Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII.

12 minuten leestijd

De storm der vervolging, die opstak met do steeniging van Stefanus, knakte den schoonen boom en scheen de geheele planting Gods verwoest te hebben. Evenwel was niet alleen do wortel nog overgebleven (— „behalve de Apostelen" Hand. 8 : 1 —), maar van de afgebroken kroon werd de vrucht in vele zaadkorrels door denzelfden storm verspreid en deed nieuwe, frissche spruiten voortkomen in Judea en Samaria (Vs. 4). Zonder monschen toedoen werd daardoor te gelijk het woord van Jesus vervuld, dat het Evangelie van Jerusalem uit in de eerste plaats naar Judea en Samaria komen zou (Hand. 1 : 8 ; verg. Jes. 2). Zoo blijft God op den troon, en Zijne hand openbaart Zich in alle stormen.
Daarom: „Vrees niet, gij klein kuddeke!" Dat wij slechts oogen hadden, om de verborgene daden Gods te zien, d. i. om te g e l o o v e n , zooals eenmaal do jongen van den Profeet Elisa! Edoch op het gevaar van buiten volgt het grootere gevaar van binnen (vervolging, Hoofdst. 3 ; leugen, Hoofdst. 5; — vervolging, Hoofdst. 5; murmureeren, Hoofdst 6; — vervolging, Hoofdst. 7; huichelarij en valschheid, Hoofdst. 8).
Opmerkenswaardig is het, hoe de duivel, de tegenpartijder Gods en Zijner Gemeente, steeds in toenemende mate en herhaaldelijk het beproeft, de Gemeente te verwoesten, eerst met geweld en dan met list, eerst met vervolging, die hij aanricht, daarna met zonde en goddeloosheid, waartoe hij aanzet. Voorwaar, van „groote macht en veel list is Satans gruwzame rusting, op aarde is niet zijns gelijken te vinden." Zoo ging het ook met de nieuwe planting in Samaria. Het Woord werd gepredikt en met vreugde aangenomen (Vs. 4 — 6); de teekenen, die het Woord vergezelden , gaven aan hetzelve bekrachtigingen deden het te gereeder ingang vinden (Vs. 7, 8). Doch ook daar vertoont zich de macht der duisternis en der boosheid: als afschuwelijk voorbeeld staat hier S i m o n de tooven a a r voor ons (Vs. 9 vv.). Het is wel der moeite waardig nader te overwegen, wat ons aangaande dezen man medegedeeld wordt; het dient tot zelfbeproeving in eenen tjjd, waar vertoon van Christen-zijn en een schijn van vroomheid en geloof veelal gewoonte geworden zijn. Simon had in Samaria geleerd en gewerkt, „plegende tooverij en verrukkende de zinnen des volks" zooals men tegenwoordig vaak door een vroom drijven doet; het was echter „niet uit God en tot God", maar: „hij ze'ide van zichzelven, dal hij wat groots was." (Vs. 9.) Daardoor reeds is hij genoegzaam gekenmerkt: het was hom niet om God en om de broed e r e n , maar om z i c h z e l v e n en om e i g e n e e e r te d o e n ! Hierbij mag de mensch, de Christen, de geloovige, de leeraar, de arbeider in liet Koninkrijkk Gods z i c h z e l v en n a u w b e p r o e v e n ! Is de grond , de drijfveer van mijn doen en handelen het lieve IK of is het Koning Jesus, de 1 leere der heerlijkheid ?! Als men zich maar wat voordoet, kan men licht het volk betooveren, — immers de menigte valt dien toe, die het vleesch vleit en de kunst verstaat het volk aan te pakken en te boeien.
Als men zichzelven als wat groots weet voor te doen , dan wordt men ook daarvoor gehouden (Vs. 10); want alleen het kleine Gods — dat toch alleen machtig en groot is — geldt niets in de wereld, is gering en veracht. Vleesch echter valt het vleesch toe. Zoo zagen dan de menschen allen op Simon en zeiden, wat hij gaarne had en hoorde: „Deze is de groote kracht Gods!" (Vs. 10.)
Maar nu volgt als het ware eene tweede pliase: Simon geloofde ook zelf! Tot dusverre was zijn doen werk des vleesches en — begoocheling des duivels — niets van de vrucht des Geestes; de eenvoudigen werden een langen tijd betooverd (Vs. 11).
Toen echter het waarachtige licht opging, gingen ook hun, voor zoover zij oprecht waren, de oogen open: zij hoorden en „geloofden Filippus, die hel Evangelie van hel Koninkrijk Gods en van den Naam van Jesus Christus verkondigde, ( _ letten wij er op: niets anders moet gepredikt worden dan het Koninkrijk Gods, dus de Naam van Jesus Christus! —) en zij werden gedoopt." (Vs. 12). Het eenvoudige, maar machtige Woord der waarheid, de prediking van het kruis, liad het leugenweefsel verscheurd en de oogen der blinden geopend. Het dwaze Gods was wijzer, het zwakke Gods was machtiger dan het wijze en sterke der wereld. Nu was het wel gedaan met den roem en den roep, met het aanzien, de eer, de macht en den invloed van Simon! Wat moest hij beginnen? Hij weet zich te helpen. Vleesch is duivelsch kloek, als het er om gaat, zichzelven te handhaven in zijne vroomheid. Men hoore slechts; wat niemand verwachten zou, gebeurt: En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus. (Ys. 13). Simons bekeering was eene v a l s c h e bekeering. Evenmin als v o o r zijne bekeering was het hem bij en n a dezelve om God te doen, maar steeds en alleen om zichzelven. Nogmaals: b e p r o e f u n a u w ! Simon zag, dat het op eene andere wijze niet meer ging, dat in eenen anderen weg niets was uit te richten; hij was op den achtergrond geraakt en zocht naar voren te komen, om gelegenheid te vinden, zich opnieuw voor te doen als wat groots, hoewel men het niet aan hem kon zien, en hij het ook niet van zich weten wilde, want het ging niet zoo grof toe, veeleer zeer bedekt.
„En ziende de teekenen en groole krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich" (Ys. 13), want dat was toch wat anders dan hetgeen hij vroeger gedaan had; dat moest hij toch zelf wel bekennen, overtuigd zijnde door zijn verstand en geweten.
Toen nu de Apostelen eindelijk door handoplegging den Heiligen Geest (niet des geloofs maar der krachten) schonken (Vs. 14—17), begeerde ook Simon deze macht, deze gave en dit vermogen voor zich te hebben, en — „bood hun (den Apostelen) geld aan.''' (Ys. 18, 19.) Hiermede openbaart hij nu, wat er in zijn binnenste schuilt. Yoor wie en voor wat men hem ook mocht gehouden hebben, — hier ontmaskert Simon zichzelven. Dit is niet een a f v a l van hetgeen hij g e w e e s t of g e w o r d en was, maar eene openbaarmaking van hetgeen hij g e b l e v en is (— eene bevestiging van de gereformeerde leer aangaande liet ware geloof en het schijngeloof—). Maar als het dan bij hem n o o i t oprecht geweest is, hoe is het dan mogelijk, dat de verlichte, door den Heiligen Geest geleide Filippus dezen onwaren en onoprecliten man in de Gemeente kon opnemen, ja zelfs het Sacrament des heiligen Doops hem kon toedienen?
Dit is geheel eenvoudig' en naar gerechtigheid; had men hem niet opgenomen, dan zou hij steeds de schuld op Filippus, op de Apostelen, op God zeiven geworpen hebben, en zichzelven gesterkt hebben in zelfhandhaving en eigengerechtigheid. Doch de m e n s c h zal g e e n e v e r o n t s c h u l d i g i n g h e b b e n; o p d a t het zij, g e l i j k g e s c h r e v e n is: God zij waara c h t i g — Hij alleen — maar a l l e m e n s c h e n — die onder de wet zijn — l e u g e n a c h t i g (Rom. 3 : 4 ; Ps. 51 : 6 ; Ps. 116: 11). Dat is gereformeerd, d. w. z. overeenkomstig het Woord en naar de meening des Heiligen Geestes: God moet gerechtvaardigd zijn in de geloovigen en in de ongehoorzamen. — Hoe geld en eer den mensch verblinden en verstrikken, dat zien wij aan dezen Simon den toovenaar, eenen tweeden Bileam. Uit dezen toestand des harten bij Simon, welke, zooals wij opmerkten, niet eerst nu is begonnen, maar van het begin af aanwezig was, en ook bij zijne schijnbare bekeering g e b l e v e n is, laat zich dan ook zeer goed de handelwijze van Petrus verklaren, toen hij hem bestrafte (Vs. 18—23).
Petrus spreekt het oordeel uit over hem en over deze „simonie" in den eigenlijken zin (Vs. 18); dat hjj de gave Gods (den Heiligen Geest of het vermogen om eeïi ambt in dien Geest te bekleeden) met geld meende te kunnen koopen, alleen om zichzelven daarmede te versieren, niet om in waarheid God te verheerlijken en de broeders te dienen of zelf gered te worden. De Apostel ontzegt hem verder alle deelgenootschap aan het Woord des levens en aan het Rijk van Christus en van Zijne genade (welken schijn van godzaligheid hij ook hebben mocht), en wel om deze reden: zijn hart is n i e t r e c ht v o o r God (Vs. 21), en hiermede is juist deze man gekarakteriseerd.
Nochtans laat God de Heere — opdat Hij gerechtvaardigd zij — het hem aan niets ontbreken; n o g wordt hem genade aangeboden en de deur der behoudenis geopend: „Bekeer u van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd (Vs. 22), waarbij hem zijne zonde en goddeloosheid wordt voorgehouden en ontdekt (Vs. 23). Heeft het hem gebaat? heeft hij zich laten terechtwijzen? Uit zijne w o o r d e n wordt hij geoordeeld, want in het woord openbaart zich het hart, in het woord drukt zich uit, wat in het binnenste is. Hij bekeert zich n i e t , maar gedraagt zich als Ezau, als Kaïn, als Judas. Hij bidt den Heere n i e t , maar zegt: „Bidt gijlieden voor mij tot den Heere," (Vs. 24). Als een mensch valsch van hart is en te trotsch, om zijne goddeloosheid te bekennen, of te verkeerd, ze te erkennen, zoo roept hij de bemiddeling en voorbede der heiligen in, liever dan dat hij zijn geweten laat reinigen van de doode werken. Een verslagen hart echter en een verbroken geest wendt zich terstond tot den Heere zeiven, zooals David, de tollenaar en de verloren zoon. — Maar nog meer: de voorbede, die Simon van de Apostelen begeert, moet hem niet zoozeer v e r g e v i n g der z o n d e n , u i t delg i n g der s c h u l d , v e r z o e n i n g zijner m i s d a a d , als wel alleen a f w e n d i n g der straf', b e v r i j d i n g van de g e v o l g e n der zonde teweegbrengen. Dat is schijnbekeering, de bekeering van eenen huichelaar, of, zooals de Apostel het noemt: „ D r o e f h e i d der w e r e l d , die den dood werkt" — „opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt" (Vs 24). Wie bedroefd is naar God, die is in waarheid bedroefd over de z o n d e z e l v e , de z o n d e a l s z o o d a n i g, omdat hij daarmede God beleedigd heeft; zulk eene droefheid werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Wie bedroefd is naar de wereld, die kan veel vertoon van droefheid en veel ophef maken, doch het is hem niet om God en om Zijne heilige Wet, maar om zichzelven, en wel alleen daarom te doen, dat hij de rechtvaardige en verdiende straf ontgaat en de gevolgen zijner zondige daad van zich afwendt, zonder dat hij tot genade komt. De oprechte echter wil de straf wel dragen, als God maar zijn God en hem genadig is. Dit onderscheid van goddelijke en wereldsche, van geestelijke en vleeschelijke droefheid kunnen wij voortdurend ontdekken bij de kinderen, terwijl de diepste en hoogste waarheden van het Woord des levens zich in de eenvoudigste voorvallen en gebeurtenissen des levens openbaren. — Hierop wilden wij bij dit afschuwelijk voorbeeld van Simon den toovenaar vooral opmerkzaam maken :
1. Simon de toovenaar was en bleef van het begin tot het einde, vóór, gedurende en na zijne 'oekeering dezelfde; het was hem niet om God, maar om zichzelven te doen, om eigene eer.
2. Zijne bekeering is derhalve ook slechts eene schijnbare , geene waarachtige; zij is niet uit God geweest, en het Woord des levens is nooit als een zaad der wedergeboorte in zijn hart gedrongen; hij was en bleef onoprecht en valsch; de wedergeborenen daarentegen zijn waar en oprecht voor God en menschen.
3. Dit Bijbelsch voorbeeld bevestigt do gereformeerde leer aangaande liet geloof, de wedergeboorte, de volharding, den val en afval der geloovigen. Alleen op het gereformeerde standpunt kan verstaan worden, wat het beteekent: „Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem." (1 Joh. 3 : 9.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken