Bekijk het origineel

Hoofdstuk I. Afkomst en vroegste lotgevallen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk I. Afkomst en vroegste lotgevallen.

Petrus Dathenus, naar zijn leven en werken voor de Gemeente Gods.

6 minuten leestijd

Onder de Godsmannen, die nog heden als grondleggers der gereformeerde Kerk in Nederland in dankbare herinnering leven, staat Petrus Dathenus bovenaan.
Wel hebben geschiedschrijvers, door staatkundige en remonstrantsche invloeden geleid, beproefd, ook van het beeld van dezen man eene caricatuur te maken, doch nadat geschiedschrijvers, als Mr. Groen van Prinsterer, den sluier, welke het grootsch verleden der gereformeerde Kerk en der godgeleerde wetenschap in Nederland bedekte, opgeheven hebben, is ook weder het beeld van Petrus Dathenus in het rechte licht geplaatst. Hij werd geboren in het jaar 1531 of 1532, naar de meening van eenigen in het Vlaamsche stadje Berg-Cassel, doch naar het gevoelen van anderen moet de West-Pruisische stad Elbing als zijne vaderstad erkend worden. Indien het laatste gevoelen het ware is, zijn in elk geval zijne ouders reeds in zijne vroegste jeugd uit Duitschland naar Nederland verhuisd, en behoort aan Petrus Dathenus, — die zich later dikwijls naar Berg-Cassel noemde, waar hij zjjne jeugd doorbracht, — eene Nederlandsche opvoeding toegeschreven te worden. De eigenlijke naam der familie moet Daets geweest zijn, welken hij naar de gewoonte der geleerden van dien tijd met eenen latijnschen uitgang in Dathenus veranderde. De jongelingsjaren van onzen Dathenus zijn in ondoordringbare duisternis gehuld. Slechts dit eene weet men, dat hij, nadat zijne opvoeding op de school voltooid was, in een Carmeliter-klooster te Yperen (in Vlaanderen) ging. Hij stelde zich onder de tucht van deze strenge orde, daar hij nog de roomsche dwalingen aankleefde, meenende in dien weg God het best te kunnen dienen.
Maar de leidingen Gods met de Zijnen zijn wonderlijk. Hij laat hen dikwijls hunne eigene verkeerde wegen bewandelen, om hen te doen ervaren, dat het niet ligt aan iemands willen en loopen, maar alleen aan de vrije ontferming Gods, die ook achter de dikste kloostermuren een menschenhart weet te bereiken.
De reformatie had intusschen steeds grootere vorderingen gemaakt. De prediking van Gods vrije genade in Christus, welke zij op hare banier geschreven had, greep onzen monnik aan en bewees zich aan hem als eene kracht Gods tot zaligheid. Zij dreef hem uit het klooster en maakte hem tot eenen trouwen getuige, die door den Heiligen Geest gedreven werd om anderen mede te deelen wat de Heere aan zijne ziel gedaan had. De Inquisitie woedde echter met alle macht in die dagen tegen de belijders van het Evangelie, zoodat Dathenus zich genoodzaakt zag, zich terug te trekken en als boekdrukkers- leerling in zijn onderhoud te voorzien. Doch ook in dezen toestand was hij op den duur zijn leven niet zeker; daarom sloot hij zich bij eene schare van Vlaamsche landgenooten aan, die wegens de belijdenis van hun evangelisch geloof vervolgd werden, en naar Engeland vluchtten, om aldaar een nieuw vaderland tc zoeken.
Weinige jaren bracht onzo Godsman in Engeland door, waar hij naar alle waarschijnlijkheid de gemeente der Nederlanders, welko zich in Sandwich gevormd had, bediende en zich tevens in het huwelijk begaf met eene jonkvrouw, welke vroeger tot do Clarissenorde had behoord.
De vervolgingen der Protestanten onder Maria „de bloedige" verdreven de vreemdelingen-gemeenten van dit eiland. Nadere bijzonderheden omtrent deze vlucht ontbreken. Geleid door zijne bescheidene natuur, heoft Petrus Dathenus in zijne brieven zjjne persoonlijke omstandigheden op den achtergrond geschoven; ware het anders geweest, zoo zouden wij daarvan meer te weten gekomen zijn. Naar alle waarschijnlijkheid echter begaf hij zich naar Embden, in dien tijd de herborg der verdrevene kinderen Gods, en werd hem daar een beroep toegezonden naar de Nederlandsche vreemdelingen-gemeente te Frankfort a/d Main. Deze gemeente had zich daar in den zomer van het jaar 1555 gevormd nevens eene Waalsche gemeente, die reeds in Maart 1554 door Yalerandus Pollanus aldaar uit zijne uit Engeland gevluchte gemeente-leden gesticht was. Met blijdschap nam hij deze beroeping aan en werd den IS0 ' " September 1555 door den predikant Martinus Micronius uit Nordon met toestemming van den Hervormer Johannes a Lasco bevestigd.
Reeds in Juni van datzelfde j a a r had de laatstgenoemde door zijne voorspraak voor de uit Nederland verdrevene Christenen eene verblijfplaats en vrijheid voor openbare godsdienstoefening in do vrije stad Frankfort weten te verkrijgen. Hij was met zijne her- en derwaarts gedrevene gemeente, waarbij zich ook nog andere Nederlanders gevoegd hadden, in die stad aangekomen. Do taal, die zij spraken, was de Ylaamsche of Ilollandsche. Eene derde gereformeerde vreemdelingen-gemeente ontstond tegen het einde van het j a a r 1555 door vele herwaarts gekomeno Engelschen. Yoor deze drie gemeenten werd aanvankelijk de Weissfrauen-kerk tot het houden harer godsdienstoefeningen aangewezen. Alzoo hadden dan deze arme, verdreven lieden een huis gevonden, gelijk de zwaluw haar nest, waar zij hare jongen logt (Ps. 84 vs. 4 ) , zooals Dathenus zingt:

„O God, mijn troost en helper mijn!
Waer is 't dat uw altaren zijn,
Daer Ghjj woont, o mijn Heer almachtigh?"

Tot het jaar 1570 was de Waalsche en de Nederlandsche gemeente zoo vereenigd,dat zij, hoewel ieder haren afzonderlijken godsdienst houdende, nochtans slechts éénen Korkeraad en ééne Diakonie of Armen-verzorging hadden.
Evenzoo hadden zij eene gemeenschappelijke Kerkorde, die door Yalerandus Pollanus in September 1554 opgesteld was.
Daar in den jongsten tijd op nieuw de met de geschiedenis in strijd zijnde bewering uitgesproken is, dat Johannes k Lasco — (evenals ook Bullinger) — do leer der uitverkiezing niet beleden heeft, verwijs ik bij deze naar de Geloofsbelijdenis, die in dezo Kerkorde wordt aangetroffen, en welke door allen moest worden aangenomen, die tot de gemeenschap der Kerk of tot het gebruik der Sacramenten in de Frankfortsche zoowel Waalsche als Ylaamsche gemeente begeerden toegelaten te worden. Nu is deze Belijdenis toch in de eerste plaats door k Lasco zeiven onderschreven. In het eerste stuk leest men: „Eindelijk erkennen wjj God als onzen Vader, niet alleen wegens de Schepping, evenals andere kreakiren, maar omdat wij Zijne kinderen zijn, wol niet van nature, zooals de Zoon, maar uit genade, namelijk omdat Hij ons alleen naar den rjjkdom Zijner barmhartigheid vóór de grondlegging der wereld, uitverkoren heeft, niet om onze verdiensten of omdat Hij iets goeds in ons gevonden heeft. En hierom heeft Hij te Zijner tijd ons, die Hij van eeuwigheid uitverkoren heeft, door het bloed Zijns Zoons, verlost enz." Even scherp legt hij de uitverkiezing tot grondslag van de Goddelijke Voorzienigheid, als bij do leer van de Kerk. De eene maand later opgestelde Embdensche Catechismus, die voornamelijk aan a Lasco toegeschreven wordt, bevat vele toespelingen op deze Geloofsbelijdenis. En het heerlijke Doopsformulier van à Lasco — nog bij ons in gebruik — heeft als grondslag de leer van het genadeverbond, welke toch van de erkenning der uitverkiezing uitgaat.
Ook is over deze leer nimmer strijd ontstaan tusschen hem en andere gereformeerde godgeleerden. Daarentegen braken twisten uit onder de vreemdelingen-gemeenten over andere punten, zooals het vervolg ons leeren zal.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 4 Pagina's

Hoofdstuk I. Afkomst en vroegste lotgevallen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 januari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 4 Pagina's

PDF Bekijken