Bekijk het origineel

De godsdienstige toestand der Joden ten tijde van onzen Heere Jesus en de Apostelen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De godsdienstige toestand der Joden ten tijde van onzen Heere Jesus en de Apostelen.

8 minuten leestijd

Onder de Christenen heerscht de meening, dat de Joden een ganscli bijzonder goddeloos en onverbeterlijk volk geweest zijn.
Deze bewering gelijkt op die, welke Jesus bij het volk van Zijnen tijd hoorde, Matth. 23 : 30. Wil men rechtvaardig oordeelen, zoo moet men veeleer toestemmen, dat, ten aanzien van uitwendige vroomheid en ijver voor den godsdienst, geen volk ooit het Joodsche geëvenaard heeft. Het bewijs daarvoor hebben wij in het feit, dat het grootste deel van dit volk zich in geloof en gehoorzaamheid aan den doop van Johannes onderwierp. Tollenaren en hoeren erkenden het recht Gods en lieten zich doopen. Indien ook al de Farizeën en Sadduceën zijnen doop niet aannamen, zoo gaf Johannes zelf ten deele daartoe aanleiding, dewijl hij hen van zich wegdreef. Al het volk hield Johannes voor eenen profeet. Bjj menigten volgden zij ook Jesus in de woestijn, om Zijne prediking te hooren. Het Hosanna-geroep der duizenden bij den intocht in Jerusalem bewijst genoegzaam, dat de Joden niet onvatbaar waren voor het opmerken van eene geestelijke macht en hulp, die in de gestalte der uiterste nederigheid verscheen. Hoe dikwijls heeft het gansche volk God geprezen, wanneer het de wonderen van Jesus aanschouwde! Hoe lang heeft het tusschen geloof en ongeloof, tusschen liefde en haat geweifeld! Onder alle standen vinden wij menschen, die God waarlijk vreesden; onder de tollenaars eenen Mattheüs en eenen Zacheüs, onder de visschers eenen Petrus, diens broederen de zonen van Zebedeiis, onder de priesters eenen Zacharias en eenen Johannes, onder de Levieten eenen Barnabas, aan het hof van Herodes de vrouw van Chusas en eenen Maria en in het midden van het Sanhedrin eenen Nicodemus en eenen Jozef van Arimathea, en aan de voeten van Gamaliël eenen Saulus. Het volk was over het geheel godsdienstig en tot op zekere hoogte geneigd zich onder de waarheid te buigen. Het ruwe en naakte ongeloof kon niet opkomen, en ondeugden werden openlijk gebrandmerkt. Het geheele volk was van het gevoel doordrongen, dat Herodes uitspreekt (Josephus antiq. XV : 5, 3): „Het schoonste van de leerstellingen en het eerwaardigste in de wetten hebben wij van God geleerd door engelen". Van het gedrag der Joden onderling zegt zelfs een Tacitus: „Bij hen is een hardnekkig geloof en eeue in 't oogloopende barmhartigheid." Ter wille van hun geloof smaadde hen Juvenalis: „Dat moge een Jood gelooven!" Zij verdroegen liever alles, dan dat zij het geloof zouden verloochend hebben. Hunne leer was van dien aard, dat Celsus en de Clementijnen tusschen Joden en Christenen geen ander onderscheid kennen, dan dat genen aan eenen komenden, dezen in den gekomenen Messias gelooven. Van jongs af, zegt Josephus, werd ieder in de Heilige Schriften onderwezen, ieder op het nauwkeurigste daarmede bekend gemaakt, en allen hadden éénen God, ééne leer en ééne Wet.
Zelfs in de gruwelen van den Joodschen oorlog keert eigenlijk slechts de godsdienstige dweepzucht het zwaard des eenen tegen den andere. Men neemt nog in dien vreeselijken strijd eene toewijding aan de voor heilig gehoudene zaak des geloofs waar, die ook den Romein tranen van medegevoel afperste. Israël was het volk Gods, Jerusalem de stad des grooten Konings (Matth. 5: 35), de heilige stad (27: 53), de tempel het huis des Heeren (Lukas 1 : 9; 24 : 53). Zooals Jesus over Jerusalem geweend heeft, zoo heeft Zijn Apostel gewensclit, van Christus verbannen te zijn voor zijne broederen naar het vleesch, van wie hij betuigt, dat hij hen liefheeft.
Evenals van het volk, zoo heeft men zich ook van de godsdienstige partijen verkeerde voorstellingen gemaakt. De Farizeën waren onder het volk de invloedrijkste partij. Hunnen naam „afgezonderden" droegen zij waarschijnlijk daarom, dat zij zich van den grooten hoop afgezonderd hadden, om naar de godzaligheid te streven. Indien wij van hen geene andere beschrijving hadden, dan die van Josephus, zoo zou men hen het strengere, vrome, rechtgeloovige deel des volks noemen.
Hunne leerstukken wraren over het algemeen aan de Schrift ontleend en stemden met de Schrift overeen. Paulus noemt zich, met het oog op de leerstukken, onbeschroomd eenen Farizeër en den zoon eens Farizeërs. Zij wisten, wat de hoofdsom der wet was. Ja, Nicodemus, een hunner, zegt tot Jesus: „Wij weten, dat Gij zijt een leeraar, van God gekomen." Zoo slechts Johannes en Jesus hun een weinig toegegeven hadden, zoo zouden z i j de eerste aanhangers van Jesus geweest zijn. Na het Pinksterfeest zjjn vele Farizeën tot het geloof gekomen en werden weldra mannen van gewicht en aanzien in de Gemeente (Hand. 11 : 2; 15: 5; 21 : 20; Galaten 2 : 12; Filipp. 3 : 4, 5; 2 Cor. 11 : 22). De Farizeën beijverden zich in goede werken en in de nauwkeurigste vervulling der Wet. Zij hadden aan de tien geboden niet genoeg, maar namen bovendien eenen geheelen codex van onthoudingen, boetedoeningen en godsdienstige plichten in acht.
Zij vastten en baden veel, bezochten zeer geregeld de Synagoge, zochten het geloof te verbreiden, deden zeer veel aan de armen, en waagden vaak hun leven, wanneer Herodes of de Romeinen hunne heiligdommen aantastten of hun geweten geweld aandeden. Maagden en weduwen sloten zich bij hen aan en legden geloften af. Zij zeiven wilden van werkheiligheid of gerechtigheid uit de werken niets wreten. De Talmud noemt zeven klassen van Farizeën op, waaronder zulken, die uit vreeze of om loon het goede deden. Hij verklaart, dat slechts degene een waar Farizeër is, die uit reine liefde tot God de Wet vervult, gelijk Abraham zulks gedaan heeft.
Tegenover de Farizeën stonden de S a d d u c e ë n . Zij worden geacht hunnen naam van Zadok ontvangen te hebben, eenen leerling van Antigonus Socheüs, die na Simeon den Rechtvaardige voorzitter van het Sanhedrin was. De Sadduceën zelve leidden hunnen naam liet liefst af van Zaddik, cl. i.: „ de rechtvaardige." Naar den aard van het menschelijk verstand, dat licht in eene partij gebreken en overdrijving merkt en die dan bestrijden wil, bespeurden ook de Sadduceën bij de Farizeën het te groot gewicht, dat zij aan de overleveringen hechtten, en de loonzucht hunner werkheiligheid. Daarom verwierpen zij de overlevering of de mondelinge wet, en wilden het eenvoudige Bijbelgeloof herstellen. Zij zeiden, dat men het goede ter wille van het goede zelf moest doen, en niet om eenige zaligheid hiernamaals. Zij verwierpen ook de strenge leer van de Voorzienigheid en van de voorbeschikking, gelijk de Farizeën die leerden, en verdedigden den vrijen wil. Ten opzichte der leerstukken van de opstanding en van de engelen beweerden zij, dat die uit de Schrift niet konden bewezen worden. Zij vormden dus eene meer vrijzinnige, wereldlievende tegenpartij, die de rede tot haar richtsnoer koos. Hoofdzakelijk onder de voornaamsten des volks hadden zij hunne aanhangers, en zoo gering was hun invloed bij de schare, dat een priester, wanneer hij in zijn hart een Sadduceër was, toch zich moest voordoen als een Farizeër.
Josephus noemt nog eene derde partij, de Esseën. Deze stonden vrijwel op eene lijn met de Therapeuten in Egypte, wier levensregelen de bewondering van Philo opgewekt hebben.
Zij legden zich toe op de z.g. theosophie of Godswijsheid en stonden het monnikenleven voor; zij achtten de letter der Schrift niet, maar huldigden de allegorie (zinnebeeldige voorstelling), de mystiek, de innerlijke beschouwing, die zij in godsdienstige oefeningen aankweekten, terwijl zij zich uit de menschelijke samenleving afzonderden, het huwelijk verwierpen, enz. Daar zij in deze zelfgekozene vroomheid hunne vreugde vonden en, zichzelven behagend, naar God en menschen niet vraagden, zoo zijn zij niet met Jesus en is Jesus niet met hen in aanraking gekomen. Hunne theorie en praktijk hebben nochtans in menig geval de latere Gemeenten besmet. Het monnnikendom heeft deels aan hen, deels aan de Farizeën zijne regelen ontleend. De Esseën leefden afgezonderd aan de Jordaan en in de woestijn. —
De Farizeën en de Sadduceën waren de beide hoofdscholen en partijen, uit welke de priesters en leeraren des volks voortkwamen, terwijl de Esseën geheel terugtraden. De overpriesters en de aanzienlijken behoorden ten deele tot de Sadduceën, maar de eigenlijke leidslieden des volks hingen gezamenlijk de leer der Farizeën aan. De Rabbi's of Schriftgeleerden legden zich met ijver op de Schriftstudie, de dogmatiek en de overleveringen der voorvaderen toe. Talloos waren de Synagogen over het geheele land. Bijbelsche voordrachten voor het volk, geleerde onderzoekingen en redetwisten der school waren aan de orde van den dag en trokken veel toeloop. De partij der Farizeën bewees den Rabbijnen groote eer en werd daarom door dezen als het eigenlijke Israël beschouwd en van het „volk der aarde" streng onderscheiden. Galileërs, tollenaren, zondaren en dergelijken werden verafschuwd. Men verbond de zaligheid of' rechtvaardiging aan een vroom en godsdienstig leven, zooals de Schriftgeleerden en orthodoxen voorschreven en beoefenden.
(JOH. WICHELHAUS, Akademische Vorlesungen: Ev. Matth. II. ed. pag. 110 v.v.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De godsdienstige toestand der Joden ten tijde van onzen Heere Jesus en de Apostelen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken