Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 4.

9 minuten leestijd

Het vierde Hoofdstuk van het book des Profeten Ezechiël vermeldt ons zijn eerste optreden als Profeet in het midden der gevankelijk weggevoerde kinderen zijns volks. Gelijk de bewoners van Jerusalem, zoo geloofden ook de gevangenen in Babel niet, dat Jerusalem zou kunnen vallen, dat God Zijne heilige stad zou prijsgeven. De laatsten hoopten daarom op spoedige terugkeer, op bevrijding van het juk van Babel. Dat zulks evenwel niet het geval zou zijn, dat veeleer Gods gerichten komen en den vollen van God bepaalden tijd duren zouden, dat moest de Profeet, gelijk hij het hun zoo menigmaal door het woord der prediking had voorgehouden, hun nu in een beeld voor oogen stellen.
Vs. 1—3. En gij, menschenkind! neem u eenen tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jerusalem. En maak eene belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar eenen wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. Verder, neem gij u eene ijzeren pan, en stel ze tot eenen ijzeren muur tusschen u en tusschen die stad, en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israëls een teeken.
God de Heere spreekt Zijnen Profeet weder aan met den ons bekenden naam van „menschenkind"; als menschen kont Hij hem en zijn volk; als met kinderen der menschen zal Hij ook met hen handelen. Gelijk men door een beeld of eene prent en elke zinnebeeldige voorstelling een kind op ingrijpende wijze kan leeren, en te gemakkelijker doet verstaan hetgeen men te zeggen heeft, zoo zal de Heere God door eene zinnebeeldige voorstelling de kinderen Israëls leeren, wat zij al menigmaal in het woord der prediking hadden vernomen, maar waaraan zij wegens hun wederspannig, onbekeerlijk en verhard harte geen geloof hadden willen slaan; de Heere zal hun toonen, dat Jerusalem voorzeker zou belegerd en in handen gegeven worden van den koning van Babel. Dit is het vast besluit des Allerhoogsten. Het woord van den waren Profeet Jeremia z.il bevestigd worden, maar hot woord van den valschen profeet Semaja zal vergaan (Jerem. 2fl). Semaja heeft eenen afval gesproken tegen den Heere; Jeremia spreekt de waarheid. Ezeehiël zal de waarheid van Jeremia's woorden voor het aangezicht van de gevankelijk weggevoerden ia een tafereel en met onderscheidene teekonen voor oogen stellen en bevestigen, — en op deze wijze „tegen het volk profeteeren" (Ys. 7).
Aan Ezechiël wordt bevolen, eenen tichelsteen te nemen, d. w. z. eene in den oven gebakkene steenen plaat, geschikt om daarop met een graveerstift insnijdingen te maken of met de griffel iets te schrijven en te teekenen. De grondstof van die plaat is leem; zij is dus uit de aarde genomen en slechts door de hand des werkmeesters geworden tot hetgeen zij is. Zoo ook de stad Jerusalem; haar grondslag is uit het stof, en slechts door de hand des hemelsehen Werkmeesters is zij geworden, hetgeen zij is: de stad des grooten Konings, die door gerechtigheid is bevestigd, maar die door ongerechtigheid zal te gronde gaan.
Dien tichelsteen of die plaat moet Ezechiël voor zijn aangezicht leggen, en daarop afteek enen de stad Jerusalem, gelijk die in hare muren ligt, alsmede hare belegering door het heir der Chaldeën. Gelijk de koning van Babel met de stad zal handelen, zoo moet de Profeet doen met dezen steen. Maak eene belegering tegen haar, zoo spreekt de Heere tot den Profeet, alsof hij geen vriend, maar vijand van Jerusalem was, alsof hij een der belegeraars was, die het beleg van Gods wege moet ondernemen en voortzetten, als een, geljjk hij zich Hoofdst. 43 : 3 uitdrukt, „die de stad komt verderven". Zoo wordt hij gelast de rol des vijands te vervullen en zonder uitstel of vrees voor de bespotting van menschen het werk van een belegeraar te ondernemen; en al de krijgswerken, oudtijds in gebruik, zal hij op zijnen steen of op de pleisterplaat uitbeelden, alsof hij waarlijk het beleg deed. „Bouw tegen haar sterkten, werp eenen wal tegen haar op, stel legers om haar henen en zet stormrammen tegen haar rondom", — zoodat de algeheele insluiting der stad door de belegering en de benauwing des vijands duidelijk voor de oogen van de gevankelijk weggevoerden stond afgemaald.
Verder moest de Profeet eene ijzeren pan nemen en die stellen tot eenen jjzeren muur tusschen zich en die stad — het voor oogen gestelde Jerusalem — ten bewijze van het vast en onbewegelijk voornemen Gods, 0111 Jerusalem te verderven zonder verschooning. Geen gebed zal dit verhinderen, het zal afstuiten als op eenen ijzeren muur, de hemel zal voor hen gesloten wezen. Gelijk de bode Gods, zoo is God zelf van de stad gescheiden, Jes. 59 : 2. Berouw zal voor 's Heeren aangezicht verborgen zijn.
Daarna moest Ezechiël zijn aangezicht tegen die stad richten en ze belegeren; met het afgebeelde Jerusalem moet hij zinnebeeldig doen al wrat do vijand in werkelijkheid zal doen met de heilige stad; „zijn oog zal op haar zijn om ze niet te verschoonen."
Deze uitdrukking is een teeken van gestrengheid en wijst op het gelaat van een richter, die standvastig is in zijn voornemen en zich door niemands gezag, noch door beden of tranen tot genade laat bewegen. Het is eigenlijk niet de Profeet zelf, die zich dus als een gestreng richter gedraagt tegen de inwoners van Jerusalem, neen het is God zelf; God heeft hem gesteld tot een uitvoerder Zijner gerichtshandelingen met het volk, en Hij zal daarin zonder verschooning te werk gaan; Zijn aangezicht zal zijn tegen de stad ten kwade, zooals Hij gesproken heeft: „Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, zij zal gegeven worden in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden." (Jerem. 21 : 10.)
Yan dit Zijn voornemen om haar ten onder te brengen komt Hij niet terug. Dit alles geschiedt, omdat het aangezicht Gods tegen Jerusalem gericht is in rechtniatigen toorn; zij zal 's Heeren kastijdende hand niet ontgaan. — Zoo lezen wij ook Lev. 17 : 10 van hen, die bloed zullen gegeten hebben, dat de Heere Zijn aangezicht tegen hen zal stellen en hen uitroeien uit het midden Zijns volks. Dezelfde bedreigingen vinden wij ook Lev. 20 : 3 ; 26 : 17 en Bzech. 14 : 8.
Dit zij den huize Israëls een teeken! Zoo spreekt God. Waartoe moet dit teeken hun dan dienen ? Het moet hen doen gelooven de waarheid van het gerichte Gods, — het moet hun het vleeschelijk betrouwen op de heilige stad ontnemen, — hen doen bukken voor het Woord van 's Heeren Profeten, opdat zij zich buigen onder het oordeel, hetwelk in rechtvaardigheid over hen ging.
De gevankelijk weggevoerden, gelijk wij opmerkten, konden het maar niet gelooven, dat Jerusalems verwoesting nabij was.
Zij geloofden veeleer het woord van hen, die hun hoop gaven op spoedig terugkeeren naar de plaats, vanwaar zij waren weggevoerd. Jerusalem, de stad door God verkoren, zou Hij die overgeven? en de tempel, het huis des Heeren, zou God er Zich in toorn van afkeeren ? Zou Hij niet om Zijns tempels wil de stad sparen ? Daar toch was de ware Godsdienst, en de priesters des Heeren bedienden daar het heilige; en waarlijk, het had er in de stad en in den tempel met den dienst van Jehova toch wel eens slechter uitgezien, dan thans het geval was! Zoo pleisterde zich dit volk in zijne vroomheid met looze kalk, gelijk ook wij doen, als wij ons betrouwen zetten op een dienst des Heeren, die eigenlijk niet Hem, niet Zijne eer, maar ons en onze eigene gerechtigheid beoogt, die dus niets anders is, dan een dienst van onszelven. Daar is het: wij zoeken de waarheid, wij willen den waren Godsdienst onderhouden, en daarom tempel en tempeldienst hoogschatten, de heiligheden des Heeren heilig houden ; wij zijn toch het volk des Heeren, op hetwelk de Heere met welgevallen moet nederzien, en wier vertrouwen en verwachting Hij niet kan beschamen ; — en ondertusschen zien wij het niet, dat wij vol zijn van v l e e s c h e l i j k betrouwen, en dat zulk een betrouwen noodzakelijk te schande m o e t worden, zal er ooit een waarachtig betrouwen op den Naam des Heeren, op de genade, zooals zij genade is, kunnen geboren worden.
Het Jerusalem, dat dienstbaar is met al zijne kinderen, en waarin wij zoo gaarne wonen en willen blijven wonen, moenende, dat die stad de belofte heeft, — moet vallen, indien het Jerusalem, dat van boven is en vrij is, en als zoodanig alleen de belofte heeft, als de ware Godstad door ons zal gewaardeerd en gezocht worden.
De Heere God kan, evenmin als Hem onze goddeloosheid behaagt, met onze werkheiligheid gediend zijn. Hij wordt alleen gediend door waarachtig geloof aan Zijn Woord. Dat is Zijn lust. Daartoe strekten Zijne instellingen ook onder Israël. Dat heeft Hij hen willen doen verstaan door het woord Zijner Profeten, door Zijne zegeningen en kastijdingen, — dit geloof alleen kan hen genezen van hunne grove en fijne afgoderijen.
In groote lankmoedigheid en vele barmhartigheden had de Heere, hun God, hen verdragen. Veertig jaren, zegt Stefanus, heeft God hunne zeden verdragen in de woestijn, — en hoe vele jaren daarenboven in het land Kanaan onder de richteren, die Hij hun zond, om hen te verlossen uit de handen hunner verdrukkers, — en daarna hoe lang onder de koningen!
Vragen de gevankelijk weggevoerden nu, geraakt door het teeken der verwoesting van stad en tempel: Is er dan geene barmhartigheid bij onzen God ? — de Heere zal hun door een ander teeken toonen, hoe langen tijd en met welk een taai geduld Hij de zonde des afvals Zijns volks van het ware geloof verdragen heeft. Ezechiël zelf zal hiervan hun tot een teeken gesteld worden, gelijk uit het vervolg blijken zal.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken