Bekijk het origineel

Korte verklaring van Hoséa 2 vs. 18 en 19.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Korte verklaring van Hoséa 2 vs. 18 en 19.

12 minuten leestijd

„En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen."

De geschiedenissen van Juda en Efraïm zijn de geschiedenissen van de Gemeente des Heeren Jesus Christus. De zonden en de overtredingen van hen zijn de zonden en de overtredingen, waaraan de Gemeente schuldig staat. De bestraffingen van dat volk zijn bestraffingen des Heiligen Geestes, die Hij der Gemeente doet toekomen, en waardoor Hij haar loutert, terwijl evenzeer de vertroostingen, waarmede Hij dat volk vertroost, voor Zijne gansche Gemeente, tot aan het einde der dagen, voor elk lid in het bijzonder van toepassing zijn. Zoo hebben de geschiedenissen Jakobs geen einde; zij zjjn tot op heden en zullen voortduren tot den jongsten dag.
Bij den Profeet Hoséa vinden wij vele en velerlei bestraffingen, maar ook vele en zeer diep ingrijpende vertroostingen.
Treffend zijn onder deze laatsten vooral deze woorden: „En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ilc zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen.''''
Zullen wij dit wel verstaan, dan moeten wij Israëls zonden kennen, en, zullen wij persoonlijk de zoetigheid er van smaken, dan zal ieder voor zich moeten erkennen, dat wij-zelve ons met gedachten, woorden en werken aan deze hunne zonden schuldig gemaakt hebben en nog dagelijks schuldig maken.
Onder tweeërlei benamingen kunnen Israëls of onze zonden gevoegelijk gebracht worden. In de taal der Heilige Schrift worden zij genaamd a f g o d e r i j en o v e r s p e l . Afgoderij onder het beeld van den dienst der Baiils en der Astaroths ; overspel onder het beeld van de vrouw, die afwijkt van haren man, vreemde mannen bemint en met dezen hoereert en alzoo het heilig huwelijksverbond schendt door het verlaten van den leidsman liarer jeugd.
Had Israël zich niet aan die zonden en schanden schuldig' gemaakt en zich daarin verloopen ? —- Twijfelt gij ? Hoort dan den last van den Profeet: „Twist met ulieder moeder, twist, omdat zij Mijne vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat zij hare hoererijen van haar aangezicht en hare overspelerijen van tusschen hare borsten wegdoen!" (Hos. 2 : 1.) En let op de geschiedenis van dat volk van Egypte af tot hunne wegvoering naar Babel!
Heeft de Gemeente des Heeren Jesus Christus zich niet met dezelfde zonde bezoedeld? Twijfelt gij? Sla dan op den Brief van Paulus aan de Galaten en lees: „O gij uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jesus Christus — de rechte Man, ons van God gegeven, — voor de oogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde. Dit alleen wil ik van u leeren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Zijt gij zoo uitzinnig, daar gij met den Geest begonnen hebt, voleindigt gij nu met het vleesch?" (3: 1—3) en, let op de geschiedenis der Gemeente, hoe zij gedurig in dienst der wet, in bijgeloof en ongeloof is vervallen, niettegenstaande hare veelvuldige Verlossing door den God der waarheid, haren eenigen en echten Man !
En hebben wij persoonlijk anders gehandeld? Heeft niet ieder onzer, die maar oogen mag ontvangen om te zien, het zich niet te verwijten, dat wij Hem, de Fontein des levenden waters, verlaten voor de bakken, die wij ons uitgehouwen hebben, en die nog wel gebrokene bakken zijn, welke geen water kunnen houden! Ja, dat is onze zonde, dat wij doen als het oude Israël: het niet bekennen, dat Hij, do Ileere God, ons het kooru en den most en de olie gegeven en ons het zilver en het goud vermenigvuldigd heeft; en dat wij tot den Baiil gaan en hem offeren, — den Heer, dien wij ons verkoren hebben, — of, wilt gij liever nog, onszelven, alsof wij, onze sterkte en ons goed-zijn dit alles zich hadde verkregen.
Om die dingen waren wij waardig, dat de Heere God ophield genadig te zijn, en dat Hij ons van Zijn aangezicht verwierp.
Nochtans doet Hij dit niet. Het is Zijn lust, genadig te zijn en genade te bewijzen, opdat de genade heersche ten eeuwigen leven niettegenstaande onzen grooteu dood, waarin wij door onzen afval van Hem onszelven moedwillig hebben gestort.
Neen! Hij heeft Zich eene Gemeente ten eeuwigen leven verkoren en dezelve Zijnen Zone, onzen Heere Jesus Christus, gegeven, en Deze heeft Zich dezelve geëigend en gekocht met Zijn hartebloed. Hij is haar rechte Man! en zij is de Bruid des Lams! Dit zal zij steeds ervaren.
Daarom, nadat Hij haar uit liefde had bestraft en gekastijd, nadat Hij haar had ontbloot en haar ontnomen, wat zij missen moet, zoodat zij in werkelijkheid ervaart, dat zij nu alléén is en geenen helper meer heeft; nadat zij vervolgens haar oordeel heeft gebillijkt en het recht haars Gods heeft geprezen, dat zij dienovereenkomstig waardig was met Achan te worden gesteenigd, omdat zij, gelijk hij, hetgeen Gode verbannen was, zichzelven wederrechtelijk had toegeëigend om daarmede te schitteren of zichzelf te goed te doen, — opent de Heere God haar in dat dal, het dal Acliors, eene deur der hope en laat haar daar zingen als in de dagen harer jeugd. In die dagen noemt zij den Heere haren God bij Zijnen rechten Naam „mijn Man!" en noemt Hem niet meer „Baal", want zij is niet dienstbaar met Hagar en hare kinderen , maar zij is vrij en woont bij Hem, gelijk de echte vrouw bij haren man in vrijheid woont, en Hij weet er voor te zorgen, dat de namen der Baitls, der heeren, die zij heeft aangehangen, van haren mond worden weggedaan, ja zelfs bij haar niet meer zullen gedacht worden.
En hoe zal Hij dat doen ?
Hij zegt: „Ik zal U Mij ondertrouwen." Ik, de Heere, want dat is Mijn Naam, en Ik zal Mijne eer aan geenen anderen geven, noch Mijnen lof den gesnedenen beelden, want Ik ben h e t , die in gerechtigheid spreek, die machtig ben te verlossen, en hoewel Ik in het liooge en het verhevene woon, zoo woon Ik nochtans ook bij dien, die verbrijzeld eu nederig van geest i s , opdat Ik diens harte levendig make. IK zal dat doen.
Het huwelijk tussclien man en vrouw is van Goddelijken oorsprong en Goddelijke instelling. Die staat wordt daarom terecht genaamd de h e i l i g e huwelijke staat, waarin de man zich aan de vrouw volkomen geeft en de vrouw zich aan den man volkomen schenkt en onderwerpt. Al wat de man is, al wat hij bezit, zijn naam, zijne kracht, zijne eer, zjjn goed, 't is alles ten dienste zijner vrouw, en tiet komt liaar geheel en al ten bate, en wat de vrouw heeft, dat stelt zij alles in handen van haren echtgenoot, opdat hij daarmede doe naar het recht des huwelijks. Dit kan alleen in volle kracht en naar waarheid geschieden in dat huwelijk, waarvan het aardsche slechts eene flauwe afspiegeling is, t. w. in liet huwelijk tusschen Christus en Zijne Gemeente. En ofschoon nu de voltrekking van dat huwelijk eerst hierboven plaats heeft, zijn nochtans de rechten van den ondertrouw van zoodanige kracht, dat deze Man en deze Bruid alreeds elkander volkomen geëigend hebben, en dat de Bruid van haars Mans goederen leeft. — I)at heeft zij dan ook wel terdege noodig.
Immers, wie is zij? De Gemeente, — zij is ondertrouwd als eene arme en verlatene vrouw, vol van schulden, zij is enkel onvermogen en zwakheid. Hare gedaante is zwart, gelijk die van de vrouw van Mozes, den middelaar des Ouden Yerbonds, — en dat alles is geheel en alleen hare eigene schuld, want eenmaal stond zij in heerlijkheid en zuiverheid, toen zij rein en goed uit de handen van haren Maker was voortgekomen, en zij Hem kende aan den wind des daags.
Die Gemeente heeft Hij Z i c h weder o n d e r t r o u w d in e e u w i g h e i d , d. i. gisteren en heden is Hij voor haar dezelfde Getrouwe. Hij was en is en blijft haar Man, niet voor eenen korteren of langeren tijd, maar tot in alle eeuwigheid. Hoe gelukkig voor haar, die van zichzelve moet erkennen, dat, — indien het anders ware, indien er nog eene tijdsbepaling aan verbonden ware, indien dat huwelijk of die ondertrouw nog vervallen kon, zelfs ééne minuut voor den dood, — dat zij dan nog voorzeker in de eeuwige rampzaligheid zou wegzinken, want ook in dat kortste tijdstip zou zij niet op haar zelve kunnen bestaan, zou zij hare zaligheid hebben verbeuzeld of verwoest.
Die ondertrouw geschiedt in g e r e c h t i g h e i d. Zij, de Gemeente, behoort den Vader, die alleen recht op haar heeft, en alleen met haar handelen kan, gelijk de pottenbakker met het leem, makende daarvan naar zijnen wil hetgeen hem behaagt, een vat ter eere of ter oneere. Hij heeft haar gegeven aan den Zoon, opdat Deze Zich de Gemeente heilige en den Yader voorstelle zonder vlek of rimpel, op welke Satan, zonde en wet niets te zeggen hebben, of van wie zij niets meer te eischen hebben. En wederkeerig is ook de Zoon door den Yader der Gemeente gegeven , opdat zij naar de rechten des huwelijks al wat zij heeft, al hare zonden en haren geheelen afval met al de daaruit voortgevloeide schulden op Hem, als op haren wettigen Man, mocht overdragen, opdat Hij die betale, en zij wederom de vrucht Zijner kwijtschelding geniete.
Daarom is het ook een ondertrouw in g e r i c h t e , want naar het recht van dit hemelsch, Goddelijk huwelijk worden al de beschuldigers der Gemeente door God den Vader behandeld, en geeft Hij aan haar den onbeweegljjken grond van vrijmoedigheid, om met Paulus te vragen: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardigt. "Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is; ja dat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter Rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?"
Het is dan ook enkel g o e d e r t i e r e n h e i d , waarin de Gemeente is ondertrouwd; genade bij het begin, genade op het einde; het is een schenken van genade voor genade; en ook de Gemeente, zij mag het niet anders beschouwen, wil zij haren vrede bewaren en vruchten van gerechtigheid en goedertierenheden voortbrengen, die ook den naaste ten goede mogen komen, want: „gelijk gjj dan Christus Jesus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzóó in Hem", opdat gij vervuld zijt met de vruchten Zijner gerechtigheid.
En dit alles geschiedt in b a r m h a r t i g h e d e n , 't Is alsof wij lezen: „Daarom rommelt Mijn ingewand over haar: Ik zal Mij hai-er zekerlijk ontfermen," en uit deze ingewanden van 's Vaders barmhartigheid is voortgevloeid èn de Gemeente èn haar Goël èn alle heil in Hem voor tijd en eeuwigheid, haar verordineerd en toegeschikt.
Deze ondertrouw geschiedt ook in g e 1 o o v e of in waarachtig vertrouwen des harten. De Gemeente, die vanwege hare zonden schuchter is en daarom eer het woord van verdoemenis dan van zaligheid uit den mond des Heeren vertrouwt, ontvangt den Geest des Bruidegoms, die haar met Hem zoodanig vereenigt, dat zij Hem leert vertrouwen en op het woord Zijner lijdzaamheid leert acht slaan; die ook hare consciëntie reinigt van de doode werken en haar den levenden God doet aanhangen, vertrouwende het Woord Zijner zaligheid , haar in Christus geschonken, al is het ook, dat al wat zij hoort en ziet in haar en buiten haar aan haar geheel andere dingen schijnt te verkondigen. Nochtans! nochtans! zegt zij met den Catechismus, — al is het, dat mij mijne consciëntie beklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geene derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben; zoo is het nochtans, dat God zonder eenige mijner verdienste uit loutere genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad, noch gedaan, ja als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.
Dat is de waarheid naar Geest opgevat; dat is de kennisse Gods, des Eenigen en Waarachtigen in het aangezicht Zijns Zoons Jesus Christus; dat is den Heere te kennen, in welke kennis, gelijk de Vader spreekt, Mijn Knecht, de Rechtvaardige , velen zal rechtvaardig en zalig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden vergeven.
In dit geestelijk huwelijk leeft de vrouw geheel van den Man, heeft de Gemeente van haarzelve niets, maar in Christus alles. .Hij is haar wijnstok en haar vijgeboom, vol van edele vruchten; zij rust in Hem en onder Zijne vleugelen, en heeft allerlei vrede, vrede, waarin zij gereinigd is en gereinigd wordt naar lichaam, ziel en geest, — en zoo bevindt zij zich in het duizendjarig rijk des vredes, waarvan degenen, die het met vleesclielijke oogen eenmaal hopen te zien, te vergeefs droomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Korte verklaring van Hoséa 2 vs. 18 en 19.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 september 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken