Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 4. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 4. (Slot.)

6 minuten leestijd

Vs. 12. En gij zult eenen gerstenkoek eten, en dien zult gij met drek van 's menschen afgang bakken voor hunne oogen, of gelijk anderen overzetten: gij zult dat (t. w. de voren vermelde spijzen) als gerstenkoek (in dien vorm bereid) eten. (Kantteekenaren.) Deze zeer geringe spijs zal niet eens ceremonieel rein kunnen gegeten worden, omdat zij niet rein kan worden toebereid of gebakken. Ook de brandstof, het hout, zal ontbreken, en men zal de toevlucht nemen tot allerlei vuile stoffen, ten einde die, bereid als koeken, gelijk turven of heiplaggen, als brandstof te gebruiken.
De dienst van Jehova was dus verontreinigd in elk opzicht; hunne handen zouden zij in allerlei onreinheid moeten steken, onreine spijzen zouden zij moeten nuttigen om huns levens wil; ook werden de priesters in het heiligdom geslacht, de tempel en het altaar des Heeren verwoest, zoodat het offer ter reiniging geheel zou ontbreken; en dat alles geschiedde niet alleen binnen Jerusalems benauwde veste, neen maar ook daarbuiten onder de Heidenen, waaronder zij verdreven zouden worden, want alzoo lezen wij:
Vs. 13. En de Heere zeide: Alzoo zullen de kinderen Israèls hun brood onrein eten onder de Heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal. Hoezeer hun, die op den dienst van Jehova en op Zijue inzettingen gesteld waren, dit moest treffen, kunnen wij afleiden uit het verzoek van Daniël en zijne drie vrienden aan Aspenaz, den overste van des konings Nebukadnezars kamerlingen, om in plaats van de spijzen van des konings tafel te eten en van zijnen wijn te drinken, van het gezaaide te mogen eten en water te mogen drinken.
Deze onreinheid was ook den Profeet een gruwel. Daarom waagt hij het, aan zijnen God zijnen nood te klagen en Hem te zeggen, hoezeer dit bevel des Heeren hem in de engte brengt. De vrome Israëliet hield zich gaarne ceremonieel rein, — dat was toch naar Gods gebod, — en deze zoon eens priesters was daarop voorzeker niet minder gesteld, dan Petrus , de zoon van eenen visacher; ook deze waagde het immers, toen het linnen laken met de onreine dieren tot hem werd neergelaten, op het bevel des Heeren: „Sta op, Petrus, slacht en eet!" in oprechtheid des harten te zeggen: „Geenszins, Heere, want ik heb nog nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was." (Hand. 10 : 14.) Zoo ook spreekt Ezechiël, geheel ontsteld door dit bevel.
Vs. 14. Toen zeide ik: Ach, Heere Heere! zie mijne ziel is niet verontreinigd geweest: want ik heb, van mijne jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeilijk vleesch is in mijnen mond gekomen. Ceremoniëel was hij dus, evenals Petrus, rein van zijne jonkheid aan, en nu zich op deze afschuwelijke wijze te moeten verontreinigen Wel is hij overtuigd, dat het het gebod zijns Gods is, maar hoe zal hij dit gebod kunnen ten uitvoer brengen? Ofschoon de Profeet nu wel niet zegt, gelijk Petrus: Geenszins, Heere! — staat hij nochtans in volslagene verlegenheid voor dit bevel. Zijn God komt 'hem echter ook in deze te hulp , door Zijn bevel te verzachten.
Vs. 15. En Hij zeide tot mij: Zie, Ik heb u rundermist gegeven voor menscliendrek, zoo zult gij uw brood daarmede bereiden. Op brandstof, van rundermest bereid, zal hij dus zijn brood mogen bakken. Onrein blijft de behandeling en moet zij blijven, om te blijven voorstellen de onreinheid naar de Wet van de inwoners van Jerusalem, wanneer de Heere God hen onder de Heidenen zou hebben verstrooid. Eene verzachting nochtans voor den Profeet, dat het al te afschuwelijke voor hem daardoor uit het bevel des Heeren werd weggenomen; hij berust nu ook in 's Heeren woord, en buigt zieh onder het bevel, wetende, dat hetzelve het woord zijns Gods is.
Nu maakt de Heere God Zelf de toepassing en verklaart, waartoe deze zinnebeeldige handeling dienen moet.
Vs. 16, 17. Daarna zeide Hij tot mij: Gij menschenkind! zie, Ik breek den staf des broods in Jerusalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en hel water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hunne ongerechtigheid uitteren. Verschrikkelijk en toch waarachtig oordeel. Hoe het binnen Jerusalein waarheid geworden i s , hebben wij uit Jeremia's Klaagliederen reeds aangetoond. Honger en dorst hebben zij geleden, en ook beving en ontzetting heeft hen aangegrepen, toen het woord van Jerusalems valsche profeten te schande gemaakt werd, en het woord des Heeren, gesproken door Zijnen getrouwen gezant, in vervulling is gegaan, dat Jerusalem zeker in de handen des konings van Babel zou gegeven worden. Niet zijn woord, maar wel het woord van hen, die ontkoming en verlossing profeteerden, bleek toen maar al te zeer een woord van afval tegen den Ileere te zijn geweest. En hoe het den overgeblevenen, die niet naar Babel zijn gevoerd, gegaan is in hun aanhoudend weerstreven tegen het Woord des Heeren, is gebleken in hunne vlucht naar Egypte; het zwaard, dat zij vreesden, heeft hen aldaar achterhaald, en de honger, welken zij dachten te ontvlieden, heeft hen aldaar gevonden, — en in dezen weg hunner ongerechtigheid zijn zij lichamelijk en geestelijk uitgeteerd en gestorven. (Zie Jerem. 42.)
Welk eene prediking voor de gevankelijk weggevoerden!
Hoe moest dit hun vleeschelijk hunkeren naar Jerusalem beletten , — hun rust schenken in hunne gevangenschap, — en hen het goede woord huns Gods doen waardeeren, dat zjj, in het geloof aan Zijne belofte van terechtbrenging na zeventigjarige gevangenschap , ondertusschen huizen bouwen en wijngaarden planten mochten en bezig mochten zijn in het goede te zoeken van de plaats, waarhenen de Heere God hen in Zijn rechtvaardig oordeel verdreven had, wetende, dat zij in den vrede dier stad ook vrede zouden mogen genieten.
En wij — wij mogen wel letten op het rechtvaardig en streng gericht Gods, dat gekomen is en komt over den afval van Zijne Kerk, en heiliglijk vreezen, dat wij onze schouders niet eigenwillig aan het ons opgelegde juk onttrekken, veeleer Hem verbeiden, die, wanneer de tuchtiging haar doel zal hebben bereikt, het ook ons aan eene genadevolle uitkomst niet zal laten ontbreken. Eenmaal breekt de tijd aan, dat de Heere God Zijne Kerk van onder Babels juk zal uitvoeren, — de tijd, als haar getuigenis in Babel zal geëindigd zijn, en het woord geschieden zal: „Zij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babyion, en is geworden eene woonstede der duivelen en eene bewaarplaats van alle onreine geesten , en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte!" — en ook deze andere stem gehoord zal worden: „Gaat uit van haar, Mijn volk! opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt."
Tot zoo lang houden wij stand met het getuigenis des Heeren Jesus in haar midden, en zoeken wij het goede van de plaats, waar wij als vreemdelingen verkeeren , wetende, dat wij in haren vrede ook vrede genieten mogen. God ként Zijnen tijd en weet alleen, wanneer de maat der ongerechtigheden van Babels kinderen vol zijn zal. (Openb. 18.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 4. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken