Bekijk het origineel

Aanteekeningen op Richteren Cap. 7. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekeningen op Richteren Cap. 7. (Slot.)

7 minuten leestijd

Vs. 8. En het volk nam den teerkost — namelijk die driehonderd — in hunne hand. Houdt wat gij hebt; eene handvol is genoeg, geene zakken vol. Yindt teerkost voor u in deze geschiedenis !
En hunne bazuinen, — do hoofdzaak. Zij hadden ze van de 22000 en van de 9700. Elk duizend had tien bazuinen.
Met de bazuinen werd des Heeren lof uitgegalmd. Des Geestes stem was hot hier in driehonderd akkoorden, — een geluid des lofs.
Hij behield die driehonderd man, — hij zegt niet: het is te weinig. Cap. 6 : 11.
Beneden in het dal. Door 's Heeren Geest vaardig gemaakt, zien wij de vijanden aan onze voeten, en staan wij in den Heere hoog boven hen.
Vs. 9. In denielven nacht. Alles wordt der wereld eens ontnomen, wat zij geroofd heeft. De doodsnacht komt; — wèl hem, dien deze nacht een nacht van volkomene overwinning is.
In uwe hand. Zoo hebben wij, die den goeden strijd strijden, slechts met overwonnen vijanden te doen.
Vs. 10. Vreest gij dan nog. Ja, wie is er zoo volkomen sterk in het geloof, dat hij niet nog zou vreezen, al zegt de Heere: „dat is voor u".
Pura, uiv jongen, — uw knecht. P u r a wordt afgeleid van een wortelwoord, dat het na den bloesem doorbreken van de vrucht beteekent. Zoo helpt en ondersteunt de hoop het geloof. Er is loon voor den rechtvaardige.
Vs. 11. Gij zuil het hooren... en gesterkt worden. De Heere laat ons hooren wat de vijanden getuigen moeten, en sterkt ons zoo door Zijnen Geest tot het verdere werk, dat in den Heere te doen is.
Toen ging hij a f . Gideon gehoorzaamde, en behoefde niet ver of' diep in te gaan.
Vs. 12. Gelijk liet zand. Welk eene groote menigte steeds en altoos tegen 's Heeren klein kuddeke!
Vs. 13. Zie, — merk er op, ik heb eenen droom gedroomd, — zoo droomde ook Pilatus' huisvrouw tot een getuigenis.
Een geroost gerstenbrood. Het gemeenste brood, en dat geroost, dus een zwak, breekbaar en geringgeacht ding. Een beeld van Christus onzen Heere. Zie Jes. 53.
Sloeg haar, dal zij viel. Psalm 83 : 13; Hab. 3 : 7. „Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid ; de gordijnen des lands van Midian schudden."
Het onderste boven. De vijanden keeren steeds met hunne leer en hun doen het onderste boven. Zoo vergeldt het hun de Heere.
Vs. 14. Dit is niet anders. Hoe snel breekt de waarheid door; al wordt zij niet geacht, ja als ten onder gehouden, zoo komt zij toch in de geesten boven.
Den Israelitischen man. Tot dusver zoo voor niets geacht. Gen. 39: 14. — God heeft...., hoe goed weten de afgodendienaars de waarheid te zeggen, zonder er deel aan te nemen of deel aan te hebben; of waarom liep de man niet over tot Gideons leger, als hij dit wist?
Vs. 15. Zijne uillegging, — die als eene schoone vrucht uit de schil kwam, waar dan de vrucht aangeboden wordt om genuttigd te worden.
Zoo aanbad hij. Dat was ook om te aanbidden. Intusschen is het merkwaardig, dat eene vertelling of een getuigenis van den vijand ons sterken moet, als de Heere het ons toch herhaaldelijk gezegd heeft, dat wij de overwinning in Hem hebben.
Maakt u op, want...., — wordt niet dit Evangelie eiken dag des Heeren gepredikt?
Vs. 16. Drie hoopen. Geloof, Hoop, Liefde, een drievoudig snoer, en de werking der Drievuldigheid. — Hij gaf. Het wordt gegeven in de hand. 2 Petri 1. — Een' iegelijk. „Niet alleen aan anderen, maar ook aan mij." Heidelb. Catech.
Vr. 21. — Eene bazuin. Beeld van vrijmoedige verkondiging des Evangelies, roem van vrije genade. — Ledige kruiken. Beeld van ons vleesch , dat niets vermag. — Fakkelen. Beeld van 's Heeren licht en klaarheid, den vijand verblindende. — In het midden der kruiken. Wij dragen zulk een schat in aarden vaten. Zie 2 Cor. 1 : 4; 4 : 7; Luk. 12 : 35.
Vs. 17. Ziet naar mij en doet alzoo. Filipp. 3: 16, 17.
Vs. 18. Voor den Heere en voor Gideon! Heerlijk komen hier God en mensch te zamen, evenals Hand. 15 vs. 28. „Het behaagt den Heiligen Geest en ons". Zoo ook Psalm 2 : 2 : „De Heere en Zijn Gezalfde."
Vs. 19. In het uiterste. Zoo vatte Mozes de slang bij den staart aan. — In het begin van de middelste nachtwaak. Als allen sliepen, de afgetredene wachters slaperig waren, en de versehe nog vol slaap in de oogen.
Zij bliezen met de bazuinen. De Heere zal dat geluid wel in de ooren des vijands verveelvoudigd hebben; de echo's der bergen daartoe hebben laten bijdragen, en het sterk bazuingeschal moest bij den vijand de gedachte opwekken, alsof er een groot leger in aantocht was. In den Spaauschen tijd was zoo één trompetter op Arnhem's wal met zijn blazen in den nacht eens genoegzaam, om eene in aantocht zijnde macht te doen vlieden.
Zij sloegen de kruiken in stukken. Eene daad, uitdrukkende de belijdenis van Rom. 7 : Ik ben vleescbelijk, — in mijn vleesch woont geen goeds; en: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen Naam geef eer. Psalm 115. — Het was om geraas te maken. En wat maakt dat een geraas onder de vijanden, als de mensch op het diepst vernederd, en God op het hoogst verhoogd wordt!
Vs. 20. Met hunne linkerhand de fakkelen en met hunne rechterhand de bazuinen , — in de eene hand het licht, hetzelve te laten schijnen; in de andere hand het recht des Heeren, hetzelve te verkondigen. Kennisse Gods en Christi en roem Zijns Naams. „Wapenen ter rechter- en ter linkerhand".
Het zwaard van den Heere en van Gideon! Het Woord des onzichtbaren Konings, onder de vijanden gebracht door eenen zichtbaren gezant. Hoezeer dit alles tegen het hoogwijze vernuft aanliep, en hoe belachelijk zulks schijnen moest voor het ongeloof, behoef ik niet te zeggen Men mag er in 's Heeren wegen over nadenken met toepassing op zichzelven. Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent!
Vs. 21. En zij stonden. Staat dan, onder de vijanden komt gij niet. — Toen verliep het gansche leger, — er blijft niet één staan, zoo gij staan blijft in 's Heeren mogendheid. — En zij schreeuwden, — Hand. 19: 32; en vloden, — Psalm 68: 2, 3; Psalm 46.
Vs. 22. Bliezen, — zwaard — en dat in het gansche leger. Vergel. Handel. 23 : 7 : „En als hij (Paulus) dit g e s p r o k e li had, ontstond er t w e e d r a c h t tusschen de Farizeën en de Sadduceën, en de m e n i g t e werd v e r d e e l d " . Voor het blazen met de bazuinen en het juichen viel ook Jericho.
Vs. 23, 24. Zoo zijn velen gereed, als zij zien, dat er geen gevaar bij is. Intusschen, eerst zijn de duizenden weggezonden; nu worden zij naar Gods ontferming geroepen, om in de volle overwinning te deelen.
Beneemt hunlieden de wateren , — dat geen hunner ontkome.
Vs. 25. Oreb en Zeèb. Oreb beduidt een raaf. Zeëb beduidt een wolf. Ps 83. — De hoofden van Oreb en Zeèb. Ps. 68: 22. — De Bolssteen Oreb, — de perskuip van Zeëb, — dat was oog om oog, tand om tand. Rotssteen, zie Cap. 6 : 2 en 20 ; perskuip, zie Cap. 6: 11.
Zoo wierpen 300 met den Heere 125000 vijanden overhoop, en er is eene volkomene bevrijding na zeven jaren dienstbaarheid.
O bazuin van den jongsten dag. 1 Thess. 4 : 16; 2 Thess. 1 : 8.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juni 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Aanteekeningen op Richteren Cap. 7. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 juni 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken