Bekijk het origineel

Over den sabbat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over den sabbat.

10 minuten leestijd

De Sabbat is Gods Sabbat en blijft het eeuwiglijk; Gods vreugde, dat Zijn werk volbracht is, Zijn welgevallen aan dat, wat Hij geschapen heeft.
Hoe nu? Gij vraagt, waarom God de gedachtenis van dezen dag niet heeft weggenomen ? Immers het is ons een dag van rouw, een dag van klagen en weenen, want de Schepping Gods, die Hij volkomen en goed geschapen heeft, hebben wij verwoest, zoodat zij gansch verdorven en nu afschuwelijk geworden is, terwijl zij te voren heilig geweest was. — Want zoodra wij niet zeiven in het woord en den wil van God, onzen Schepper, gebleven zijn, hebben wij ook met ons alle gaven Gods en de gansche schepping, over welke Hij ons gesteld had, in het verderf gestort en te schande gemaakt.
Waarom heeft nu God niettemin aan Zijn volk Zijne Sabbaten gegeven door Zijnen dienstknecht Mozes ? Dat heeft ons God zelf verklaard met dat Hij ons het gebod van den Sabbat gaf.
I.
Voorzeker zijt gij veroordeeld tot den dood, veroordeeld tot een leven van ellende, tot moeite en verdriet! •— maar uwe moeite zal een einde nemen, en genade zal u geschonken worden in al uwen kommer. Verheugt u, dat God, hetgeen Hij schiep, volkomen geschapen heeft ! Is ook uw vrede weggenomen, d i e vrede zal nochtans welbewaard blijven, dat uw Schepper, de Allerhoogste en Algenoegzame, niet afhankelijk is van Zijn werk, dat Hij de Volmaakte gebleven is, die Zich in Zijnen vrede verheugt, en Zich niet schaamt, Zich ulieder God te noemen. — Uwe Sabbaten zijn te niet gegaan, — Gods Sabbat is gebleven, en de gedachtenis deszelven zal bestaan.
II.
Zoo gedenkt dan nu Mijne Sabbaten, dat gij niet met uwe werken weder herstellen wilt, wat door uwe ongehoorzaamheid verdorven en vernietigd is ! Zes dagen zijn u tot den arbeid voldoende; dat gij u toch niet voorneemt, ook den zevenden dag tot uwen arbeid te bestemmen. Het zal u veroorloofd zijn van uwen arbeid te rusten; laat dan varen en vergeet uwen arbeid; wisch het zweet van uw aangezicht af, gij Israëliet! werp uwen knechtelijken dienst achter uwen rug, kwel u niet altijd, gij mensch Gods! Onttrek uwe schouderen aan het j u k ! — rusten zullen de handen, rusten de voeten, en vestig uwe oogen toch niet langer op het om uwentwille vervloekte aardrijk! Heb rust, Mijn zoon, en hoor — Ik vraag u : verneemt gij dan niet een woord der bevrijding in uwe zonden 'en overtredingen, een woord der genade bij den toorn , eenen troost bij alle verschrikking ; een woord der toezegging aan u, dat het eenmaal geschieden zal, dat weggenomen zullen worden de ergernissen, geheeld zullen worden de krankheden, hersteld zal worden, wat gij verdorven hebt, en weer in het leven teruggeroepen , wat aan den dood overgegeven is ?
III.
Gedenkt — en vergeet zulks toch geenszins — dat dit de eenige heiligheid is, die God geheiligd heeft. Het welbehagen Gods aan Zijn werk, de vreugde Gods, dat Zijn werk volkomen i s , — maakt heilig en geheiligd, en er is geen zegen en geene heiligheid, die niet zou voortgekomen zijn in het Woord der gerechtigheid uit het welbehagen Gods. Dit is die heilige en gezegende dag, op welken God gerust heeft van al Zijnen arbeid, dien Hij gedaan en volbracht had. De mensch wijke niet af van dit vaste en eenige fundament, hij geve zich niet over aan de zorg en de onrust van den twijfelende! Vast sta het geloof, en er blijve de gedachtenis, dat God, onze Schepper, de eenige Vader van den zegen en de Oorzaak der heiliging is. Hij is het, die gezegend heeft; Hij is het, die heilig zijn wil, en verklaard heeft heilig te zijn. Het berouwt God niet, dat Hij vrijgevig geweest i s ; dezen dag neemt geene nacht weg, maar eensklaps breekt hij aan, en zijn licht is als de middag. De heilige God heiligt ons, die zondaren zijn, en maakt rein ons, die bevlekt zijn: De Heere verblijdt Zich over de werken Zijner handen in alle eeuwigheid.
IV.
Er blijft alzoo nog eene rust over voor het volk Gods. Maar waarin bestaat deze rust ? vraagt de beangstigde en bedroefde mensch. Als men van de eigene werken afstand zal doen, als er in ons geene bekwaamheid is om te herstellen, wat verdorven is, en aan te brengen, wat toch aangebracht moet worden, waar wijst men mij het fundament, waar is dan dat volkomene werk gedaan, waarin wij zouden kunnen rusten met vreugde en in waarheid ? Wat bevrijdt mij van die inwendige bestraffing van den Goddelijken toorn? Wie neemt dien prikkel weg, die kwelling, waardoor ik mij steeds, ook tegen mijnen wil, tot werken zie aangedreven ? Wie eindelijk geeft mijnen oogen licht, mijnen beenderen sap, aan mijn lichaam bloed en mijner ziel olie, dat ik het waag, voor het aangezichte Gods te treden, dat over mij lichte de Zon Zijner gerechtigheid? Want er is geen vrede op aarde, indien er niet eere is Gode in de hoogste hemelen; en geen welbehagen in menschen, als niet de Zoon des menschen Gode heeft wedergebracht, wat de mensch Hem ontroofd heeft, namelijk de vreugde in Zijne werken. God heeft evenwel behagen in het geloof, en het is Zijne vreugde, dat Hij met eere, heerlijkheid en iederen zegen dengene vervult en bekroont, die Hem als Yader en Ileere erkent, en als de eenige Bron van zaligheid en leven in eere houdt in het aanzien van hemel en hel, van wereld en engelen, al spreekt ook alles tegen. Voor mij is er tot in eeuwigheid geen ophouden des arbeids, geene rust, geen Sabbat, als ik niet een volkomen werk heb, waarin ik rusten kan, opdat ik niet verzinke in den dood en niet verslonden worde door den afgrond ten dage der verschijning en van het groote Licht, ten dage Gods en mijns Heeren.
V.
God weet het wel, dat wij moeite en arbeid verloren hebben en toch den Sabbat niet houden kunnen. Waar gij het dan in uw binnenste van ganscher harte gevoelt, dat gij zonder vrede en zonder rust zijt, van alle gerechtigheid ontbloot en van alle heiligheid beroofd zijt, j a , dat gij niet eens het geringste werk tot den zevenden dag brengen kunt, hoe vele zondaren moet de zevende dag vinden, hoe velen dood in overtredingen, hoe velen treurende, machteloos en der wanhoop ten prooi, aan wie het toch ernstelijk bevolen is: Gij zult niet verder met uwe handen en uwe voeten voor God arbeiden en de vruchten uws werks voor God willen brengen — neigt veeleer uwe ooren, gij vermoeiden en belasten, en neemt den troost aan, gij bedroefden. — Gods Sabbaten zijn u gegeven in uwe ellende en bij het zwaarste verlies aller dingen. Ofschoon ook alles verloren is, het is weder opgericht. Want zevenmaal heeft God tot Abraham gezegd : In uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, en driemaal herhaalt Hij Zijnen eed. Nu is voorwaar Gods Woord zeker en volmaakt; in de toezegging Gods ligt vrede en alle rust ingesloten, en op den zevenden dag verlaat u het woord niet, dat God zelf met eenen eed bekrachtigd heeft, zoo dat wij de onwrikbaarste fundamenten des heils en des zegens hebben. Maar wegens dat van God beloofde Zaad zijt gij het volk Gods, het heilige en koninklijke priesterdom, en deze Sabbaten zult gij houden, — het zij eene eeuwige inzetting in Israël. In de eerste maand, tusschen de twee avonden, als de dag daalt, en de nacht nadert, — als de zon ondergegaan is, en de maan nog niet schijnt, op den veertienden dag der maand, zult gij zeven dagen vieren; de eerste en de zevende zij een Sabbat; want vrede zal zijn den ingaanden en den uitgaanden, en zegen bij den aanvang als in het einde. In die dagen hebt gij het Pascha des Heeren, gij zult uwer verlossing gedachtig zijn, dat God u gespaard heeft in de ure des toorns en der vergelding. Want door het bloed des onbevlekten Lams zijt gij verlost uit de dienstbaarheid der doode werken en heeft uw God u uitgevoerd met eene sterke hand en eenen uitgestrekten arm uit deze halsstarrige en verstokte wereld en heeft de vloeden der zee over uwe vijanden en vervolgers gevoerd, dat Hij Zich eenen grooten Naam maakte, en dewijl Hij u heeft liefgehad boven alle tenten van Eedar. Verheugt u en juicht, brengt Gode de eerstelingen, want Hij heeft u verschoond en het Lam der verzoening gegeven. Van dien dag af — want dit zij uw begin en de tijd des heils — zult gij zevenmaal zeven dagen tellen — dan zijn de garven vol, en de vruchten rijp en aangenaam voor God en het Lam. En in de zevende maand op den veertienden dag- zult gjj uitgaan en juichen, want er zal eenmaal een tijd komen van de hoogste vreugde en van groote rust, waarop gij uw huis verlatend, in de eeuwige tabernakelen zult ingaan, die u bereid zijn. Bewaart uwe Sabbaten!
VI.
Houdt daarom in gedachtenis het Lam, voor u geslacht, gedenkt daaraan dag aan dag voor den Heere! twijfelt niet aan de onbevlekte en volkomene heiligheid ongerechtigheid van dit Lam, voor u aangebracht. Twijfelt niet aan uw priesterdom, aan de onverbrekelijke en onbedriegelijke waarheid van het gansche ambt en werk der heiligheid, hetwelk God ingesteld en verordend heeft, opdat allen verzoenden gered zouden worden, die daar ellendig en verslagen zijn. I)e zevende dag der zevende maand zij u gesteld en gegeven, opdat, door welke zonden gij ook met alle recht der verdoemenis en den duivel ten buit geworden zijt, u nochtans vergeving aller zonden, h e i l , zegen en leven geschonken worde, van den troon der genade, die daar staat in het binnenste Heiligdom.
VII.
Hij echter, onze Heere en Verlosser, die alleen den Sabbat Zijns Vaders gehouden heeft, Hij heeft, nadat Hij onze zonden door Zijn bloed uitgedelgd en den Vader volkomen gehoorzaamheid gebracht heeft, in het graf rust verworven van den arbeid Zijner ziel in onze plaats. Vandaar, dat nog eene rust blijft voor het volk van God, en een nieuwe dag breekt aan , de eerste der Sabbaten , — de achtste dag heft den zevenden op. Op den achtsten dag wordt alles besneden , wat uit het zaad van Abraham is, al het mannelijke. Daar zal geene kracht om voort te brengen meer wezen; zij zal geheel teniet gedaan en weggeworpen zijn. Vrees niet de smarten der besnijdenis. Juist waar gij zoo in uw bloed ligt, wordt u toegeroepen: Gij in uw bloed zult leven! — Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? Uit de dooden is Jesus opgestaan! Een dag der genade, de dag des Heeren is het, welken wij mogen aanschouwen door Zjjne goedheid. Hallelujah!

(In het Latijn geschreven door Prof. JOH. WlCHELHAUS.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 mei 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Over den sabbat.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 mei 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken