Bekijk het origineel

Gedachten over Hebr. 2 vs. 5—12 en Ps. 8.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gedachten over Hebr. 2 vs. 5—12 en Ps. 8.

3 minuten leestijd

Wij hebben geene geestelijke machten te vreezen of te vereeren.
Wij hebben ons aan den mensch Christus Jesus te houden, als den Middelaar Gods en der menschen.
Deze is de Heer van die wereld, die door de Profeten en Psalmen voorzegd is.
Dat die wereld aan ons menschen onderworpen is, dat zien wij nog niet; veelmeer worden wij gewaar, hoe wij onderworpen zijn aan allerlei lijden van zonde en dood, en wat ellendige menschen en Adamskinderen wij zijn; ja, dat er niets van ons werd, zoo God Zich niet over ons ontfermde.
Maar éénen mensch zien wij gekroond met eere en heerlijkheid, en die mensch is JESUS. Edoch, die krooning is alleen gekomen , doordat Hij den dood geleden heeft. Hij is een weinig minder gemaakt dan de engelen, om voor allen den dood te smaken.
Betaamde dat God, Hem dien dood te laten smaken? Waarom niet ? Uit God en door God den Vader zijn alle dingen, die meewerken moeten tot onze zaligheid.
Wij zijn tot lijden gesteld ; dat is ons uit genade gegeven, opdat wij met de wereld niet omkomen, maar de zaligheid beërven.
Het is vooral het moeilijk lijden van zonde en dood, dat wij hebben door te maken.
Dat is een bewijs, dat wij kinderen zijn.
En daar staan wij niet alleen. Velen zijn het, wien het alzoo gaat.
Zoo leidt ons de Vader tot heerlijkheid; toch gaan wij den weg dezes lijdens niet alléén, — dan kwamen wij er niet.
Wij hebben eenen oversten Leidsman ter zaligheid.
Zie nu, hoe het God den Vader betaamde, dat die Leidsman met ons in al het lijden en al de bezwaren van den weg niet alleen deelde, maar de spits er afbrak.
Zoo is Hij ons een volkomen Leidsman geworden.
Hij heiligt ons door lijden, en zoo worden wij geheiligd , om in de eeuwige heerlijkheid eens gelukkig binnen te komen.
Hij en wij zijn van éénen Vader, en daarom schaamt Hij Zich niet, ons, sukkelaars op den weg en zware lijders „broeders" te noemen; en met dat „broeders" moedigt Hij ons aan, den weg ten einde te loopen.
Hij is met ons en bij ons en in ons op den weg des lijdens, en toch . . . Hij is ons al vooruit, en binnen, en trekt ons Hem achterna tot Zich.
Zien wij bij ons lijden op Zijn gekroond-zijn, — wij zullen met hem gekroond worden, en dan, en dan ligt alles aan onze voeten, wat ons hier zoo gekweld heeft op den smallen weg naar het hemelsche Kanaän.
16 December 1866.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Gedachten over Hebr. 2 vs. 5—12 en Ps. 8.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken