Bekijk het origineel

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Jesus van den duivel verzocht. (Vervolg.)

7 minuten leestijd

III. Hoe de Heere Jesus gestreden en overwonnen heeft.
Jesus heeft in de verzoeking stand gehouden, Hij is uit dien geweldigen strijd zegevierend te voorschijn getreden, de duivel is door Hem te schande gemaakt en ter helle verwezen.
Maar nu de vraag: h o e heeft de Heere dat gedaan? heeft Hij zulks gedaan in Zijne G o d d e l i j k e a l m a c h t ? Voorzeker belijden wij, dat geen bloot schepsel, maar alleen Hij, die, waarachtig en rechtvaardig mensch zijnde, nochtans sterker dan alle schepselen, d. i. w a a r a c h t i g God is, der oude slang, den duivel, den kop vermorselen kon; daarmede is echter niet het h o e Zijner overwinning aangetoond, toen Hij op deze aarde van den duivel verzocht werd. Het gaat om de vragen:
h o e heeft onze Heer en Heiland tegenover den verzoeker gestaan, in w e l k e k r a c h t ? en w e l k e gewisheid had Jesus in de dagen Zijns vleesches daarvan, dat Hij de Zone Gods was, en op w e l k e w ij z e heeft Hij de gemeenschap met den Vader geoefend en bewaard? Wij antwoorden: door geene andere kracht, in geene andere gewisheid en in geene andere gemeenschap is do Heere Jesus bij dat alles werkzaam geweest, dan s t e u n e n d e op het W o o r d ; de Heilige Geest, die op Hem was, heeft Hem in het geloof aan het g e s c h r e v e n e W o o r d doen standhouden. Immers, Hij had Zichzelven vernietigd (Fil. 2), Hij was voor een weinig tijds minder gemaakt dan de engelen, Hij was Zijnen broederen in alles gelijk geworden (Hebr. 2), ofschoon Hij zonde gekend noch gedaan heeft. Dewijl Jesus g e w o r d e n was, w a t wij z i j n , Zich vrijwillig, geheel, in onze plaats voor Gods gericht gesteld hebbende, lag er tusschen Hem en don Yader dezelfde klove, welke er tusschen God en den van Hem afgevallenen mensch ligt; dat is dus eene klove, zooals er tusschen v l e e s c h en G e e s t is. Dat Hij (Hebr. 1 : 4) den Naam „Zoon" geërfd heeft, dat Hij (Hebr. 5 : 7 , 8) in de dagen Zijns vleesches, gebeden en smeekingen tot Dengene, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende en verhoord zijnde uit de vreeze, hoewel Hij de Zoon was, g e h o o r z a a m h e i d g e l e e r d heeft uit hetgeen Hij heeft geleden, — dat getuigt ons, dat Hij den Naam „Zoon Gods" en daarmede Zijne „Goddelijke heerlijkheid" heeft afgelegd, en hier in deze wereld was in „onze krachteloosheid en ons van God-ontledigd-zijn." Als Z o o n des m e n s c h e n , Die de zonde en ellende, de schuld en straf des menschen op Zich genomen en gedragen heeft, Die den ganschen toestand des van God afgevallenen menschen aanvaard heeft, was' Hij hier beneden, en moest zóó, ook hier in deze verzoeking, door alle zichtbare en onzichtbare machten, die tegen God zijn en van Hem scheiden en afvoeren, heenbreken, Zich er door worstelen alleen met het geschrevene Woord. Dat Woord was Zijn licht, Zijne kracht, Zijn wapen. Zóó heeft Hij het geloof aan den Y a d e r , Z i j n e n Vader bewaard; zóó heeft Hij volhard in het geloof: Ik ben de Zoon. In geen anderen weg, op geen anderen grond hoeft Hij ook in de drievoudige verzoeking des satans gestaan en heeft met Zijn driemaal herhaald: „daar staat geschreven" overwonnen; en zóó juist heeft Hij Gods Woord, dat de duivel bij alle Adamskinderen verdacht en veracht heeft gemaakt, tot eere gebracht en gehandhaafd; zoo heeft Hij ons, die het Woord Gods ons hadden laten ontrooven, weêrgebracht, opdat het ons zij, wat het is: „een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad."
In deze verzoeking dan — waarlijk geen schijn of spel, maar een strijd op leven en dood, — stond aan den Heere Jesus niet Zijn „Zoonschap", niet Zijne „Godheid" ten dienste, maar aan onze zwakheid onderworpen, moest Hij lijden en strijden e n . . . h e e f t o v e r w o n n e n ; hoe? door Zijn geloof heeft Hij gezegepraald, d. w. z. Hij heeft Zich vastgeklemd aan het g e s c h r e v e n e W o o r d , Hij heeft Zich gehouden aan de Wet Zijns Vaders, die Hij in Zijn binnenste droeg, Iljj heeft zonder zonde den wil Gods gedaan, is vah God en Diens Woord geen oogenblik afgegaan. Ofschoon Hij niets voor oogen had, dan wat met het „Zoon Gods te zijn" in strijd was, heeft Hij toeh niet losgelaten het geloof: „Ik ben de Zoon". Hoe waarachtig, reëel Hij gezonken was in de ellende en zwakheid, waarin wij door onze zonden ons gestort hebben, — onwederlegbaar en duidelijk zeggen het ons de woorden van Mattheüs: „En zie, de engelen zijn toegekomen en dienden Hem". Of waartoe anders deze komst en dienst der engelen, dan om den Zone Gods, die een wijle minder gemaakt is dan de engelen, in d e z e Z i j n e z w a k h e i d om o n z e n t w i l, van Gods wege te dienen met de goederen des hemels? Zie, deze dienaars Gods, die nacht en dag rondom Zijnen troon zijn, om op Zijne wenken zich heen te spoeden, werwaarts Hij hen zendt, kwamen tot Jesus, om Zijn afgematte lichaam lafenis en verkwikking te bieden, en Zijner gefolterde ziel kracht en vrede toe te brengen, en dan, ja dan ook, om Hem toe te ruischen en te vervullen met den juichtoon, het vreugdelied des hemels over Zijne doorstredene worsteling, om Hem te toonen de palmtakken der overwinning, de kroon der eere op den volbrachten strijd. Kon, om zoo te zeggen, de hemel van blijdschap niet in den hemel blijven, toen de Christus, de Zaligmaker der wereld, geboren werd, maar werd in Efrata's velden de lofzang aangeheven van eene menigte des hemelschen heirlegers, zeggende: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen", — ook hier, na den voleindigden strijd, na zoo glorierijke overwinning, juichte de hemel. In d e n s t r i jd toch had Jesus alléén gestaan, de Vader had Zijn aangezicht voor Hem verborgen , en „de engelen stonden stil en sidderden bij een treffen, waarbij hemel en hel als op elkander stieten;" —- maar nauwelijks is de strijd beslist, de satan weggewezen, of de engelen dalen neer uit denhoogen, om den Overwinnaar te dienen — den Z o o n te dienen als hunnen Heer, gelijk zij den V a d e r dienen.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken