Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 1

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 1

10 minuten leestijd

Vijf en twintig jaren nadat onder den vromen koning Josia het Wetboek in het huis des Heeren was gevonden, de afgoderij uit Jeruzalem en Juda was uitgeroeid, en het volk den Heere het Pascha had gevierd met zulk eene heerlijkheid en vreugde, als sedert den tijd van Jozua niet meer het geval was geweest, brak nochtans het oordeel Gods over Jeruzalem los. Bij de menigte des volks was er toch slechts eene uiterlijke bekeering geweest, daarom keerde Zich de Heere niet af van den brand Zijns grooten toorns, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda om al de tergingen, waarmede Jlanasse Hem getergd had (2 Kon. 23 : 26). De zonen van Josia, niet wandelende in den weg huns vaders, wendden zich weder tot den afgodendienst. Zoo moest dan de eene zoon, Joahaz, naar Egypte, de andere, Jojakim, naar Babel in gevangenschap. Nauwelijks was de zoon van dezen laatste, Jojachin, koning geworden, of Nebukadnezar, de koning van Babel, nam de stad in, plunderde den tempel, en voerde met den koning vele duizenden van de aanzienlijksten en besten des lands naar Babel.
Nog een korten tijd, van elf jaren slechts, werd aan Jeruzalem uitstel gegeven tot bekeering. of het met geheel zijn hart tot den Heere zijnen God wilde wederkeeren en zich buigen onder Zijne straf; evenwel het volk wilde niet en kwam zoo onder het oordeel, hetwelk de Heere door Zijne profeten reeds lang had aangekondigd. Gedurende dien tijd der genade, welken de Heere nog aan Jeruzalem had gegeven, vertoefde dus aireede een gedeelte des volks, en wel niet het kleinste, in Babel in gevangenschap, maar ook hier zonder zich in waarheid te buigen onder de geweldige hand Gods. Altijd weder richtten zich hunne oogen naar het Jeruzalem, dat nog stond, en zij geloofden het niet, dat de Heere daarmede eene voleinding maken zou. In plaats van de eigene zonden te bekennen en boete te doen, rechtvaardigden zij zichzelven en verdoemden hunne vaderen, — de straf des Heeren scheen voor hen vergeefs te zijn.
De Heere gaf ook aan dit volk in de gevangenschap Zijne profeten , eenen Daniël onder de aanzienlijken aan het hof des konings, eenen Ezechiël, den zoon eens priesters, te midden van de gevangenen. Daar leefde hij onder de valsche profeten, die zich door al hetgeen zij reeds beleefd hadden, niet lieten onderrichten, maar gedurig bleven beweren, Jeruzalem zal niet verstoord worden — „de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan" (Ezech. 12 : 22 vv. Vergel. 13 : 10, 16—23; Jer. 6 : 14; 14 : 14; 29: 8, 9). Daar leefde hij onder de huichelaars, die wel naar den wil Gods vraagden, evenwel niet om dien wil te doen, maar slechts om zichzelven staande te houden in hunne eigengerechtigheid (Ezech. 14 : 1—3; 20: 3; 33 : 30—32); en er waren slechts weinigen, die in oprechtheid naar den Heere vraagden. Vijf jaren waren reeds voorbijgegaan, en Ezechiël, die den Heere vreesde, Zijn volk liefhad en het heil voor Jeruzalem wenschte, zag slechts het verderf immer zekerder naderen. Deze ellende, die hij voor oogen had, de jammer, de afval, de goddeloosheid — had de bange vraag dikwijls genoeg wakker geroepen in zijn hart: „Is er ook nog hulpe bij God voor mijn volk?"
Iloe menig gebed, hoeveel smeeking en zuchting mocht er reeds uit zijn binnenste zijn opgestegen; maar hij had geen antwoord ontvangen ; de hemel scheen gesloten en van koper te zjjn, totdat eindelijk de hemelen werden geopend, en hij gezichten Gods zag. (Vs. ].) Wat hij hier aanschouwde, — neen, dat had zijn oog te voren niet gezien, zijn oor niet gehoord , dat was in zijn hart niet opgeklommen! Wien de Heere Jesus Christus, wien de Zoon Gods geopenbaard wordt, die ervaart en weet het: dat is niet van eenen mensch, maar van God. En in dit gezicht geschiedde hel woord des Heeren uitdrukkelijk lol Ezechiël, welke naam beteekent „God geeft sterkte". (Vs. 3.) Hij mocht liet ondervinden, wat zijn naam uitdrukt, dat God sterkte geeft. Hij werd gesterkt om het machtelooze volk Gods te sterken en het bedroefde te troosten met den troost, waarmede hij zelf was vertroost geworden; alsmede om al hetgeen zich tegen de Wet Gods en de kennis van Jesus Christus verhief, neder te werpen. Zoo geschiedde het Woord des Heeren tot hem, als antwoord op de bange vraag zijns harten, en wel in het vreemde land, in het lund. der Chuldeën, ten bewijze dat de Heere ook daar nog met Zijn volk zijn en Zijnen Naam openbaren wilde; en met dat woord kwam de hand des Heeren, d. i. de Geest des Heeren (Vergel. 1 Sam. 10 : 6 met 1 Kon. 18: 40 en 2 Kon. 3 : 15) over hem, om hem dit woord, dat in een gezicht tot hem kwam, te doen verstaan.
Terwijl zoo de Geest des Heeren over hem kwam en zijne oogen opende, dat hij zag, aanschouwde hij en ziet: een stormwind ku ant van het noorden af (Vs. 4.). gelijk het bruisen, dat op het Pinksterfeest werd gehoord „als van eenen geweldigen wind." Zoo komt de Heere, om Zijnen armen en ellendigen troost te brengen, en verrassend, als door een wonder, hun hulp en redding te bereiden. Wie zal Hem in den weg staan, om Zijne armen en ellendigen te troosten? n i e t t e weerhouden, niet te weerstaan is Hij in Zijne genade, in de verkiezing Zijner eeuwige liefde. Om hen te helpen maakt Hij Zijne engelen »eesten, en Zijne dienaars eene vlam des vuurs (llebr. 1 : 7 ; Ps. 104 : 4); zoo leerde David Hem kennen, trelijk hij het uitsprak in Ps. 18: „Als mij bange was, riep ik den Heere aan en riep tot mijnen God; en Hij hoorde mijne stem, — Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder Zijne voeten. En Hij voer op eenen cherub, en vloog; ja Hij vloog snellijk op de vleugelen des wiuds enz." Het stille zachte suizen van het Evangelie Gods wordt tegelijk een stormwind, een geest (adem) des gerichts, die alle hooge cederen van Libanon nederwerpt. Daarom heet het ook: hij kwam van hel noorden a f ; want het noorden beteekent de zijde, vanwaar de gerichten Gods komen. Van het noorden kwamen de Assyriërs en Babyloniers in het land, gelijk Jeremia verkondigt (Kap. 6 : 22): „Ziet, er zal een volk komen van het noorden, het is toegerust als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Zion." En reeds Kap. 1 : 14: „Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands (Vergel Kap. 4 : 6 ; 6 : 1 ; zoo ook Kap 47 : 2; 50 : 3 , 41; 51 : 48). Waar de Heere komt om aan de vijanden van Hem en van Zijn volk vergelding te doen, daar heffen de geloovigen hunne hoofden op en worden getroost, want de tijd hunner verlossing is nabij.
De Heere nu, die in dezen stormwind kwam, verscheen in eene groole wolk. Dat is dezelfde wolk, waarmede de Heere bekleed was, toen Hij voor Zijn volk Israël henen toog, toen Hij hen leidde in de woestijn (Vergel. Ex. 13: 20 vv.; 14: 19, 20; 40: 34 vv. Num. 9 : 15 vv. Ps. 78 : 14; 105 : 39) — dezelfde wolk, waarin Hij zich tusschen Zijn volk Israël en het leger der Egyptenaren stelde, dezen verschrikte en in de zee deed verdrinken (Exod. 14), — dezelfde wolk, waarin Hij nederkwam over den tabernakel en den tempel, en waarvoor Mozes en het Levietische priesterdom niet konden bestaan (Ex. 40 : 34 vv. 1 Kon. 8 : 10 — 12); want God heeft gezegd: Ik wil in de donkerheid wonen. Zoo zet Hij dan duisternis tot Zijne verberging; rondom IIem is Zijne tent, duisternis der wateren, wolken des hemels (Ps. 18 : 12). Het Woord werd vleeseh; Zijne heerlijkheid verbergt zich in nederigheid, in onzen jammer, dood, vloek en ellende. Maar uit zulk eene donkerheid breekt Zijn licht door; in het vleeseh wordt God openbaar, gelijk die wolkkolom des nachts tot eene vuurkolom werd, zoo dat ook in de duisternis het volk des Heeren in Hem licht had. Daarom zag Ezechiël verder een vimr in de wolk vervangen en een glans rondom die wolk. Dat is het vuur der heerlijkheid Gods, dat, in eeuwige liefde van den Heere uitgaande, het brandoffer en het vet op het altaar verteerde, zoodat het gansche volk juichte, toen het dat zag, en zij op hunne aangezichten vielen (Lev. 9 : 24); — het vuur dat van den hemel nederdaalde op het altaar, door KI ia gebouwd en het brandoffer verteerde, zoodat het gansche volk bekende: „de lleere is God, de Heere is God!" •—maar ook hetzelfde vuur, dat van het aangezicht des Heeren uitging en Nadab en Abihu, die vreemd reukwerk voor het aangezichtdes Heeren brachten, verteerde (Levit 10 : 2 ; vergel. Num. 16 : 35); — dat ook den hoofdman met zijne bende verteerde, die meende met Elia, den man Gods, te kunnen doen wat hij wilde (2 Kon. 1 : 9,10). Want ook onze God is een verteerend vuur (Hebr. 12 : 29).
Hij laat niet met Zich spotten en zal eenmaal wederkomen in vlammend vuur (2 Thess. 1 : 8). Maar waar de heiligheid Gods zulk een vuur is, waarin niets wat onrein en verkeerd is, kan bestaan, maar daarvan wordt verteerd, daar gaat tegelijk van Hem een glans uit, die rondom alles verlicht.
Menigmaal schijnt wel alles donkerheid en duisternis te zijn, en de wegen des Heeren worden niet begrepen noch verstaan; maar waar God komt, waar Hij Zich in het vleeseh openbaart, waar het „nochtans" des geloofs niet wordt prijsgegeven, daar wordt Zijne heerlijkheid gezien (Joh. II : 40), daar wordt toch alles verlicht en opgeklaard door het licht van boven, en uit Zion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende (Ps. 50: 2), gelijk de zon opgaat na den nacht, de toppen der bergen verguldt en daarna ook de duistere schaduwen verlicht en de donkere dalen, naar de genadige belofte des Heeren: „Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan." (Mal. 4 : 2 ; vergel. Habak. 3 : 4 .)
En uit het midden daarvan — van dat vuur — was als de verf van llasmal — als de glans (het oog) van gouderts — uil het midden des vuurs. — »Uit hel midden daarvan" — d. i. uit Zijne ingewanden, uit het harte Gods glanst en licht het in eeuwige liefde. Dat is de glans, het afschijnsel der heerlijkheid Gods, gelijk Paulus den Heere Christus noemt (Hebr. 1 : 3), t. w. van die heerlijkheid, waarin God eenen armen verloren zondaar in Christus weder opneemt en verheerlijkt; waarin Ilij Zijnen eengeboren Zoon heeft overgegeven, om het verlorene weder tot Zich te hebben gebracht. — Daarom ziet Ezechiël in Kap. 40 : 3 Christus als eenen Man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; daarom ziet Johannes iu de Openbaring de voeten van Christus „blinkend koper gelijk, gloeiende als in eenen oven, (Kap. 1: 15), en Daniel zag Zijne armen en voeten — gelijk de verf van gepolijst koper (Kap. 10: 6), d. w. z in al Zijne gangen en in al Zijn doeu openbaarde Hij de heerlijkheid Gods.
( Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 1

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken