Bekijk het origineel

Hoofdstuk IV. Nu hier dan daar.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk IV. Nu hier dan daar.

Petrus Dathenus, naar zijn leven en werken voor de Gemeente Gods.

7 minuten leestijd

Zoo mocht dan de werkkring van onzen Dathenus in Frankendal rijk gezegend heeten. De Nederlandsche gemeente nam zóó toe, dat spoedig een tweede leeraar noodig werd. Daarom werd in 1563 Kaspar van der Heiden, gewoonlijk Heidanus genoemd, beroepen. Toch mocht deze stand van zaken niet lang zoo blijven. Dathenus zoowel als zijn ambtgenoot werden spoedig weder aan deze gemeente onttrokken. In het vaderland namelijk hadden plotseling gebeurtenissen plaats gegrepen, die eene goede toekomst der Kerke Gods schenen te beloven.
Het smeekschrift der gereformeerde Edelen, en hunne pogingen in April 1566 tot behoud van den godsdienst, alsmede het gerucht, dat zich verbreidde, greep onzen Datheen geweldig aan en vervulde hem met het vurigst verlangen, een werkzaam aandeel in deze ontwikkeling te hebben.
Hij nam derhalve met zijnen ambtgenoot Heidanus afscheid van do gemeente te Frankendal, om het vaderland weder op te zoeken. Destijds hielden de gereformeerde predikanten in Nederland in de steden, waar de Roomsehen nog de kerken in bezit hadden, zoogenaamde hagepreeken. Van dag tot dag nam de beweging, daardoor ontstaan, toe, zelfs zoo, dat het scheen alsof plotseling het geheele land voor de goede zaak des Evangelies zou gewonnen worden. Een vurige geest als Datheen was daar op de rechte plaats. Om Rome's muren te verbreken, daartoe was hij de geroepen man. Antwerpen, Popperingen, Kortrijk, Gent, Brussel en Brugge waren de plaatsen, waar hij zijne prediking van Christus Jesus en van Zijn werk tot verlossing onzer zielen liet weerklinken. Dikwijls waren zijne toehoorders, die hij door de macht van zijn getuigenis om zioh verzamelde, bij duizenden te tellen.
Ten onrechte heeft men hem van medeplichtigheid beschuldigd aan de poging van eenige zijner aanhangers te Arinentiërs, om twee wederdoopers, die in de gevangenis hun doodstraf verwachtten, met geweld te bevrijden, toen de magistraat hen niet goedschiks wilde loslaten. Tegenover den gemeenschappelijken vijand, het blinde pausdom, stonden als één man al degenen , die zich eenigszins onder het Evangelie schaarden, zooals het zich tot op dezen dag herhaalt. Gelijk het in eiken rumoerigen tijd gaat, zoo ging het ook toen. Bij de Protestanten voegden zich toch allerlei slag van lichtzinnige lieden, die in de evangelische vrijheid eenen dekmantel voor hunne teugelloosheid en ongerechtigheid zochten. Deze veroorzaakten kort daarna de plundering, bekend onder den naam van „beeldenstorm", waardoor eene menigte roomsche kerken geplunderd en verwoest werden, zoo in Vlaanderen als elders, wat de zaak van het Evangelie zoo ontzettend tegenwerkte en groote vervolgingen ten gevolge had.
Koning Filips, deze tijding hoorende, zwoer dat hij de overtreders duchtig zou straffen. Hij zond den woestaard Alva met eene sterke Spaansche strijdmacht. Op veel gruwelijker wijze dan te voren werden de Protestanten vervolgd, vooral de leeraren, hoe zeer deze met allen ernst tegen den beeldenstorm gewaarschuwd en hunne afkeuring te kennen gegeven hadden. Gruwzaam handelden de mannen der inquisitie. Ook de naam van onzen Datheen en die van zijnen ijverigen medearbeider Petrus Modet (dien hij hier te lande gevonden had) werd gebrandmerkt en op de lijst der vogelvrij verklaarden gebracht.
De martelaren vermeerderden van dag tot dag. Bij menigte vertrokken de aanhangers van de reformatie, zoodat geheele zelfs groote steden, als Amsterdam bijna ledig waren en ontvolkt. Ook Datheen, op wiens hoofd de landvoogdes eene groote som gelds gezet had, kon zich alleen door de vlucht redden, terwijl het hem toch onmogelijk geworden was, langer in zijn vaderland werkzaam te zijn. Zoo keerde hij dan in het voorjaar van 1567 naar Frankendal terug. Ook Heidanus was hem spoedig weder gevolgd.
Intusschen had Datheen in Nederland veel gedaan, wat voor het vervolg vruchten dragen zou. Met den Prins van Oranje had hij getracht eene overeenkomst te verkrijgen van de Lutherschen met de Gereformeerden in Nederland, teil opriuhte vau artikel 10 en 13 der Augsburgsche Confessie, doch zonder gevolg. Onderscheidene synoden heeft hij geleid, waaronder die te Nieuwkerke op 16 December 1566, op welke synode de noodige maatregelen genomen werden met betrekking tot den burgerlijken oorlog. Datheen verzamelde zelf geld bij de geloofsgenooten, om dit ter hand te stellen aan de aanvoerders van het leger, die hun leven veil hadden voor het vaderland en het geloof.
Doch dit leger werd helaas! door de soldaten van de landvoogdes bij Waterloo en Lannoy verstrooid en vernietigd.
Op de groote synode te Antwerpen, den 3. Januari 1567, kwam hij met Prins Willem en diens broeder Lodewijk te zamen, alwaar over eenen politieken leider der Protestanten beraadslaagd werd. Datheen deed al het mogelijke om den Prins te bewegen, dat deze als leider zou optreden. — Ook in dezen tijd van druk en lijden deed de Heere het hem niet ontbreken aan Zijne liefelijke verkwikkingen, die als zoo vele lichtpunten op zijnen weg waren.
Zoo zien wij hem met zijne familie, na afloop van genoemde synode, te Antwerpen gastvrij opgenomen in het huis van een rijken Jood, Marcus Perez, die met zijn gansche hart der reformatie was toegedaan. Van daar trok hij met de zijnen naar zijnen schoonvader Karei de Landmeter, te Stewinoxberge, wiens huis een vergaderplaats was van de Gereformeerden in die dagen.
Na zijne terugkomst in Frankendal mocht echter deze getrouwe getuige der waarheid zich niet lang in zijnen stillen arbeid in deze gemeente verheugen. Keurvorst Frederik verkoos hem tot veldprediker en gaf hem aan zijnen zoon Johann Casimir mede in den strijd, toen deze met den hertog Wolfgang van Zweibrücken en andere Hessische en Paltsische Edelen de verdrukte Gereformeerden in Frankrijk te hulp snelde. In den vrede van Longjumeau, Maart 1568, werd hun dan ook de vrije uitoefening van den godsdienst verzekerd.
Over de lotgevallen van Datheen in dezen veldtocht bericht ons helaas! de geschiedenis niets. Reeds voor dezen had hij van de Franschen een sterken afkeer; daarin werd hij nu te meer versterkt, wat zijn leven lang gebleven is. De trouwelooze handelwijze toch van dit volk tegen zijne beste medeburgers, de Gereformeerden, moest wel een man als Datheen ten hoogste verontwaardigen. Daarentegen werd door dezen veldtocht een innige vriendschapsband gesloten tusschen Datheon en den Paltsgraaf, als ook met de keurvorstelijke familie, die hem haar volle vertrouwen schonk.
Nauwelijks was Datheen met de Paltsische troepen teruggekeerd, of hij werd door zijne Frankendalsche gemeente, in vereeniging met de naburige Paltsische vreemdelingen-gemeenten, afgevaardigd naar de synode, die de Nederlandsche Gereformeerden den 3. November 1568 in het geheim te Wesel bijeengeroepen hadden. Hij, de man, die onder zjjne landslieden en geloofsgenooten in zoo hooge achting stond, werd tot moderator benoemd. Op deze synode, welke eigenlijk eene voorloopige synode was, werd de grond gelegd tot de synodale en presbyteriale kerkinrichting, welke in de Nederlandscli- gereformeerde Kerk aangenomen werd; die ook ingang vond bij de vreemdelingen-gemeenten of gereformeerde gemeenten onder het kruis in de landen Gulik, Berg, Mark en Cleef; onder welke kerkorde deze gemeenten in bloei toenamen. — Op deze synode gold het, de kerkorde van Londen en die van Geneve tot een harmonisch geheel te brengen.
Blijkbaar heeft à Lasco aan de Gereformeerde kerk een vreemd element toegevoegd, het episcopale, zooals hij dat in Engeland gevonden had. Al heeft h ij als zoogenaamde superintendent (kerkelijk opperhoofd) zich niet zoo verhoovaardigd gelijk velen heden ten dage in Duilschland, die dezen rang bekleeden, zoo konden toch de Gereformeerden in Nederland zulk eene geestelijke oppermacht niet dulden, van welke trouwens ook in de Heilige Schrift nergens sprake is. Daarom verwierp ook deze synode elke onderscheiding in rang van de predikanten onderling. Zij stelde vier ambten in de Kerk vast: het ambt van predikers, van profeten of leeraren, van ouderlingen en van diakenen.
Door de synode van Wesel werd de naam van onzen Datheen zeer beroemd. Met veel hoogachting sprak men overal in gereformeerde kringen van den man , die zoo nauw verbonden was met de lotgevallen der Kerke Gods. Hij en Olevianus genoten dan ook aan het hof te Heidelberg het volle vertrouwen van den Keurvorst. Dikwijls word Datheen van Frankendal naar Heidelberg ontboden, om raad te geven in de eene of andere kerkelijke of ook wel politieke zaak.
Op deze wijze kreeg Datheen eenen machtigen invloed, die hem door menigen vijand werd benijd , vooral omdat hij een buitenlander was.
Tot het tweede huwelijk van Frederik III met de streng calvinistische weduwe van Baron van Brederode , dochter van den Graaf van Neuenaar, heeft Datlieen zeer veel bijgedragen.
Hij verwachtte van deze echtverbintenis een grooten zegen voor de gereformeerde kerk in de Palts. Op de bruiloft, die 25 Augustus 1569 te Heidelberg werd gevierd, werd hij met bijzondere onderscheiding behandeld. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Hoofdstuk IV. Nu hier dan daar.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 februari 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken