Bekijk het origineel

Uit Slavonië. (Vervolg van Correspondentie in No. 17.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit Slavonië. (Vervolg van Correspondentie in No. 17.)

6 minuten leestijd

Wanneer wij het godsdienstig loven der Ilongaarsche Gereformeerden (met inbegrip van de overgekomene Duitschers van Paltsische afkomst) met dat der Gereformeerden in de Rijnstreek, in Holland of ook zelfs in Bohemen, vergelijken, dan valt die vergelijking stellig niet ten onzen gunste uit. Over het algemeen geldt het bij ons voor het hoogste, als er uit een huisgezin eiken Zondag of feestdag één lid de kerk bezoekt. Slechts als uitzondering op den regel komt het voor, dat het Woord Gods in de huizen en in de harten zijne rechte plaats heeft. Als ik dus in het volgende er op wijs, dat er hier in den toestand der verstrooide Gereformeerden eene verandering ten goede gekomen is, moet men zich vooral van die verbetering geene al te hooge voorstelling maken, doch haar beschouwen in betrekking tot het godsdienstig leven in het moederland.
Naarmate het godsdienstig leven in de dorpen en steden van het oude vaderland hooger of lager stond, is zulks ook bij de van daar overgekomenen merkbaar. Waar de dienst des Woords getrouwer was, betoonden degenen, die daar gewoond hadden, ook eene grootere aanhankelijkheid aan de goede zaak. En als de kinderen reeds hier opgroeiden, zonder ooit eene gereformeerde school bezocht en onderricht in den Catechismus ontvangen te hebben, zoo is er tusschen degenen, die althans getrouwe ouders hadden, welke iets uit het oude vaderland medebrachten, en degenen, die evenzeer hier geboren werden, maar ouders hadden uit zulk eene gemeente, waar het ongeloof opgang gemaakt had, een zeer groot onderscheid. De Heere bewijst juist Zijne goedertierenheid ook bij de opvolgende geslachten, welke voorouders hadden, die Hem liefhadden. De zoodanigen kwamen dan ook op de eerste roepstem en meldden zich vanzelf aan, terwijl anderen, toen zij reeds goed wisten, dat ik voor hen hierheen gezonden was, zieh nochtans niet, of slechts langzamerhand aansloten. Yelen werden door de vrees teruggehouden, dat zij mij zouden moeten betalen, terwijl zij nog maar ternauwernood leven konden, gelijk dan ook de meeste overgekomenen tot de armste klasse behooren. Dientengevolge had ik mijne aanstelling op kosten van het Superintendentschap en van het Algemeen Gereformeerd Kerkenfonds. Als middelpunt van mijnen werkkring is aan mij mijne tegenwoordige woonplaats, Neu-Banovce, aangewezen, waar het grootste aantal Gereformeerden aan céne plaats op het mij toebedeelde gebied wonen, ongeveer 230 zielen, allen Duitschers uit de Palts afkomstig. Neu-Banovce is toen terstond als moedergemeente door de Superintendentie erkend geworden. Hoe ik het hier gesteld vond, deel ik later mede. Yan hier uit ging ik in alle richtingen om de Gereformeerden te vergaderen en bij hen belangstelling voor mijne werkzaamheid te wekken. Evenals het na eene hevige vervolging of n a eenen verwoestenden vjjandelijken inval gewoonlijk plaats vindt, dat de bewoners eerst van lieverlede uit hunne schuilhoeken te voorschijn komen, geschiedde het ook hier. De een kwam na den ander.
Het is in mijne oogen als een wonder, wanneer ik de registers der gezinnen inzie en daarin reeds bijna duizend zielen opgeteekend vind. Ik ging aan het bijeen vergaderen, vertrouwend op des Heeren belofte: „Die Israël verstrooid heeft, zal het ook wederom vergaderen" (Jer. 31.), en ik ben dan ook in zooverre geslaagd, dat ik hen nu zoo tamelijk allen ken, dat zij nu op bepaalde tijden samenkomen, om het Woord te hooren en de Sacramenten te gebruiken. De Gereformeerden buiten mijne woonplaats verdeelde ik in 6 kringen ; elke kring, verscheidene plaatsen en pusta's bevattende, heeft een middelpunt, waar of meerdere familiën zijn, of waar wij een geschikt lokaal voor onze samenkomsten konden bekomen. Ik bezoek die kringen in verhouding tot h u n z i e l e n t a l ; waar een grooter aantal is, kom ik in den regel veelvuldiger, en omgekeerd.
Overal kozen wij eenen kerkmeester en ouderlingen — (diakenen kent men helaas bij ons niet, en daardoor is het ook met de armverzorging treurig gesteld) — tot wier taak, na de vestiging en ordening der Gemeente, het opzicht over de kudde, hoofdzakelijk echter ook het onderwijs der kinderen — want, zooals ik eerlang nader bespreken zal, bezoeken de meeste onzer kinderen Roomsche en Grieksche scholen met de Croatische of Servische taal, van welke slechts het minderdeel iets verstaat — en de leiding der godsdienstoefening behoort op die Zondagen, waarop ik niet komen kan. D e ouderlingen zijn het ook, welke allen, die tot don kring behooren, er van verwittigen, wanneer ik kom. Ik kon helaas in deze zes kringen slechts twee mannen vinden, die onderricht geven en de godsdienstoefening leiden kunnen. Aan kennis zou het velen wel niet ontbroken hebben, maar de opgewektheid tot het werk was er niet. Zulke kringen moeten er mede tevreden zijn, wanneer om de vijf of zes weken, en wel door mij, aan hunne kinderen onderwijs gegeven wordt.
Met het onderwijs ziet het er in h e t koninkrijk Croatie- Slavonië over het algemeen zeer droevig u i t ; men kan het zich dus voorstellen, hoe weinig voor de Duitschers en Hongaren hier gedaan wordt, die slechts g e d u l d worden en tegenover over de Serviërs en Croaten eene hoogst geringe minderheid aan zielental uitmaken. De strijd evenwel tusschen de Serviërs en do Croaten — Griekschen (niet-Geüniëerden) en Roomschen zal mogelijk ook voor ons Protestanten in Slavonië nog nuttig zijn, daar de Serviërs er ten zeerste op aandringen, dat de confessioneele scholen weder geheel vrij worden, terwijl wij dan de hoop kunnen voeden, dat onze lasten verminderd worden, en wij boven de met groote opofferingen verkregene confessioneele scholen dan voor de gemeente- (of staats-)scholen niet meer zullen belast worden, wat tot nu toe het geval was.
De algemeene schoolplicht is hier wel ingevoerd, maar zij baat den Duitschers en Hongaren zeer weinig, wien zelden eigene scholen toegestaan worden, en die derhalve naar de openbare volksscholen gedreven worden. In de pusta's is het nog het allertreurigst gesteld, want de heeren bezitters stellen in niets zoo weinig belang, als dat hunne ondergeschikten en hunne kinderen lezen en schrijven leeren. Er komen dan ook zulken in onze samenkomsten, die nooit in eene school geweest zijn, die noch aan het gezang, noeh aan het lezen der Heilige Schrift kunnen deelnemen. Onlangs klaagde mij een jonge man — van omstreeks 25 j a r e n — dat hjj in onze samenkomsten neerzat als een stuk vee en zijnen mond niet kon opendoen.
De eigenaar dezer pusta (een Roomsche) laat nu eene kapel van + 5000 gulden bouwen, maar voor 40 schoolplichtige kinderen kan hij niet zorgen. Tot hiertoe kon ik het slechts in twee kringen zoover brengen, dat, en wel voor bijzondere betaling, aan de kinderen twee of driemaal per week in de openbare volksschool onderwijs gegeven wordt in de moedertaal.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Uit Slavonië. (Vervolg van Correspondentie in No. 17.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken