Bekijk het origineel

Verklaring van Ezechiël 6. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ezechiël 6. (Slot.)

10 minuten leestijd

Vs. 8. Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij eenigen zult hebben, die het zwaard ontkomen onder de Heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden. —
Het overblijfsel zal, bewaard en verborgen als de haren van Ezechiëls hoofd in de slippen van zijnen mantel, door God behouden worden. Behield de Heere God Zich een overblijfsel van Korachs geslacht, dat Zijnen Naam kende en Hem liefelijk was in den dienst Zijns tempels, zoo zal het ook geschieden onder Israëls verdrevenen. Het zal ook met hen gaan als met hunne broederen, van wie wij lezen: Het volk, dat overgebleven is in do woestijn, heeft genade gevonden in Mijne oogen; het overbljjfsel zal behoaden worden. De Heere God heeft de massa niet noodig, om Zijnen Naam groot te maken en om de kennis van dien Naam te verbreiden; dat mogen wij noodig hebben voor onzen naam en voor onze eer, — de Heere echter niet. Hij verheerlijkt Zich in en door het geringe, het nietige, het verstrooide, het weggedrevene, in en door hetgeen niets is; daarin wrocht Hij Zijne sterkte, daarin en daardoor verheerlijkt Hij Zijnen Naam, opdat hetgeen iets is te schande worde. Zij zullen Zijner gedenken.
Vs. 9. Dan zullen uwe ontkomenen Mijner gedenken onder de Heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door huil hoerachtig hart, dal van Mij afgeweken is, en door hunne oogen, die hunne drekgoden nahoereeren; en zij zullen eene walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hunne gruwelen gedaan hebben. — Zoo zegt Jeremia (Hoofdst. 51 : 50): „Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg en blijft niet staan, gedenkt des Heeren van verre, en laat Jerusalem in uw hart opkomen!" Dal zal de Heere God als de vrucht Zijner genade bij hen doen uitspruiten in waarachtige bekeering: zij zullen tot Hem wederkeeren; zij zullen Zijner gedenken uit verre landen, uit het land hunner gevangenschap. „Ik gedenk heden mijne zonde", zegt Parao's schenker; Jozef, zijnen weldoener, had hij in zijnen grooten voorspoed geheel vergeten. Ook Israël had zijnen Weldoener, zijnen God vergeten, door Wien zjj toch alleen geworden waren een volk, rijk gezegend. Des Heeren Geest, die alleen van zonde overtuigt, is bij hen in de gevangenis en heiligt hun de bitterheid der bezoeking aan het hart; zij komen tot erkentenis, tot ootmoed, tot waarachtig berouw; zij geven Gode recht en gelijk, de schuld is hunne; hun hoerachtig hart, hunne oogen, — die hnnne drekgoden nahoereerden — hebben Gode zoo mishaagd, dat zij den loop Zijner weldaden over hen hebben gestuit en afgebroken, zij hebben hunnen God als het ware verbroken, d. i, doorgriefd van droefheid, dat Hij Zich om Zijner deugden wil niet meer onder hen kon openbaren, zooals Hij waarlijk is: als de God van alle genade, als de God van hun volkomen heil. Dat erkennen zij volmondig, daarvan zondert zich de beste niet uit, als hij het voor den Heere zijnen God betuigt: W i j hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd met af te wijken van Uwe geboden en van Uwe rechten. Bij U, o Heere, is de gerechtigheid , maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage, bij de mannen van Juda en de inwoners van Jerusalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn in alle landen, daar Gij hen heen gedreven hebt, om hunne overtreding, daarmede zij tegen U overtreden hebben (Dan. 9); zij, die zichzelven zoo hoog hebben aangeslagen als het volk van God en in die hoogte zichzelven hebben behaagd en daardoor in de gruwelijkste afgoderijen zijn vervallen, zullen zich nu in alle oprechtheid van zichzelven afkeeren als van iets, dat walgelijk, gansch onrein is, en zich wenden tot hunnen alleen reinen God.
In dat overblijfsel behoudt Zich de Heere God dus Zijn Rijk op aarde, dat niet kan of mag vernietigd worden om des Gezalfden wil, — en dat heeft de Heere God steeds gedaan en zal het blijven doen tot den einde. Het eigengerechtige huis, dat wij ons in eene uitwendige kerkgestalte mogen optrekken, versieren en door allerlei kunstmiddelen zoeken staande te houden, valt onder 's Heeren gerichten; in de geloovigen nochtans, in hen, die zichzelven, door dat gericht geleerd, in ware boetvaardigheid mishagen, blijft het Rijk van genade en waarheid stand houden, naar liet woord des Heeren: het Koninkrijk Gods is binnen in ulieden. Dat Rijk wordt door de poorten der hel niet overweldigd. Het leeft en blijft leven, al moet het ook door velerlei nood, verdrukking en kruis henen.
Vs. 10. En zij zullen weten, dat Ik de HE ERE ben: Ik heb niet te vergeefs gesproken, van liun dit kwaad aan te doen. — Dat uitverkoren overblijfsel zal het weten en het daardoor ook erkennen, dat Ik de Heere God ben, en dat Mijne trouw en waarheid vorderde, met Israël, met Mijn volk alzoo te handelen, gelijk Ik heb gedaan, bevestigende liet woord Mijner Profeten en getrouwe getuigen, dat Ik een levend God ben, die niet te vergeefs spreek, maai' eenmaal het woord laat komen, hetwelk Ik in Mijnen heiligen ijver heb gesproken, doch waarvan zij zich in hun ongeloof hebben afgekeerd en bleven afkeeren, totdat het gekomen en over hen voltrokken is.
Dat echter het volk als met geweld het verderf in de armen loopt, kan Gode niet behagen, daarom vervult Hij Zijne knechten met heilige en pijnlijke smart over deze dwaze onzinnigheid, en geeft aan Ezechiël bevel, door zekere gebaren de innerlijke droefheid des harten over de boosheden en gruwelen van het huis Israëls uit te drukken.
Vs. 11. Zoo zegt de Ileere HEERE: Sla met uwe hand, en stamp met uwen voet, en zeg: Ach.' over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls: want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen. —
Het slaan met de handen, het stampen met den voet, het uitroepen van wee en ach, zijn allen teekenen van rouw en diepgevoelde smart over het oordeel Gods, dat Israël zich door zijne gruwelen niet alleen op don hals had gehaald, maar als het ware tot zich heeft getrokken. Hij heeft den vloek begeerd, dat die hem overkome, — zoo lezen wij Ps. 109,— dat is: hij heeft zich in zijne ongerechtigheid niet gestoord aan Mijn Woord, dat hem bestrafte in zijn hart en met den vloek dreigde, zoo ook Israël niet. Zwaard en honger en pestilentie hebben zij als begeerd door in hunne lichtzinnigheid en in de verharding hunner harten het woord Mijner bedreiging niet te liooren, maar voort te gaan in den boozen weg van hunne afkeering van Mij, waarin zij wandelden. Nu is dan het oordeel gekomen, het is gekomen van het eene einde tot het andere einde des lands; zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen. Ook deze smart van des Heeren Profeet moet Israël overtuigen, dat zij slechts de vrucht hunner handelingen plukken. Dat liet geheel de eigen schuld van het volk was, die den Heere hunnen God had genoopt het woord Zijner bedreiging over hen te voltrekken, want, gelijk een vader de roede niet opneemt, tenzij genoodzaakt door de ongehoorzaamheid des zoons, die alle vermaning en bedreiging in den wind blijft slaan, en dat doet, opdat zijn gezag als vader gehandhaafd blijve, — zoo handelt ook Israëls God. Hij is traag tot toorn, maar genoodzaakt om Zijns Naams en Zijner eere wil stort Hij Zijnen toorn ook zekerlijk uit over den weerbarstigen, opdat Zijn Naam gehandhaafd blijve in het midden der menschenkinderen, en door Zijne tuchtroede behouden worde het overblijfsel, dat Hij Zich ten leven verkoren heeft, dat er door geoefend en gelouterd moet worden.
In de teekenen van smart en rouw over Israëls afval en de oordeelen Gods, die zij daardoor zichzelven berokkend hebben, moet de Profeet door 's Heeren woord de meer dan eens aangekondigde ellende over hen bevestigen. Hij zegt het zijnen hoorders:
Vs. 12. Die verre af is zal door de pest sterven: Gods oordeel zal hem vinden, hij moge vlieden waarheen liij wil: en die nabij is, zal door het zwaard vallen: het volk des lands zal des vijands zwaard niet ontkomen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven: zij die zich geborgen hebben binnen Jerusalems muren, wanende zich daar met de inwoners der stad nog het meest beveiligd, zullen door hongersnood sterven. Alzoo (zegt de Heere God) zal Ik Mijne grimmigheid legen heil volbrengen. Zoo zal Mijn oordeel over Mijn gansche volk gaan, verberging zal onmogelijk zijn. En zoo heiligt de Heere God Zijnen Naam voor het volk, dat dien Naam zoo zeer had ontheiligd.
Vs. 13. Dan zult gij weten, dal Ik de HEERE ben, als hunne verslagenen in hel midden hunner drekgoden rondom hunne altaren wezen zullen op alle hooge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hunnen drekgoden liefelijken reuk maakten. — God moet bekend zijn als God, en de afgoden als nietige ijdelheden, die niet verlossen kunnen ; zij, die daar verslagen ter neder liggen om hunne altaren, waarop zij liun rookten, met degenen, die op de heuvelen onder de groene boomen en onder de dichte eiken, waar zij hun feest vierden, zijn neergeveld, zullen daarvan ten bewijze strekken.
Geen afgod is machtig geweest hen te redden uit des Heeren hand, uit de hand van Hem, die Zich Israël had bekend gemaakt als de God des hemels en der aarde: de alleen levende God. Dat moet zoo zijn; daarom zegt de Heere verder:
Vs. 14. Daarom zal Ik Mijne hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja woester dan de woestijn naar Diblath henen, in al hunne woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik de HEERE ben. —De verwoesting, welke de Heere God zal doen komen over volk en land: het volk doodende en verstrooiende, en de bewoonde plaatsen des lands makende tot eene woeste wildernis achter hen, woest als de onbewoonbare woestijn naar Diblath, aan Moabs grenzen, zal het de overblijvenden op ontzettende en treurige wijze doen ondervinden, dat Israëls God de Heere is. Hetgeen zij niet in geloove en tot hunne zaligheid hebben willen erkennen, dat zullen zjj nu met schrik en ontzetting zien en voor 's Heeren aangezicht moeten bekennen.
Zoo handelde God met Zijn volk van ouds, zoo handelt Hij steeds met hen, zoo doet Hij nog, en zal Hij ook doen in ons midden. De Heere God moge Zjjnen Naam aan den boetvaardigen zondaar heiligen in genade tot diens behoudenis, aan den verstokte, den verharde, den verachter Zijner genade zal Hij dien verheerlijken in Zijnen toorn tot diens ondergang.
Een getrouw getuige moet in God den moed hebben, dit aan het volk, in wiens midden hij geroepen is te arbeiden, steeds voor te houden trots haat en verachting, waarmede de wereld hem en zijn getuigenis mocht bejegenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 november 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Ezechiël 6. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 november 1888

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken