente brengt mee, dat de presbyteriale kerkvorm niet mag worden opgegeven.

Juist de ambten van ouderling en diaken komen naar voren. De presbyteriale kerkvorm is te zien als de manier, waarop Christus zijn gemeente regeert en zegent en als de manier, waarop de gemeente functioneert. De lichaam-gedachte werkt hier steeds door. Het feit, dat de ouderlingen de gemeente regeren, is vanuit hun dubbele verbondenheid ook voor het gemeentelijke leven van het grootste belang. Dat betekent ook, dat de kerkeraden erop uit moeten zijn, juist in onze tijd uit deze kerkstructuur te halen, wat er in zit.

Ons gereformeerde kerkrecht heeft de onderscheiding in de ouderlingen tussen de leer- en regeerouderlingen, die in de Schrift voorkomt, 1 Tim. 5 : 17, verdiept en uitgewerkt. Of wij daarmee niet in een zekere eenzijdigheid vervallen zijn, lijkt mij nog de vraag, al zou ik het predikantenambt zeker niet willen aantasten. Maar in de praktijk is er nog al een grote discrepantie ontstaan.

Wat het gemeentelijke werk betreft, is menige trouwe ouderling van meer zegen geweest dan sommige predikanten, die een gemeente te spoedig verlieten. Wat de bevoegdheid van de ouderlingen betreft, moet ons opvallen, dat art. 3 K.O. de bevoegdheid tot voorgaan in de dienst des Woords en der sacramenten bindt aan de wettige beroeping ertoe, dus niet aan het feit, dat men zgn. máár ouderling is.

Wat is het een door ons veel te laag getaxeerde weelde, de gemeente te mogen opvoeden tot wat ze is: een gemeente, een ekklesia, met ouderlingen en met diakenen! Het regeeraspect van de ouderling zou m.i. ook op de meerdere vergaderingen — waarover straks meer — beter tot uiting kunnen komen. De verkiezing van afgevaardigden naar particuliere en generale synode baart keer op keer zorgen. Op sommige classicale vergaderingen is de verkiezing van afgevaardigden een niet voldoende bevredigende zaak. Niet alleen omdat men elkaar niet voldoende kent, maar ook omdat grotere gemeenten hun ouderlingen laten rouleren, terwijl kleinere gemeenten steeds dezelfde ouderlingen zenden. Daardoor kunnen bekwaamheden over het hoofd gezien worden, terwijl bekendheid op de classis nog iets anders is dan deskundigheid. Zou het bezwaarlijk zijn, wanneer in grotere gemeenten ouderlingen, die bekwaamheid hebben in de kerkrege-gering, meerdere malen achter elkaar worden afgevaardigd, wanneer dit in de kerke-raad in onderling overleg goed kan? En zeker meen ik, dat men op de kerkeraad, die de afgevaardigden vaststelt vóór de classis vóór de particuliere synode vóór de generale synode, zich behoort af te vragen: welke broeder maakt kans op verkiezing en wie zou zich dan zo goed mogelijk van die taak kunnen kwijten? Dit is een veel betere oplossing dan de suggestie voor evenredige vertegenwoordiging, die vaak gedaan is en die de democratie in de kerk zou brengen en in strijd zou komen met de grondgedachte, dat geen kerk over enige kerk heerschappij mag voeren.

7. Oog hebben voor de verbondenheid van alle gelovigen in Christus aan elkander brengt mee, dat een samenleven in een synodaal kerkverband gezien mag worden als een van God geschonken instrument om de eenheid in Christus naar binnen en naar buiten tot uiting te brengen en om gemeenschappelijke taken uit te voeren.

Het boekje De gekerkerde kerk’ geeft een fundamentele bestrijding van de Dordtse Kerkorde. Men behoeft het echt niet met het boekje eens te zijn, om het toch een verfrissend bad te vinden. Tot in het blad „In de rechte straat” toe is het boek besproken en geprezen, maar ds. W. Steenbergen antwoordde in dat blad, dat niet de kerkorde akkoord van kerkelijk samenleven is, maar de belijdenis, en dat het een goede zaak is, dat de kerken op elkaar toezien. Op zijn advies gaf toen ds. G. Janssen (geref. vrijgemaakt buiten het verband) uit Amsterdam een toelichting tot verdediging van het goed recht van do kerkorde, waarin hij kort gezegd betoogt, dat men geen dilemma behoort te maken tussen: òf het kerkverband is het in Christus samen verbonden zijn òf het kerkverband is een organisatie.

Instruerend is het artikel van dezelfde schrijver in „Opbouw” van 27 febr. 1970, waarin hij erop wijst, dat het indepen-dentisme verwant is met doperse gedachten en met het individualisme, dat met het ambt op gespannen voet staat en de volksdemocratie in de kerk introduceerde, reeds voordat dat in de nieuwere geschiedenis op staatkundig gebied gebeurde. Wie op deze wijze gewaarschuwd is, geldt reeds voor twee.

Op de predikantenvergadering ben ik toen nog ingegaan op de brochure, die in 1946 geschreven is onder de titel „De schriftuurlijke beginselen van het kerkrecht”, door br. J. van Dalen, die later uit de Geref. Kerken vrijgemaakt is overgegaan naar onze kerk te Apeldoorn en die later als ouderling daar en als synodelid de kerken heeft gediend. Op de synode van 1965/66 heeft hij, zij het in een ander verband, de bevoegdheid van de plaatselijke kerke-raad zeer sterk beklemtoond„ en bijzonder gewaarschuwd tegen alle hiërarchie.

In verband met de actuele vraagstukken rondom het kerkverband ben ik van mening, dat zijn brochure uit 1946 nog steeds van betekenis is.

8. Geconstateerd moet worden, dat de plaatselijke gemeente als lichaam van Christus groter vrijheid heeft, dan door sommige synodale bepalingen wel wordt gehonoreerd. In verband hiermede zal ook weerstand geboden moeten worden aan de neiging, heil te verwachten van centrale leiding en synodale uitspraken.

We raken hier een teer punt. De mogelijkheid van spraakverwarring wordt groter. Wie constateert, dat de gemeente in de vrijheid leeft, vrage zich af, of het verwijt van ongebondenheid terecht kan zijn. Wie aandringt op orde en openbaring van eenheid, heeft misschien niet gedacht aan dwang en hiërarchie. Een bijbels spreken moet toch voor ontsporingen kunnen behoeden. De vrijheid in Christus is er, die helemaal en geen enkele andere. Binding aan het éne Evangelie is geen enkele belemmering. Opzicht hebben over elkaar is een schriftuurlijke opdracht.

Een enkel voorbeeld moge dit verduidelijken. De bepaling over het bedienen van het H. Avondmaal in inrichtingen geeft aanleiding, de bepaling ruim te interpreteren. Moet men zich bezwaard gevoelen, wanneer men de letter van de bepaling te buiten gaat? In elke gemeente zal des zondagsmorgens de wet des Heren worden gelezen. Historische interpretatie is natuurlijk Ex. 20 of Deut. 5. Maar m.i. is er geen enkel bezwaar tegen in te brengen, de wet te doen horen met andere woorden uit het O.T. of in de nieuwtestamentische vorm van paraenetische (vermanende) gedeelten uit de brieven. En wat de bepalingen over niet-noodzakelijke zondagsarbeid betreft, ja zelfs de tekst van art. 67, die niet is naar de oorspronkelijke tekst van de K.O.(!), zou, gezien de bezinning die de laatste jaren binnen onze kerken aan de gang is, overwogen moeten worden, of deze zo nog wel gehandhaafd moeten worden. In de praktijk werkt elke kerkeraad niet alleen met eigen beoordeling van bepaling 2 van art. 67, maar gaat soms verder. De bepalingen bij art. 70 (huwelijk) worden in menige gemeente ruim geïnterpreteerd. Een punt in discussie is dan momenteel de psalmberijming — waarover de kerkorde niets bepaalt — en in sommige kerken het zingen van gezangen.

Met deze opsomming ben ik nog aan de matige kant gebleven en u bemerkt, dat een vrij algemeen heersende tendens die naar meer vrijheid is. Men zal voorzichtig moeten zijn met hier een gezagsondermijnende invloed aan te wijzen. Er weiken nog wel andere factoren.

We horen nog al eens vragen naar het spreken der kerk. De agenda van de Algemene Kerkvergadering van de Hervormde kerk was er vol van. Mijn benadrukken van de plaatselijke bevoegdheid van het ambtelijke spreken brengt mee, dat ik vooral op die grond er geen heil van verwacht. Want als de kerk spreekt, dan verwacht ik, dat ze ambtelijk spreekt en zeggen kan: alzo spreekt de Here. De kerken mogen gerust nadenken en uitspraken doen en zeggen: zo denken we er op het ogenblik over en we dachten dat het zó moest, maar men moet niét de indruk geven, dat wanneer de synode gesproken heeft, dat dan de kerk gesproken heeft en nog minder, dat dan Christus gesproken heeft. Daar hebben onze vaderen ons altijd terecht tegen gewaarschuwd. En men moet er ook niet teveel heil van verwachten. Nog daargelaten, of de kerkelijke vergaderingen er de deskundigheid wel voor kunnen opbrengen en of het wel hun taak is om deskundig te spreken.

Ik geloof dat we veeleer moeten kiezen voor de eenvoudige ambtelijke arbeid in de gemeente, begeleid en gestimuleerd en waar dat kan deskundig bijgestaan door enkele deputaatschappen ad hoc, als ADMA, Hulpverlening, Recreatie en dergelijke. Hier is ons systeem m.i. bruikbaar en verantwoord, mits goed benut.

9. Het benadrukken van de betekenis van de plaatselijke kerk, als geschenk en als opdracht, brengt de roeping mee, dat de gemeente toch vanuit haar Hoofd zal functioneren. Mogelijkheden daartoe zijn plaatselijk verschillend; naast een dringend gebed om de Heilige Geest is er veel inspanning nodig van de zijde van het bijzondere en het algemene ambt.

Veel toelichting heeft deze stelling na het bovenstaande niet nodig. Met veel genoegen wil ik verwijzen naar het goede boek van drs. T. Brienen „Onderlinge Dienst”, dat men met vrucht zal kunnen raadplegen.

Wat de praktijk betreft, wil ook ik pleiten voor een kleinere indeling van de gemeenten en het aanwijzen van verantwoordelijkheid aan gemeenteleden ten opzichte van hen die dicht bij hen wonen. Het bij ons vrij diep ingewortelde individualisme brengt mee, dat de uitvoering nog niet zo eenvoudig is. Een soepele samenwerking van bijzonder en algemeen ambt zal nog veel inzicht en zelfverloochening vragen. Een inventarisatie van binnen de gemeente aanwezige mogelijkheden kan ongedachte perspectieven openen.

Wanneer ik verkerkelijking van het leven afwijs, brengt dat met zich mee, dat de bijzondere amten de gemeente zullen moeten leren om op de verschillende levensterreinen zich te geven naar al de maat van hun krachten en deskundigheid.

10. Een beleven van het plaatselijk gemeente-van-Christus zijn biedt voorts perspectieven voor het zoeken naar een vorm, om aan een in Christus gevonden eenheid met andere kerkgemeenschappen gestalte te geven, nu sommige pogingen van de afgelopen jaren schijnen te zijn doodgelopen.

We hebben hierboven over eenheid gesproken, een eenheid in Christus, een kerk-ordclijke eenheid en tegelijk realiseren we ons, dat we leven in de kerkelijke verscheurdheid. We hebben de eenheid naar binnen ongeveer kunnen bewaren en die naar buiten gemist. Soms werd op synodaal niveau iets bereikt, dat niet klopte met de plaatselijke situatie. Soms werd plaatselijk een eenheid gezien, die landelijk niet te verwerkelijken was. Er is lang gedokterd, tot er voor „Eindhoven” iets bruikbaars uit de bus kwam. Inmiddels hebben we met verbijstering de breuk in de vrijgemaakte kerken meegemaakt. Contact met „synodale vrijgemaakton” schijnt voorlopig wel van de baan te zijn.

Nu ligt contact met verontruste gereformeerden, die naar ons zien, tot nog toe op particulier terrein. Maar de buiten het verband geraakte vrijgemaakten hebben plaatselijk kerken. Kerkelijk „dakloos” noemen ze zich daarmee niet. Wanneer er nu landelijk niet iets te bereiken is, moeten dan plaatselijke initiatieven niet méér aangemoedigd worden? De regeling m.b.t. Eindhoven was een begin. Uit de synodale Acta blijkt, dat vele zekeringen zijn aangebracht (Acta 1965/1966, art. 219). Er is o.m. gezegd, dat de regeling een voorlopig karakter draagt in afwachting van de verdere ontwikkeling t.a.v. de toenadering tussen beide kerkverbanden. We zien achteraf hoe voorlopig deze regeling wel was.

Stelt u zich nu voor, dat er een kerk buiten het verband zich tot onze kerken wil wenden om in een kerkverband te worden opgenomen, dat de eenheid in Christus tot uiting brengt. Dit is toch ook eerder voorgekomen, denk aan Veenendaal-Pniëlkerk en Sliedrecht-Middeldiepstraat. Moeten we dan in zulke gevallen niet op groter schaal honen op een toelating en samenleven in een federatief verband, inclusief het accepteren van elkanders gewoonten en historie en eigenaardigheden? In ons bestaande kerkverband doen we dat toch in menig opzicht ook. Wanneer we soms ongedacht broeders vinden, hoe God ze ook op onze weg plaatst, dan mogen we opmerken, welk antwoord God ons geeft. Als dat plaatselijk soms wel kan, dan moet het plaatselijk. Tegenover het vroeger wel gesignaleerde gevaar van afkalving mag misschien ook eens aanslibbing gezien worden. Maar dan nooit als een glorie voor ons kerkverband. Want het gaat om de glorie van de Koning van de kerk. Wij zullen zoeken te gaan in de wegen, die Hij wijst. Andere wegen lopen dood. Veel uiterlijke steunsels zijn al weggevallen; we hebben ze soms met weemoed nagekeken. Maar we zijn teruggevallen op Hem, die het Hoofd is van Zijn gemeente, dat is Zijn lichaam, vervuld van Hem, die alles in allen volmaakt.

Zalig die slaven, die de Heer bij Zijn komst wakende zal aantreffen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.