Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiel 5. (Vervolg en slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiel 5. (Vervolg en slot.)

10 minuten leestijd

Vs. 10. Daarom zullen de vaders de kinderen eten in hel midden van u, en de kinderen zullen hunne vaderen eten; en II: zal gerichlen onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien. Het strafgericht wordt nader omschreven: in de eerste plaats h o n g e r s n o o d , en wel in zijne nijpendste ellende. Men zal elkander verslinden, zelfs geene bloedverwantschap zal verschoonen. Egypteland raasde eens van den honger; doch Jozefs voorraadsschuren werden geopend, en de hongersnood was gestild. Jerusalem zal razen van den honger, maar geene Jozefs-schuren zullen er zijn, om dien te stillen. De dreiging des Heeren zal vervuld worden, die Hij gesproken heeft door Mozes, Zijnen knecht, als Gods volk in tegenspraak met zijnen God zou blijven handelen: Gij zult het vleesch uwer zonen en het vleesch uwer dochteren eten. (Levit. 26 : 29.) En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vleesch uwer zonen en uwer dochteren, die u de Heere uw God gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmede uwe vjjanden u zullen benauwen. (Deut. 28 : 53.)
Daarna v e r s t r o o i i n g van hetgeen zal zijn overgebleven, verstrooiing in alle deelen der wereld. Gerichten zal de Heere God in het midden van hen oefenen, gestrenger nog dan over Ammon en Edom, Kedar en Hazar en Elam. (Jer. 49.)
Mocht Israël nog vragen: waarom? het antwoord zal de Profeet hun geven.
Vs. 11. Daarom zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: (omdat gij Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uwe verfoeiselen, en met al uwe gruwelen) zoo lk ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet verschoonen zal, en Ik ook niet zal sparen! Daarom zal de Heere God hen dus niet meer verschoonen, hen niet meer sparen in Zijn rechtvaardig oordeel, wijl zij Zijn heiligdom door hunne gruwelen en verfoeiselen hadden ontheiligd. Reeds meer hebben wij daarop gewezen, hoe Israël zich aan de grofste afgoderij had schuldig gemaakt en in boozen wandel de Heidenen waren te boven gegaan. Dat was verontreiniging van des Heeren heiligdom en dienst; Zijne oogen hadden het gezien, dat zal Hij hun toonen door Zijne bezoeking: Ilij zal niet verschoonen, niet genadig zijn. Een ieder dan, die Gods heiligdom door valsche leer en onheiligen wandel schendt en daarin voortgaat tegen alle waarschuwingen van de Godsgezanten in, zal het zichzelven te wijten hebben, wanneer hij ten leste zonder barmhartigheid geslagen wordt. Dat oordeel zal elk waar herder voor de kudde, over welke de Heilige Geest hem gesteld heeft, niet mogen, niet durven verzwijgen.
Nu komt de Heere God nog eens terug op het beeld aan Israël getoond in het verdoelen der haren van Zynen Profeet.
Vs. 12. Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in hel midden van u te niele worden-, en een derde deel zal in hel zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal hel zwaard achter hen uittrekken. Hetgeen met Ezechiëls hoofdharen is afgebeeld, dat zal werkelijk met Israëls volk geschieden.
Zijn al de haren onzes hoofds geteld, valt er geen van die op de aarde zonder den wil onzes hemelschen Vaders, het zal met Israël gaan als met de haren des hoofds, die niet zijn geteld, waarop de Heere God geen acht meer schijnt te slaan, en toch acht op slaat; immers hetgeen met hen zal geschieden, zal zijn geheel overeenkomstig Zijnen wil; do nauwkeurigheid van het Godsbestuur zal ook zichtbaar zijn in het oordeel. Twee deelen des volks zullen door pest en honger worden afgesneden, het laatste derde deel zal vluchtende blijven, door den angst en het zwaard voortgedreven. Zoo gaat het gerichte Gods steeds over allen, die gelijk Israël op het vleesch zaaien, — zij zullen verderfenis maaien; de vleeschelijke wereld gaat steeds in het vuur des gerichts onder; alleen hij, die in Christus gelooft, komt door het oordeel henen; hij sterft nimmermeer.
Zoo komt Ezechiëls profetie in deze wereld nog altijd tot hare vervulling.
Vs. 13. Alzoo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijne grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, de IIEERE, in Mijnen ijver gesproken heb, als Ik Mijne grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben. Alzoo, op deze wijze, door dezo Mijne gerichtshandelingen over Israëls kinderen, zal Mjjn toorn niet alleen geopenbaard, maar ook volbracht worden, en zal Ik Mijne grimmigheid niet alleen doen verkondigen , maar ook op hen doen rusten, en in deze daden Mijner gerechtigheid Mij Zeiven recht verschaffen, Mij Zeiven troosten, gelijk wij dat ook lezen Jes. 1 : 4 : „Daarom spreekt de Heere Heere der heirscharon, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijne wederpartjjders, Ik zal Mij wreken van Mijne vijanden". Eene uitdrukking, waarin de hoogste Majesteit spreekt als een menscli, die, zeer verongelijkt en op het hoogst beleedigd zijnde, eerst dan rust heeft, als het rechtvaardig vonnis van den rechter de verongelijking en de beleediging in het licht gesteld en gewroken heeft. Israël moet het weten, dat Jehovah God is, en dat zij dezen hunnen God op het diepst hebben onteerd en Zijne hoogheid gekrenkt; en dat zullen zij weten, wanneer de Heere God Zijne gerichten aan hen zal hebben geoefend; zij zullen weten, dat Ik, de Heere, in Mijnen ijver, — als een God, jaloersch op Mijne eer, — heb gesproken, als Ik Mijne grimmigheid tegen hen zal hebben volbracht. Heilig en jaloersch is de Heere God op de volmaaktste wijze; daarom ligt het in Zijn Wezen, dat Hij Zijne heiligheid bewijst in de uitoefening Zijner strafgerichten over allen, die Zijne genade hebben veracht, en om die te volvoeren voor het oog van allen. Immers zoo gaat de Heere God voort met spreken door den mond van Zijnen Profeet:
Vs. 14, 15. Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de Heidenen, die rondom u zijn, voor de ongen van al dengenen, die voorbijgaat. Zoo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting den Heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toom, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal: Ik, de HEERE, heb het gesproken! Rein en recht is God in al Zijne wegen, die Hij houdt zoowel met Zijn volk, als met al de menschenkinderen Heeft Zijn knecht David door eene onheilige daad den Naam des Heeren grootelijks doen lasteren, voor het oog van het gansche volk zal Hij, de Heere, Zijnen Naam heiligen in de bezoeking over hem; daarin zal Hij Zijnen knecht niet verschoonen. Heeft Israëls volk door hunne overtreding den Heidenen aanleiding gegeven tot groote lastering, voor het oog dier Heidenen heiligt Hij, de Heere, Zijnen heiligen Naam in hunne strenge kastijdingen : de smaadheid en hoon, waarin Hij hen, afwerpende van hunne hoogte, nederwerpt onder de Heidenen, zal dezen een ouderwijs en eene ontzetting zijn. Een onderwijs en eene ontzetting! Ja voorzeker, als de Heere God gerichten en toorn over Zijn volk uitstorten zal in Zijne grimmige straffen, dan zullen de Heidenen erkennen, dat de God Israëls een levend God is, die Zich niet straffeloos laat hoonen, ook niet door Zijn eigen volk; dat Hij is de God des hemels en der aarde, bij Wien hunne afgoden als niet te achten .zijn. En dat dit alles geschieden zal en die uitkomst zal hebben, bevestigt de Heere God door het nadrukkelijk zeggen: I k , de Heere, heb het gesproken! Stond Mijn volk eenmaal onder de Heidenen als een toonbeeld Mijner liefde en ontferming, nu zal het onder hen staan als een toonbeeld Mijner gestrengheid en gerechtigheid.
Nog eenmaal herhaalt de Heere God Zijne bedreigingen voor de ooren van Israël, opdat alle twijfel omtrent de vervulling van Zijn Woord bij het volk weggenomen zij, want het gaat met hen als met ons. Verkondigt ons het Woord des Heeren, door Zijne gezanten gesproken, genade, dan zullen wij het van ons stooten, meenende in onze vroomheid, dat daardoor aan de eischen van Wet en gerechtigheid, aan de eischen van eenen reinen wandel te kort wordt gedaan; verkondigt het ons daarentegen oordeel op oordeel, dan vleien wij onszei ven met eene ijdele hoop op des Heeren goedertierenheid en genade, zeggende in onze harten: ja, maar de Heere is toch barmhartig. Daarom zegt de Heere nog eenmaal:
Vs. 16, 17. Wanneer Ik de booze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven, zoo zal Ik den honger over u vermeerderen, en u den staf des broods breken. Ja honger en boos gedierte, die u van kinderen berooven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan ; en hel zwaard zal Ik over u brengen: lk, de HEERE, heb hel gesproken Booze pijlen des hongers, bij het breken van den staf des broods, tot verdervens toe! Ja honger en boos gedierte, die beide de kinderen hun zullen ontrooven, ook pestilentie en bloed, doodslagen en allerlei moord, met het zwaard des vijands, dit alles — daarvan konden zij zich nu verzekerd houden — zou h u n God over hen brengen. Het is, alsof de gansche natuur ten strijde is opgeroepen tegen het volk van 's Heeren verbolgenheid!
Maar, waarom moet toch Ezechiël den gevankelijk weggevoerden de oordeelen des Heeren verkondigen zóó alsof zij zich nog te Jerusalem of in het land Kanaiin bevonden? Vooreerst zien wij daaruit, dat de Heere God Zijn volk als één geheel beschouwt; het is Israël, zoo in Babel als in Jerusalem; zij allen hebben eenerlei overtreding begaan en liggen onder eenerlei oordeel. Al zijn z i j in Babel op het oogenblik bevrijd van de booze pijlen des hongers en van de zeer gruwelijke pestilentie, — in hetgeen met hunne broederen geschiedt in het land der belofte zullen zij erkennen, wat hun lot zijn moest, als de Heere God in Zijn rechtvaardig oordeel Zijne gansche grimmigheid ook over hen had uitgestort. Daarenboven , door deze handeling huns Gods en door het herhaalde: „Ik, de Heere, heb het gesproken!" worden zij als met den vinger teruggewezen tot hetgeen reeds hun groote Profeet Mozes in zijn lied (Deut. 32) hun voorgezongen had, als ook uit hetgeen de Profeten later uit des Heeren mond hun hadden betuigd, gelijk wij o. a. bij Jesaia (3 : 1) vinden kunnen.
Maar ook deze leering mogen wij daaruit wel ter harte nemen, dat het Woord Gods, zooals het daar ligt, tot ieder mensch, tot een iegelijk van ons persoonlijk spreekt, en dat het ons verkondigt eenen God van louter liefde en zegen voor elk, die arm en verloren is in zichzelven, die voor dat Woord beeft; maar ook eenen God van gerechtigheid en grimmigheid tegen den lichtvaardigen en verharden verachter Zijner getuigenissen. Deze prediking komt steeds tot ons, en elk trouw wachter op Zions muren heeft dezelve gedurig te brengen en daarin te volharden, trots de vijandschap en bespotting des vleesches, dat er zich tegen verzet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 november 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ezechiel 5. (Vervolg en slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 november 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken