Bekijk het origineel

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Jesus van den duivel verzocht. (Slot.)

7 minuten leestijd

IV. D e n u t t i g h e i d en t r o o s t v a n de o v e r w i n - n i n g d e s H e e r e n J e s u s v o o r Z ij n e G e m e e n t e .
Alle menschen zijn aan de verzoeking onderworpen, en hun hart is eene opene deur voor den satan. De verzoekingen zijn vele en velerlei; toch laten zij zich in hare onderscheidene gedaanten samenvatten in de d r i e v o u d i g e verzoeking, aan welke do Heere Jesus wilde onderworpen zijn, die Hij heeft doorgestaan. Is er geen menschenkind, dat niet toegankelijk is voor satans list en leugenen, — ook niemand is er, die niet gewillig luistert naar zijne stem, en niemand, die inde verzoeking niet bezwijkt. In den nood niet te wantrouwen aan Gods vaderzorge en niet tot zelf-hulpe en redding de toevlucht te nemen, bij wien der Adamskinderen is en wordt dat gevonden?! Och, allerlei dingen, waagstukken zelfs te ondernemen om zich het doorkomen door deze wereld te verzekeren, dat is aller menschen gezindheid en bestaan. De mensch keert het woord des Heere Jesus: „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid" om, en zegt: eerst brood, en dan God en Zijne wegen. — In hoogmoed dingen te spreken of te doen, buiten den aangewezen kring te gaan, uit den weg, waarin God Zijne schepselen plaatst, uit te treden, wat groots te willen zijn in staat, in kerk, in stad en land, daarnaar streeft de mensch, die de plaats o n d e r God niet wil, maar zelf regeeren wil; ook is er niemand, die de wereld en hare begeerlijkheid, 't zij in goddelooze of vrome gestalte, niet lief heeft, die niet voor hare heerlijkheid de knie heeft gebogen en buigt. Geld en goed, eer en roem, wijsheid en heiligheid der wereld, wier overste de duivel is, zijn de afgoden, die wij menschen naar onzen aard aanbidden; en komt satan met deze verzoekingen tot ons, dan bewonderen, vereeren, huldigen wij hem, vallen hem te voet en geven ons over aan zijnen wil. Niet alleen, dat wij zulks in en met Adam gedaan hebben, maar ook voortdurend doen wij het, tenzij de Almachtige ons weerhoudt en bewaart. De Eénige, op Wien de verzoeking geene macht had, is de Mensch Christus Jesus, die, hoewel Hij in werkelijken nood, in ellende en ontbering was, — in onze armoede, zwakheid en hulpeloosheid, — nochtans Zich hield aan het Woord Gods, nochtans g e l o o f d heeft, ofschoon Hij niets zag dan het tegenstrijdige.
Nu komt de geloovige op gelijke wijze, als de Heere Jesus, in den nood der aanvechting en bestrijding; het gaat met de Gemeente des Heeren langs dienzelfden weg, ieder liarer leden heeft denzelfden strjjd te voeren; de duivel met zonde en wereld in verbond houdt niet op met de verzoeking, en ach, het onderliggen en de ondergang is gewis ook van de geloovigen, — op zichzelven zijn zij niet bestand tegen de verzoekingen, neen, zij zijn het ongeloof, den hoogmoed, het bijgeloof niet te boven gekomen. Geen kind Gods is, aan zich-zelven overgelaten, veilig voor de verleiding des satans. Op wedergeboorte, bekeering, geloof enz. kan men niet rusten, niet steunen; hoe lichtelijk is men verleid door eene influistering als deze: indien gij kind Gods zijt, welnu, toon het dan eens met dit of dat geloofswerk ; en hoe gevaarlijk is satan, als hij zich vertoont onder een vroom masker, als hij komt in gedaante van eenen engel des lichts, — de witte duivel, zei Luther, is nog wel zoo gevaarlijk als de zwarte; wien zal hij niet in zijne helsche strikken vangen, als hij komt met schijn van waarheid en gerechtigheid ? wie laat zich niet betooveren en verblinden door do heerlijkheid, die de god dezer eeuw hem biedt?! Neen, wij zullen niet bestaan op en door ons zeiven; wie dat meent, is reeds door de leugenen des duivels verblind.
Hoe nu in zulke verzoeking toch geen buit des duivels ?
Zie hier de macht van het standhouden, d. i. van het niet overwonnen, niet verslonden worden door de verzoeking des satans: de o v e r w i n n i n g des H e e r e n J e s u s C h r i s t u s.
In Zijnen strijd heeft Hij niet voor Ziclizelven gestreden , maar voor Zijne Gemeente. In Zijne overwinning heeft Hij de zegepraal Zijns volks aangebracht. In Z ij n staande-blijven in geloove, in Zijn Zich vastklemmen aan het Woord, heeft Hij al de Zijnen er doorgeworsteld, die armen en ellendigen, die daar hulpeloos, nooddruftig en weerloos in zichzelven zijn. De duivel is overwonnen, de zege is behaald door den H e l d Gods vooral de Zijnen. Geen macht, die hen aan Hem ontrukken kan. Zoo is het voor de gansche Gemeente van Christus de steun en de sterkte in haren nood der aanvechtingen, en strekt tot moed en troost in den weg van lijden en strijd, dat zij eenen Heer en Heiland heeft, van Wien dc Heilige Geest in haar midden geeft te getuigen: „want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden , maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde." (Hebr. 4: 18). De verzoeker, de satan, vijand Gods en Cliristi en daarom van Zijne Gemeente, is o v e r w o n n e n : maar omdat hij niet v e r n i e t i g d is, gaat hij nog steeds voort te woeden en te grimmen tegen al wat des Heeren is. Doch, geen nood voor des Ileeren Jesus knechten; zij hebben een machtig wapen, dat zeker treft, — neen, niet hunne wapenen der wijsheid en heiligheid, deze zijn terstond door den vijand in stukken geslagen, en de arme hoop valt in zijne sterke pooten; het wapen, dat de Heere Christus voor de Zijnen gehanteerd en hun in handen gegeven heeft is: h e t g e s c h r e v e n e W o o r d Gods.
Maar kunnen wij daarmede nu goed omgaan ? Neen, dat verstond wel de Heere Christus alléén, en Hij heeft het in o n z e p l a a t s en voor o n s gedaan. Maar doet Hij het dan door Zijnen Heiligen Geest ook niet in ons? j a , gewis, alzóó dat Hij ons leert, langs den weg van een opgeven voor en na met ons zeiven, t e b e r u s t e n in Z i j n e o v e r w i n n i n g , en daarvan te getuigen tegen zonde, dood, wereld en duivel, te getuigen en in dat getuigenis te volharden: de Heere Jesus Christus heeft overwonnen ! dat staat geschreven hier op het Bijbelblad.
Zoo vertroost het heilige Evangelie ook in deze geschiedenis de Gemeente met den troost Gods: „dat haar strijd vervuld is", en hart en mond, geopend tot des Heeren lof, stemmen samen in den lofzang ter eere van den nooit volprezen Naam van Christus Jesus den Heere, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Tot verklaring van het Evang. Matth. IV : 1—11.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 april 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken