Bekijk het origineel

Betrachting over Psalm 46 : 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Betrachting over Psalm 46 : 6.

9 minuten leestijd

„God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond."

Des Heeren Woord, Zijne beloften zijn de troost en de sterkte der Gemeente, die Hij Zich met Zijn eigen bloed verkregen heeft. Zij prediken haar de r e c h t e n des Heeren, d. i. Zijne macht, Zijne genade, Zijne goedertierenheid en waarheid, Zijne almachtige ontferming en onwankelbare trouw, om alles uit te richten en tot stand te brengen, wat Hij Zijnen armen en ellendigen gezworen heeft. En al ziet het er ook menigmaal u i t , alsof de vijanden den slag gewonnen hebben, nochtans des Heeren is de o v e r w i n n i n g ; Zijne macht is onweerstaanbaar en Zijne trouw en waarheid zijn in der eeuwigheid.
J a , de beekjes der rivier dat zijn de e e u w i g e w o o r d en en beloftenissen Gods, gaan nog voort te verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. „God is in het midden van liaar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in hel aanbreken van den morgenstond."
Laat ons nagaan, wie de stad Gods i s ; welke belofte zij van den Ileere heeft; op welken grond zij onder lijden en strijd stille mag zijn en hopen op des Heeren heil.
Wanneer wij de beloften Gods, die ons allerwege in de Heilige Schrift, en niet weinig in de Psalmen gepredikt worden, — beloften, die ons zoo luide getuigen van Gods eeuwige liefde, van Zijne genade, macht en trouw jegens Zijn volk, — op ons zullen toepassen, dan moeten wjj weten, moeten wij wel acht geven en ter harte nemen, aan wie zij gegeven zijn.
Het ia toch geen algemeen goed, dat elk menschenkind zoo maar voor het grijpen heeft. Gods heil is geen aardsche koopwaar, die voor geld wordt aangeboden. De hemelsche goederen worden zonder geld en zonder prijs verkregen, — zijn vrije gaven, welke de Heere God uit genade schenkt, en uitdeelt wien Ilij w i l . Wij moeten dus weten, w i e de stad is, van welke de Heere getuigt: „zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond."
Deze stad is in de eerste plaats J e r u s a l e m , de stad, welke de Heere Zieh ter woonplaats verkoren had. Daar was de burcht Zion, de troon Davids, en daar was ook de tempel, dien Salomo den Heere gebouwd heeft; aldaar troonde als ' t w a r e de Ileere God boven de arke des verbonds tusschen de Cherubim en woonde alzoo in het midden Zijns volks.
Maar de berg Zion, de stoel Davids, de tempel, het huis des Heeren, dat alles schaduwde af, beteekendo en predikte Christus, den Gezalfde des Heeren over Zion, den berg Zijner heiligheid. — Jerusalem is alzoo naar g e e s t de stad, de plaats, waar God in Christus Jesus woont met Zijn Woord en Geest; en in die stad z i j n geboren en z i j n burgers, allen, die God in waarheid vreezen, die voor Zijn Woord beven, die door den Heere geleerd zijn en door Hem vrede hebben, kleinen en grooten, volwassenenen kinderen, —allen, die door een oprecht geloof Christus ingelijfd zijn en al Zijne weldaden aannemen; en daarin w o r d e n geboren en w o r d e n burgers allen, die God ten eeuwigen leven uitverkoren heeft, —zij ook behooren tot deze stad naar den eeuwigen raad der verkiezing, al zijn zij op 't oogenblik nog onverschillig omtrent Gods Woord, omtrent Zijnen Christus en Diens weldaden; al vragen zij nu nog naar niets anders dan wat de wereld en hare begeerlijkheid biedt, — al zijn zij nu nog v e r r e v a n ' s Vaders huis, dwalende in den vreemde, — brengende het ontvangen goed in hunne wellusten door. Maar in de stad Jerusalem woonden ten tijde van D a v i d , zoo ook in de dagen des vleesches van onzen Heere Jesus Christus niet alleen waarachtig vrome en godvreezende menschen, die, gelijk David , hun heil en eere alléén in den Heere hadden, die, gelijk b. v. een Simeon, de vertroosting Israels verwachtten; maar er woonden ook vele g o d d e l o o z e n , zooals Joab en Simei, die Gods Wet en waarheid niet gehoorzaamden, zooals de Sadduceën en Farizeën, die den Christus Gods vijandig waren en er over murmureerden, dat de Heere Jesus aan tafel zat met tollenaars en zondaars. Wel werden deze menschen deelachtig de u i t w e n d i g e weldaad des Woords, het Koninkrijk Gods was temidden van henlieden geopenbaard; maar zij bekeerden zich niet van hunnen goddeloozen weg, zij lieten niet varen hunne ongerechtige en eigengerechtige gedachten, — zij verhardden zich; zij behoorden [ dus niet in geest en waarheid tot de stad Gods.
En zóó is h e t h e d e n . Nadat de Christus Gods is gekomen en alle gerechtigheid vervuld heeft, nadat Hij alles volbracht heeft, wat sedert de paradijsbelofte aangaande Hem en de verlossing in en door Hem , in belofte, profetie en allerlei beelden en inzettingen gepredikt is geworden, — wordt het Woord Gods , het Evangelie van Jesus Christus, de blijde boodschap der verzoening en verlossing Zijner Gemeente, de redding en behoudenis van verlorene zonen en dochteren, gepredikt onder alle volken, óók onder ons. En zoo wordt nu de Heere niet meer gediend aan eene bepaalde plaats, — maar overal, waar Zijn Naam in g e e s t e n w a a r h e i d wordt aangeroepen, daar is Hij in het midden, daar woont en daar zegent Hij. Evenwel behooren niet a l l e menschen tot Zijne Gemeente, tot Zijne Kerk; en deze is ook niet overal; alléén d a a r woont de Heere, daar vergadert Hij Zijne Gemeente, waar Zijn Woord recht gepredikt wordt, en de Sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus.
Naar het u i t w e n d i g e hebben dan allen, die het W o o rd G o d s hooren, en die belijden te gelooven in den Heere Jesus Christus en de Sacramenten naar Zjjne inzetting gebruiken, met hun zaad deel aan Christus, aan Zijn heil en Zijne beloften.
Naar het u i t w e n d i g e ; want waar God mot Zjjn Woord en Geest komt, daar maakt Hij scheiding tusschen licht en duisternis, tusschen waarheid en leugen, tusschen zonde en gerechtigheid. Waar Zijn Woord z a l i g m a k e n d in do harten werkt, daar schept Hij een ander, een nieuw h a r t , daar neemt Hij het steenen hart weg en geeft een v l e e s c h e n hart; dan ontvangt men den H e i l i g e n G e e s t , en wordt de Heere Jesus bij ons verheerlijkt, zoodat men niet langer in het genot van het vleesch, van de wereld, van de zonde en haren dienst kan rusten, maar de goede keuze doet, zooals Rutli uitsprak: „Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God"; dan bestaat het Christendom bij ons niet meer in het uitwendige, niet meer in woorden, maar in waarheid en in kracht, zoodat men niet maar het Woord hoort zonder overeenkomstig dat Woord te handelen , maar d a d e r des Woords is, opdat men van alle booze werken afstand gedaan hebbe, wandele in Gods geboden in Christus Jesus, — in Christus Jesus, buiten Wien men niet leven kan.
Waar Gods Woord z a l i g m a k e n d werkt, daar heeft men niet de goede belijdenis slechts op het papier, maar dan leeft de leere Christi in het hart, daar is het van harte om de waarheid en gerechtigheid Gods te doen, — daar is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en een „dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden"; daar is eene hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. — Zalig worden dus in Christus Jesus alléén zij, die in oprechtheid gelooven, die zich zeiven verloochenen met al hunne lusten en begeerten, de wereld en hare genietingen verzaken, en Gods wil en gebod boven alles stellen, die het Lam volgen, die het Woord Gods niet alleen hooren maar doen, die het getuigenis Jesu bewaren, die de eere Gods en de liefde des naasten bedoelen, dezen zijn de rechtvaardigen, de uitverkorenen Gods.
Al hebben dan ook velen deel aan de uitwendige weldaden, die ons om Christus wille geschonken zijn, dit baat niets tot hunne zaligheid, indien zij zich niet in waarheid tot God bekeeren. „Wie den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid", met dat Woord maakt God zelf scheiding.
En om deze s c h e i d i n g G o d s gaat het — j a in Staat en Kerk, maar allereerst in eigen huis en hart; zóó behoudt de Heere de Zijnen, die Hij kent — en óók wordt Zijn Naam verheerlijkt bjj alle anderen, die Zijn Woord ontvingen , maar niet bewaard hebben, want zij hebben geene verontschuldiging. Zij h e b b en h e t g e w e t e n : de Heere is God, en niemand meer; zij hebben den wil des Heeren vernomen, ook hun is de zaligmakende genade in het Woord verschenen, maar zij hebben hunne afgoden van goud en zilver, hunne goddelooze en vrome afgoden liever gehad dan des Heeren Woord en heil. Zoo moge dan een iegelijk toezien. Het komt er op aan, dat wij niet slechts in de stad Gods wonen, maar er in geboren zjjn, m. a. w. of het Koninkrijk Gods bij ons bestaat niet in woorden, maar in kracht, dat wij gekomen zijn en komen tot den levenden Steen, bij God uitverkoren en dierbaar, om alzoo als l e v e n de steenen gebouwd te worden tot een geestelijk huis; dat wij dus op de Rots gezonken zijn, die in eeuwigheid niet bezwijkt; want zóó alleen geldt ons de belofte voor de stad Gods: „God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen "
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Betrachting over Psalm 46 : 6.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juli 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken