Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 2. (Vervolg).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 2. (Vervolg).

8 minuten leestijd

Vs. 3. 4. En Hij zeide tot mij: Menschenkind! Ik zend u tol de kinderen Israëls, tol de rebelleerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hunne vaderen hebben overtreden tegen Mij lot op dezen zeiven huldigen dag. En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zoo zegt de Ileere IIEERE!
God kent Zijn volk beter, dan zij zichzelven kennen, en het is Zijne genade, dat Hij het hun zonder omwegen zegt, wie zij zijn, en als hoedanigen Hij hen kent. Hij kent hen als opstandelingen en overtreders Zijner heilige geboden van hunnen wortel af. Gelijk hier bij Ezechiël, zoo is liet ook bij Jeremia; immers dáár luidt de Godsspraak: „Van dien dag af, dat uwe vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op dezen dag, heb Ik tot u gezonden al Mijne knechten, de Profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Doch zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hunnen nek verhard, zij hebben het erger gemaakt (Jan hunne vaders. (Jer. 7 : 25, 26.)
De kinderen hebben zich dus geenszins te beroemen tegenover hunne vaderen, het ging veeleer van kwaad tot erger. De waarheid van 's Heeren woorden is in hunne geschiedenis wel gebleken. En de waarheid van deze woorden Gods, die om onzentwil nog geboekstaafd Btaan, en die ons zeggen hoe het oordeel des Heeren over ons is, kan ook uit onze geschiedenis blijken. Wie onzer durft zich met eene goede conscientie beroemen, dat hij het er beter heeft afgebracht dan de vaderen ?
Ezechiël hoort het nu uit den mond des Heeren , tot hoedanig een volk zijn God hem zenden zal. Heeft hij nog geslachtsroem gehad als Israëliet, als Hebreër uit de Hebreën, — bij het geloof aan deze waarachtige woorden Gods is die wel verbrand en tot asch vergaan.
Dat is het volk, waartoe Ik u zend; zóó is het en niet anders, en nochtans zend Ik u tot hen, want Ik heb Mijne betrekking tot dat volk niet opgegeven: Ik toch ben de HEERE, Jehovah, de God Abrahams, de God Izaks en de God Jakobs, de God des eeds en des verbonds, —Mijn zaad behoud Ik nochtans in het midden van hen; daarom toondo Ik u, o menschenkind, de heerlijkheid Mijner genade. Die heerlijkheid hebt gij gezien en bekend. Nu zult gij Mijn getuige kunnen zijn, en zult het ook zijn.
Gij zult echter tot hen niet komen in u w e n naam, ook niet met uw woord, naar de gedachten van goed en kwaad, die gij over hen maakt of gemaakt hebt, maar gij zult komen tot hen in Mijnen Naam, met Mijn Woord en Mijne gedachten, die Ik over hen heb. Gij zult tot hen zeggen, niet: zoo zeg ik, of: zoo zeggen de ouden; — zoo zegt Mozes, of: zoo zegt deze of gene hooggeachte Profeet, maar: „zoo zegt de Heere HEERE!" die doet, wat Hij zegt, almachtig en waarachtig , rechtvaardig en getrouw als Hij is.
Zoo is nog heden de roeping van allen, die het Woord bedienen in de Gemeente. Zij hebben den volke niet te verkondigen hunne meening, hunne gedachten, hun woord, maar het Woord dos levenden Gods, zuiver en rein, en de Gemeente heeft zich alleen aan dat Woord te houden, onverwrikt, zich daaraan geheel te onderwerpen, onvoorwaardelijk.
Doet zij dat niet, dan behoort zij tot de rebelleerende volken, tot het volk van zware ongerechtigheid.
Zoodanige onderwerping aan des Heeren Woord gaat echter niet zoo gemakkelijk; Ezechiël behoeft zich met zulk eene hoop niet te vleien. Zjjn God wil hem bewaren voor al te grooto teleurstelling; voor het moedeloos opgeven der prediking, als het hem mocht toeschijnen, dat hij op rotsen ploegt. Trouwens al des Heeren knechten zjjn Gode een goedo reuk Christi, beide in degenen, die het Woord hooren en zalig worden, als in degenen, die, ongehoorzaam zijnde, zich verharden en verloren gaan.
Vs. 5. En zij, zoo zegt de Heere verder, hetzij dat zij het hooren zullen, o/ hetzij dat zij het laten zullen, (want zij zijn een wederspannig huis) zoo zullen zij weten, dat een Profeet in het midden van hen geweest is.
God komt dus met Zijn woord en doet het hooren in het midden van een krom en verdraaid geslacht, in liet midden van een wederspannig huis, in het midden van een volk, dat murmureert tegen Hem en Zijne gezanten, gelijk Israël gemurmureerd heeft tegen Mozes en tegen Aaron in de murmureering van Korach, üathan en Abiram; in het midden van een volk, hetwelk zegt tot de zieners: ziet niet! en tot de schouwers: schouwt ons niet wat recht is! spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen!
En is het niet nog alzoo? Is het bij ons niet als bij Israël?
Willen ook wij niet liever bedrogen zijn door onze profeten, dan geholpen en gered wezen door de waarheid Gods, omdat deze diepe insnijdingen bij ons maakt, ons onze eigene gerechtigheid en vroomheid ontdekt en ons onze lieve lusten ontneemt? Eenen profeet, die ons vleit, zullen wij hooren en achten; eenen profeet daarentegen, die ons niet vleit, zullen wij niet hooren en verachten. Deed de Ileere God naar onzen dwazen lust, Hij vertrok met Zijn Woord, — zeker wel het zwaarste oordeel, dat over een volk komen, en dat eenen mensch treffen kan, — want „wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!" — doch dan hadden wij r u s t , althans naar onze meening.
De Heere God doet dit echter niet; Hij blijft aan Zijne erfenis gedenken, al is zij vol van dwaasheid en rebellie; de senade zal toch triomfeeren, het recht van Gods waarheid zal toch gestaafd worden; het volk zal toch tot de erkentenis komen, zoowel zij, die het Woord gehoord en er zich onder gebogen, als zij, die het Woord gehoord, doch zich er tegen verhard hebben, dat er een Profeet, dat de waarheid Gods in het midden van hen geweest is. Alle mond wordt gestopt, de Heere God wordt gerechtvaardigd, Zijn overblijfsel wordt behouden.
Vs. 6. En gij, menschenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hunne woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hunne woorden niet, en ontzet u niet voor'hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.
Ezechiël, dat menschenkind, is als een kind ter school genomen door den éénigen Meester, die de roepiug Zijns leerlings kent, en die hem geheel voor zijne roeping kan bekwamen; Hij zal hem lessen van levenswijsheid geven, onmisbaar bij eene trouwe vervulling van het ambt, waarin Hij wil, dat Zijn leerling zal optreden; — of wilt gij een ander beeld: Ezechiël is bij de hand genomen door den eenigen trouwen Leidsman, met Wien hij eenen voor hem onbekenden weg zal betreden; die Leidsman kent den weg , en wil het hem, die geroepen is met Hem op te trekken, niet verheden, dat die weg gaat over hoogten en door diepten, vol is van strikken en kuilen, bezet is met doornen en distelen; dat het dus een weg is, die door allerlei hindernissen en gevaren wordt gekenmerkt.
De Profeet des Heeren heeft eenen weg te bewandelen rechtstreeks tegen vleesch en bloed in. Dat weet zijn trouwe Meester, en het vordriet IIem daarom niet, Ezechiël meer dan eens hetzelfde te zeggen (zie Yers 3—7), opdat hij temeer zou verzekerd zijn van de waarheid, die uit den mond des Heeren tot hem kwam. Zoo zegt Paulus, vol des Heiligen Geestes, de Gemeente te Filippi leerende : „Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker."
Ezechiël kon zich nu van twee dingen verzekerd houden: in de eerste plaats van den geestelijken dood, waarin de massa zijns volks gezonken lag, zoodat hij van hen niets zou mogen verwachten, maar alleen het oog zou hebben te slaan op zijnen Zender en de vrijmachtige werking Zijns Geestes; en in de tweede plaats van het gevaar, waarin zijn persoon door de trouwe prediking van het Woord zou verkeeren, zoodat hij van niemand anders dan van dienzelfden Zender, zijnen Heere, heil had te verwachten, aan Wien h[j zich vrij en onbedongen had over te geven naar ziel en lichaam beide.
Door al het gehoorde was bij don Profeet vreeze ontstaan; reeds had hij het gevoeld, tegen wie hij met het Woord had op te trekken, nl. tegen dezulken, die zicli aan het Woord, niet zouden onderwerpen, maar die hetzelve zouden tegenstaan; wier woorden hem zouden steken als scherpe doornen, en die door hun venijn als giftige schorpioenen hem zouden trachten te dooden, wier aangezicht het zou toonen, dat zij tegen hem ontstoken waren.
Een Godsgezant, indien hij het in waarheid is, staat steeds als een getuige des Heeren tegenover een wederhoorig volk, een volk, waarvan de Heere Psalm 95 zegt:
'k Heb aan dit volk, dat Mij vergat,
Een langen tijd verdriet gehad,
Ja veertig jaar hun hoon verdragen,
En zei: „dit volk, dat steeds Mij sart,
Heeft een verdwaasd en dwalend hart;
't Schept in Mijn wegen geen behagen."
Is het wonder, dat vreeze zijn hart vervult? Evenwel daarom zegt zijn God tot hem: „Vrees niet!"
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 2. (Vervolg).

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 maart 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken