Bekijk het origineel

Brief uit Nederland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Brief uit Nederland.

7 minuten leestijd

Geachte Redacteur!
Vergun mij een plaatsje in uw blad voor hetgeen mij vooral dezer dagen tot spreken dringt. Gij vergunt het immers? Ontvang reeds bij voorbaat mijn dank.
„Wij zijn Gods medearbeiders." Aan dit woord dacht ik bij het hooren en zien der dingen, welke in betrekking tot de algemeene ellende, de krankheên en wonden onzes volks, door de zoogenaamde Christelijke wereld geschieden; der middelen, die tot herstel en genezing door haar worden ter hand genomen. IIet valt mij gedurig op, dat er ten dezen, om niet te zeggen van z e l f h u l p , inderdaad van een m e d e h e l p en G o d e alle verwachting gekoesterd wordt. Allerwege wordt geijverd en gejaagd tot wat men noemt: bevordering of uitbreiding van het Godsrijk; er is schier geene plaats in den lande of er is eene vereeniging, die dit drijven dient; en wie niet zedelijk of stoffelijk meehelpt, telt niet als Christen mede.
Het komt mij voor, dat het woord van den Apostel Paulus „wij zijn medearbeiders Gods" in ecu zin gebruikt wordt, die bij alle schriftgeleerdheid toch weinig schriftkennis verraadt. ik wil niet aantoonen (dit is toch zonneklaar), — dat 1 Cor. 3 : 9 op dusdanige wijze geheel en al uit zijn verband gerukt wordt, — maar doen opmerken, dat er zulk een gebruik van gemaakt wordt, dat men die woorden o m g e k e e rd krijgt te lezen, n.1. zóó, dat de medearbeiders de eerste plaats innemen, en God in de tweede plaats treedt. Nu heb ik eens ergens gelezen: „hoe meer nullen achter de 1 komen, des te grooter de één (het getal) wordt", met deze toepassing: hoe nietiger wij, hoe grooter God. Als ik nu aan deze eenvoudige, juiste vergelijking het doen en drijven der genoemde Christelijke wereld toets, dan denk ik: ach! hoe klein is God, en hoe groot zijn de medearbeiders, en behoeft het wel niet te verwonderen — hoe o n g e r i j m d het ook klinken moge en i n d e r d a a d is — deze gedachte geuit te vinden, — juist daar, waar men spreekt over zijnen arbeid voor het Koninkrijk Gods, „voor Jesus", — : „het eenige, wat ik behoef, is onze nooden voor het volk te leggen, en men zal zekerlijk God en ons ter hulpe willen komen in de redding van zielen." (De Heilssoldaat, No. 4 , 22 Aug. 1888.)
Evenwel, het is niet deze Godslasterlijke taal, welke ik niet ontleden zal, — de consequentie van alle eigenwillige medewerkzaamheid met God, —• waarop ik wijzen wil, maar het is mij te doen oin de aandacht te vestigen op den hoogen stoel, waarop de zoogenaamde medearbeiders Gods zich stoutelijk geplaatst hebben. De ware medearbeiders Gods, z. a. de Apostel Paulus en anderen, die het waren of heden zijn naar de o r d e n i n g Gods, de door God geroepenen om te l e e r e n , f en d a t z i j n d e v r o u w e n n i e t , (zie Ef. 4 : 11, 12; 1 Cor. 1 4 : 3 4 , 35; 1 Tim. 2 : 1 2 ) ; zij hebben in don strijd en het lijden om der gerechtigheid wil, bij de teleurstellingen, die zij ondervonden, bij het vaak ploegen op r o t s e n , stuitende op hoogmoed, onverstand, ongeloof en onverschilligheid, ook op gierigheid, onvermoeid vermaand en bestraft; getuigenis gevende van Gods gerechtigheid, van Zijne W e t , hebben zij g e b e d e n : Uw Koninkrijk kome! ik bedoel, zij hebben niet van hunnen arbeid, maar van Gods arbeid het verwacht; zij hebben het verwacht van 's I l e e r en Woord en van Zijnen Geest, die alléén machtig zijn tot wederbaring des harten en vernieuwing des levens. Het redden der zielen, wisten en geloofden zij, lag niet half in hunne en half in 's Heeren macht, maar a l l e e n e n g e h e e l i n G o d s h a n d , die Zijnen lieven Zoon I gezonden heeft in de wereld, die een Zoon des menschen wilde worden om op te zoeken en zalig te maken, wat verloren was.
Maar, zal men zeggen, er geschiedt toch zooveel op Christelijk gebied juist door jongelieden en door vrouwen, wat wel ter dege op prijs moet gesteld worden en aller belangstelling en behartiging verdient. I k antwoord: een ieder kenne van en voor öod zijne roeping, en deze wordt in de Heilige Schrift duidelijk aangewezen; en dan is het zeker, dat het ook den jongelieden betaamt „God te vreezen en Zijne geboden te onderhouden", om in het beroep, waartoe zij worden opgeleid, alle naarstigheid te betoonen, en — wat aangaat het „bevorderen van het Koninkrijk Gods", — dat een iegelijk in z i j n e o m g e v i n g het licht des Woords late schijnen, maar men heeft volstrekt niet in eens anders ambt in te grijpen; gelijk ook der vrouwen roeping even duidelijk beschreven staat 1 Tim. 2 : 1 5 : „Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking met matigheid."
Vervult men nu deze door God aangewezene roeping, dan zal men arbeids genoeg hebben, en wel niet kunnen ophouden met de b e d e : Uw Koninkrijk kome! kome in mijn h a r t , in mijn huis, op mijn kantoor, in mijne werkplaats, enz.; en er zal wel de t i j d , en ook de m o e d v o o r God ontbreken, om tot „redden van zielen" zich buiten de deur te begeven.
W a a r l i j k , wanneer een ieder in eigen kring bleef, en daar w e r k e l i j k d e e d , wat God hem op de handen gelegd heeft, dan zouden zoovele particuliere vereenigingen „tot zielen redden", of hoe zij heeten mogen, niet bestaan. Daarom het volk moet niet, zooals men dat noemt, „bearbeid worden door particuliere vereenigingen"; maar de prediking van het Woord Gods, door een ieder in ziju eigen kring, is het Evangeliseeren naar 's Heeren bevel; juist omdat men hiervan is afgeweken, het g e t u i g e n in eigen huis en omgeving naliet, en uitging tot r e d d i n g in de wijde wereld, is er zooveel ellende en ongerechtigheid waar te nemen, en a c h ! de genezing wordt gezocht overal, behalve bij Hem, die zegt: Ik ben de H e e r e , uw Heelmeester! Het Woord, het levende en krachtige Woord Gods wordt niet geacht, en een eenvoudig getuige , die alleen door de prediking des geloofs den Satan bindt (Openb. 20 : 1—3), wordt over het hoofd gezien of veracht; en men is er blind voor, dat bij al het draven om zielen te redden, de duivel vroom en onvroom naar de hel sleept.
De Heere God ontferme Zich over ons en ons volk!
M. d. R e d . ! Doel van mijn schrijven is niet polemiek, wat uw Blad liefst vermijden wil, maar alleen een getuigenis te geven van de waarheid, en alzoo medearbeider Gods te zijn, waartoe ik ook geroepen ben.
Uw broeder in Christus Jesus X.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Brief uit Nederland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 oktober 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken