Bekijk het origineel

Hoofdstuk XII. De belangrijkste geschriften van Dathenus. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk XII. De belangrijkste geschriften van Dathenus. (Slot.)

Petrus Dathenus, naar zijn leven en werken voor de Gemeente Gods.

6 minuten leestijd

Ten slotte vermelden wij nog eenige van Dathenus' geschriften , welke verdienen, dat zij aan de vergetelheid worden onttrokken. Waar het te pas kwam, hebben wij enkele er van reeds genoemd. In de lente van dit jaar vond schrijver dezes op de Bibliotheek der Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam het volgende uitnemende geschrift van Dathenus, hetwelk in den catalogus dezer Bibliotheek, Deel I blz. 36, mede vermeld wordt: „Het Nieuw Testament met aenteyckeningen Augusti Marlorati, met den Catechismus van den Palts door P. Dathenus, z. pl. 1568." Wie in den heerlijken letterschat der gereformeerde Schriftuitlegging van de l ö ^ e e uw bekend is, weet, dat de aanteekeningen van Marloratus, dien hoogverlichten Franschen godgeleerde en afgezonderde des Heeren Jesus, die voor de goede gereformeerde loer den marteldood gestorven is, onder do beste gerekend worden, die wij over het Woord Gods in het Nieuwe Testament bezitten. Hoe verdienstelijk heeft zich toch daarmede Dathenus gemaakt, dat hij die schatkamer door zijne overzetting in de moedertaal voor het Nederlandsche volk ontsloten heeft.
Voorts is een kostelijk geschenk: „Eene Christelijke samenspreking uit Gods Woord, (over het onderscheid tusschen Wet en Evangelie) door Petrus Dathenus," 1884 te Utrecht opnieuw uitgegeven door den Hoogleeraar I. I. Doedes. De samensprekende personen zijn Dathenus en Elizabeth, eene zuster in Christo. Diepe gedachten vinden wij daarin over deze stof, die ons dikwerf aan datgene herinneren, wat de groote godgeleerde onzer gereformeerde Kerk in deze eeuw, Dr. H. F. Kohlbrügge leert, die ons op zoo heerlijke wijze in het recht verstaan van Gods Woord heeft ingeleid. Wat echter bovenal zeer belangrijk geacht moet worden, is de omstandigheid, dat Dathenus dit voortreffelijk geschriftje te- Gent weinige weken vóór de ramp, welke deze stad getroffen heeft, in Juni 1584 geschreven heeft. Daaruit blijkt reeds zonneklaar, hoe alle beschuldigingen zijner vijanden ten aanzien van zjjn optreden in Gent, als sneeuw voor de zon moeten verdwijnen. Wie zulke woorden neerschrijven kan, waarin een door den Geest Gods voortdurend verlicht gemoed zich uitspreekt, kan geen verraderlijk, huichelachtig mensch zijn, wiens geweten bevlekt is. Zoo schrijft en denkt slechts een kind Gods!
Op gelijke wijze laat zich ook de Boekverkooper Anthoni Jansz in den Haag uit, die in 1624 dit geschrift van Dathenus voor de eerste maal in het licht gaf. Nadat hij in de opdracht van den strijd der geloovigen in dit leven gesproken heeft, gaat hij voort: „Dit ook aanmerkende de zeer godzalige en getrouwe leeraar van Gods Heilig Woord, Petrus Dathenus, zaliger gedachtenis, heeft niet alleen zichzelven hierin geoefend t maar ook gezocht anderen, zoowel mondelijk als schriftelijk hierin te troosten en te onderwijzen, gelijk dit tegenwoordigedaarvan een werkelijke getuige i s " Juist voor onzen tijd, waarin de beide Kerken der Hervorming zoo menigmaal van de leer der rechtvaardiging uit het geloof, haar hoofdbeginsel, door te jagen naar werken en door stelsels van zelf heiligmaking, zijn afgedreven, is zulk een getuigenis der waarheid r gelijk dat van Dathenus, eene dubbele noodzakelijkheid. Dat heeft ook wel Dr. Doedes gevoeld, die ons weder met eene geheel nieuwe uitgave van dit hoogst zeldzaam geworden boekjeverblijd heeft, waarvoor wij hem hartelijk danken. Wij kunnen ons daarbij het genoegen niet ontzeggen, om de treffende woorden van dezen geleerde, in zijn „Naschrift" op dat geschrift, hier te laten volgen: „Ik acht, dat Datheen's nagedachtenis schade lijdt, wanneer men dit opstel niet kent. Ik houd het voor eene zeer belangrijke bijdrage tot de kennis en juiste beoordeeling van dezen merkwaardigen man, dien men in deze Christelijke Samenspreking in een voor hem zeer gunstig licht ziet optreden. Door de lezing er van zal men , geloof i k , ongeveer denzelfden indruk ontvangen, als dien ik er reeds vroeger van ontving en uitdrukte in deze woorden : zoo bemoedigt en vertroost dan Datlieen door dit geschrift hen, die, ofschoon zij in den Heere Jesus gelooven, toch door het blijven staan op een wettisch standpunt den eenigen troost des Evangelies niet smaken. Hij doet dit niet door transactie met den onverbiddelijken eisch van het Evangelie, dat heiligheid des levens voor den belijder van Jesus Christus predikt. Dien eisch laat lijj in zijne volle kracht op den voorgrond treden. Hij doet het door Wet en Evangelie in hunne eigenaardigheid te schetsen, door de rechtvaardigheid uit de werken der wet en de rechtvaardiging door het geloof in Christus juist te onderscheiden . ..
De geest van den Heidelbergschen Catechismus spreekt door geheel dit opstel henen. . . Uit de voorrede, waarmede Fr. Lansbergius (uitgever dezer eerste uitgave en Datheen's mededienaar der Gemeente van Christus te Gent) in 1613 iets van Datheen's geschrift bij het publiek van zijnen tijd inleidde, neem ik nog het hier volgende over, waarbij men bedenke, dat hij het uitgaf onder den titel van Peerle der Christelijcker vertrooslinghe. Na gezegd te hebben, dat hij een present van eene liostelijcke Peerle komt aanbieden, gaat hij aldus voort: „Ten is gheen Peerle, die uyt den modderighen grondt der zee opghehaelt is: Maer uyt de diepe gronden des Goddelijcken woordts, in de Canonycke boeeken des Ouden ende Nieuwen Testaments begrepen. . . De salichgedachte Petrus Dathenus heeft haren glants in deze zijne troostelijcke t'zamenspreckinghe zeer heerlyck geopenbaert." — Gelezen hebbende dit boekske van Dathenus, kan men begrijpen, dat Lansbergius met deze woorden niets dan de volle waarheid gezegd heeft.
Wat de Psalmberijming van Dathenus betreft, hare groote waarde is reeds in het licht gesteld door den overleden predikant te Axel, Willem Te Water, in eene uitnemende studie in Kist en Moll, Kerkhistorisch Archief II. Deel, 1859, blz. 115 vv.
Welke werken Dathenus nog geschreven heeft, die weinig bij het nageslacht bekend zijn — Ter Haar geeft ze nog op —- zij hadden slechts waarde voor hunnen tijd; zij kunnen derhalve aan do vergetelheid worden prijs gegeven. De beide bovengenoemde en de reeds vroeger vermelde zullen nochtans in de Gemeente des Heeren voortdurend gaarne worden gelezen als trouwe getuigenissen der volle waarheid en haar in herinnering doen houden het Apostolische woord: G e d e n k t u w e r
v o o r g a n g e r e n , d i e u h e t W o o r d G o d s g e s p r o k e n h e b b e n ; e n v o l g t h u n g e l o o f n a, a a n s c h o u w e n d e d e u i t k o m s t h u n n e r w a n d e l i n g . (Hebr. 13 vs. 7.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Hoofdstuk XII. De belangrijkste geschriften van Dathenus. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 juni 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken