Bekijk het origineel

Hoofstuk III. Frankendal.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofstuk III. Frankendal.

Petrus Dathenus, naar zijn leven en werken voor de Gemeente Gods.

8 minuten leestijd

Te vergeefsch hadden de gereformeerde vreemdelingengemeenten der overheid van de stad Frankfort verzocht, hare kerk opnieuw voor haar te openen, daar deze op den 6den Februari 1562 haar vroeger genomen besluit bekrachtigde.
Evenmin baatte de tusschenkomst van de Heidelbergsche Universiteit, als die van den Keurvorst Frederik III en van den Landgraaf Philip. De Luthersche stadspredikanten bleven er op staan, dat de Gereformeerden, beide in de leer en in de ceremoniën, zich geheel naar hen zouden richten. Zoo trok dan op zekeren schoonen zomerdag eene kleine schare Nederlanders onder leiding van Dathenus buiten de poorten der stad Frankfort, ten einde zich op twee schepen te begeven, welke bij Mainz in den Rijn lagen, en landden op den 3aen Juni 1562 in de nabijheid van de plaats, waar in lateren tijd de stad Frankendal ontstond. Dit was de plek, die de Keurvorst van de Palts op hun verzoek hun aangeboden had, een dorpje, hetwelk uit twee kloosters, n.1. een mannelijk en een vrouwelijk Augustijner-klooster bestond, van welke het eerstgenoemde met den naam van Groot-Frankendal, het andere met dien van Klein-Frankendal bestempeld werd.
Tot op dit tijdstip had de Keurvorst de monniken nog in de kloosters geduld, en, dewijl deze nog niet ontruimd waren, zagen de nieuw aangekomenen zich verplicht, voor de poorten van dit klooster aanvankelijk hun verblijf te nemen. Er zullen ongeveer zestig familiën geweest zjjn, bij welke zich echter spoedig nog grootere scharen van landgenooten voegden.
Onder hunne vlijtige handen verrees spoedig eene vriendelijke stad; de schout Jakob Libart, dien de keurvorst uit hun midden koos, was trouw in het behartigen hunner belangen.
In 1564 brak de pest in deze nieuwe gemeente uit en richtte groote verwoestingen aan. Evenwel was Petrus Dathenus, de man, wiens naam ten eeuwigen dage in de geschiedenis dezer stad met roem bekend staat, — bij nacht en dag onvermoeid met raad en daad in hun midden werkzaam.
Reeds vroeger had hij degelijke kennis in de medicijnen verkregen, welke hem nu zeer goed te stade kwam.
Reeds in het jaar 1567 waren er in Frankendal twee burgemeesters, zoozeer was de stad uitgebreid. De Kloosterkerk te Groot-Frankendal bood reeds voor de godsdienstoefeningen der Ylaamsche gemeenten, waartoe zij haar, evenals aan andere geloofsgenooten, werd afgestaan, geene voldoende rüimte meer aan; daarom bouwde men nu eene Waalsche en eene Hoogduitsche Gereformeerde kerk. Eerbaarheid en goede zeden stonden bij deze godvruchtige, uit den vreemde overgekomene lieden in hooge achting. Waar echter ware godsvrucht bloeit, ontbreekt het niet aan den zegen Gods, waaraan alles gelegen is. Ware godsvrucht is echter ook ten allen tijde met de ware vlijt vereenigd geweest, daar zij de besliste vijandin is van alle traagheid en bedelarij, en hare leus is en blijft, tegenover al het verderfelijk socialistisch drijven en woelen van onze dagen: „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten."
Nu zouden wij ons vergissen, als wij meenden, dat Dathenus in deze stad eene rustplaats had gevonden, want deze immer bezige en in onderscheidene richtingen werkzame man vond overal eene menigte zorgen en arbeid.
Vooreerst waren het de in Frankfort geblevene landgenooten, die bij hem hulp en raad kwamen vragen. Deze bevonden zich in groote moeielijkheid, en in het bijzonder, doordien de doop hunner kinderen thans door de luthersche stadspredikanten moest worden bediend. Daar dezen echter de ceremoniën der duivelbezwering (exorcismus) gebruikten, konden zij met hunne conscientie niet overeen brengen, tot hen hunne kinderen te brengen. Dathenus, die waarschijnlijk, ook met het oog op deze vraag, in Sept. 1562 tijdens de najaarsmis naar Frankfort gekomen was, legde die den 18cn van dezelfde maand den Hervormer Calvijn ter beslissing voor; zooals van zelve spreekt kon het antwoord niet anders dan ontkennend zijn.
In het volgend jaar schreef Dathenus in Frankendal zijn: „Kort en waarachtig verhaal der verdrevene Fransche en Nederlandsche Christenen, die verscheidene jaren in de stad Frankfort a./d. Main de prediking des Goddelijken Woords en de bediening der heilige Sacramenten in hunne taal voortzetten, en om welke oorzaak hun dit later is verboden. Daarbenevens tot een grondig en noodwendig verweer van een boekje, dat door vroeger gemelde predikanten in druk is gegeven in het jaar 1563 en tot opschrift heeft: Zalig zijt gij, wanneer u de menschen smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil."
Gaarne had Dathenus gezwegen, zooals hij in de „voorrede aan den christelijken lezer" te kennen geeft, doch een kort te voren verschonen geschrift van de Frankfortsche predikanten, die de leer der verdrevene Christenen omtrent het Avondmaal alsmede hunne dienaren, en wel voornamelijk den edelen Joliannes a Lasco, lasterden. De dringende beden zijner landgonooten drongen daarbij onzen Dathenus, de eenige nog hier te lande overgebleven leeraar der vreemdelingen-gemeonten, dit verweerschrift uit te geven.
In eene zeer waardige en kalme uiteenzetting bewijst onze schrijver, dat zij geenszins in eenig artikel, betreffende het het heilig Avondmaal, van de Augsburgsche Confessie en derzelver Apologie afweken, zooals hunne tegenstanders voorgaven. Hij schold niet weder, waar hij gescholden werd, gelijk hij ook ten allen tijde met alle bescheidenheid tegen andersdenkenden, zoowel Evangelisclien als Lutherschen en Doopsgezinden opgetreden is, zonder eenigermate de waarheid te verloochenen of te verzwakken. Zoo verzoekt hij ook, in het 8s t e hoofdstuk van dit geschrift, aan de Frankfortsche predikanten te willen bedenken, wat zij gedaan hebben, en verzoekt hun de stedelijke regeering te bewegen aan de verdrevene Christenen weder vrijheid tot het uitoefenen van hunnen godsdienst te verleenen. „Het is," zegt hij, „eene beklagenswaardige zaak, dat aan de arme verjaagde Christenen niet wordt toegestaan de ware leer des Goddelijken Woords in hunne taal te prediken en de Augsburgsche Confessie openlijk te mogen handhaven, — terwijl aan de paapsche afgodendienaars en de gruwzame Joden, die den Zone Gods dagelijks lasteren, bespotten en zooveel in hen is, met voeten treden, vergund wordt hunne verdoemde, schrikkelijke dwalingen en godslasteringen openlijk te leeraren. Hoe zullen die predikanten zich voor Gods rechterstoel kunnen verantwoorden?"
In dit geschrift betoont zich Dathenus een scherpzinnig verdediger van het Gereformeerde geloof en van de Sacramenten.
De Keurvorst Frederik III, door de geschiedenis terecht „de Vrome" genaamd, erkende al spoedig de bekwaamheid van den Frankendaler leeraar. Dikwijls ontbood hij hem naar Ileidelberg om zijne meening bij kerkelijke aangelegenheden te vernemen. Hier leerde Dathenus spoedig de getrouwe Godsmannen kennen, — onder welken in de eerste plaats wel Olevianus is te noemen , — met wie hij geroepen werd tot den opbouw en do uitbreiding van het Zion des Heeren in de Paltsische landen. Zoo zien wij hem dan met Olevianus, Ursinus, Diller en Boquinus, allen Paltsische godgeleerden, naar Maulbronu gaan, tot het openbaar twistgesprek, hetwelk naar aanleiding van de door sommige Theologen uitgedachte leer van de Ubiquiteit (alomtegenwoordigheid) van het lichaam van Christus door den Hertog Christoph von Wurtemberg en den Keurvorst Frederik [°P den 17den April 1564] was uitgeschreven. Zulke geestelijke tornooien waren destijds aan de orde van den dag. De beide genoemde vorsten waren daarbij tegenwoordig. Met groote eigenwaan trad de Zwaab Jacob Andreae op; Dathenus stond tegenover hem, ofschoon zich meestal als een toehoorder gedragende, evenals de leider, die alles in het rechte spoor tracht te houden. Zoodra Andreae zich eene uitwijding veroorlooft, door eene verklaring te geven van de alomtegenwoordigheid van Christus, dan wijst Dathenus hem meesterlijk binnen de perken met zijn: „Dat is geen disputeeren, maar preeken!"
Maar ook voor zijn vaderland zoude Dathenus in de Palts werkzaam zijn. Het was de innige wenscli zijns harten de geloovigen van alle landen zoowel in leer als in ceremoniën met elkander in volkomene overeenstemming te brengen en op de rechte wijze te verbinden. In het jaar 1566 bewerkte hij de Fransche psalmberijming van Clément Marot in de I Nederlandsche taal, en gaf ter zelfder tijd voor zijne landgenooten den Heidelbergschen Catechismus in hunne eigene taal uit. Als motto koos hij Jakobus 5 : 13. Vóór de psalmberijming schrijft hij dezen groet: „Allen ghemeynten ende Dienaeren Jesu Christi, die onder die Tyrannie des Anti- Christs suchten ende klacghen, wenschet Petrus Dathenus die onoverwinnelycke kracht des heyligen Geestes ende volstandichheyt des gheloofs in een reyne conscientie door Jesum Christum." En verder heet het: „Opdat ook die Christelycke leser een volkomen handboecksken hebben mochte, hebbe ick den Christlicken Catechismus, ende den voornaemste deel des kercken ordeninghe ende der ghebeden, so die bij ons gebruyckt zijn, tot den Psalmen laeten drucken, alles tot bekeringhe des kercken Christi."
Deze ordeninghe is de kerkorde van de Palts. Op deze wijze heeft Dathenus zich voor de Kerk des Heeren in de Nederlanden buitengewoon verdienstelijk gemaakt.
Aan hem dankt zij de eenheid en vastheid der leer en in het bijzonder dat kleinood: den Heidelbergschen Catechismus.
Ook vertaalde hij de Geloofsbelijdenis van Guido de Bres in het Nederlandsch, waardoor zij de Nationale Belijdenis werd.
Zoo is Dathenus de grondlegger van het Calvinisme in de Nederlanden geworden.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 februari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Hoofstuk III. Frankendal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 februari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken