Bekijk het origineel

Mattheus 5 Vs. 1 v.v. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Mattheus 5 Vs. 1 v.v. (Vervolg.)

8 minuten leestijd

Zulks zijn, op zichzelven beschouwd, de minste armen en hulpeloozen. Veeleer wil bijna geen arm mensch arm zijn, evenmin als een dief een dief wil zijn. Over het algemeen zijn de armen: hoogmoedig, aanmatigend, onbeschaamd of boosaardig en murmureerend tegen God en menschen, barsch, onvriendelijk, onbescheiden ; ook is er hun weinig aan gelegen van waar het komt; wanneer hun hulpe toegebracht wordt, zijn zij ondankbaar, willen steeds meer hebben, en w i l l e n uit h u n n e a r m o e de n i e t uit. Ja, hoe velen blijven bedelaars en bergen het bij elkaar gebedelde onder het stroo weg ?
Wil God het zoo, — eene arme moeder hebbe 't dan nog minder, dan de heilige maagd in den stal te Bethlehem, en haar zuigeling nog minder dan het Kindekeu in de kribbe. — Maar bij wie kwam het zoo ver ? Genoeg, een arme van geest is anders arm, dan iemand, die bloot uitwendig arm is. Iiijken kuunen zeer wel arm van geest zijn. Zij zijn niet buitengesloten, wanneer het Evangelie ook al de armen, die te gelijk geestelijk arm zijn, bijzonder doet uitkomen.
Dat zullen wij bewijzen. Arm van geest waren de rijke wijzen, die den tiran Herodes de vraag voorlegden: waar is de geborene Koning der Joden? en tot hem zeiden: „wij zijn gekomen, om Hem te aanbidden"; en arm van geest waren zij, daar zij zich niet ergerden aan de armoede van dezen geboren Koning, maar Hem aanbaden, en voor Hem hunne schatten openlegden.
Arm van geest was de rijke Jozef van Arimathea, toen hij het waagde om tot Pilatus te gaan, hem vragende om het lichaam van Jesus.
Arm van geest was Nicodemus, toen hij kwam en aanbracht een mengsel van mirre en aloë van omtrent honderd ponden. om het lichaam van Jesus te balsemen.
Arm van geest was de rijke Zacheüs, de tollenaar, toen hij, klein zijnde van persoon, liet volk vooruitliep en op eenen wilden vijgenboom klom, opdat hij Jesus zien mocht; en hij op Jesus' woord: „Zacheüs! haast u en kom af, want Ik moet heden in uw huis b l i j v e n i j l i n g s afklom, Jesus met blijdschap in zijn huis opnam en tot den Heere zeide: „Zie, de helft van mijne goederen, Heere! geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder." Luk. 19.
Arm van geest was de rijke Izak, toen hij geen krijg voerde met de lieden te Gerar, die hem uit boosheid zijne putten toestopten, — maar zoo langen tijd naar nieuwe liet graven, totdat hij zeggen konde: Rehoboth. 1) En wederom betoonde hij zich arm van geest, toen hij tot Ezau aangaande Jakob zeide: „Hij is gezegend, ook zal hij gezegend blijven."
Arm van geest was koning David, toen hij, na het opbrengen van de arke des verbonds, tot de trotsclie Miclial sprak, die hem met hoon overlaadde, omdat hij voor de Arke des Heeren gedanst had, zooals wij lezen: „Als nu David wTeder kwam om zijn huis te zegenen, ging Miclial, Sauls dochter, uit, David te gemoet en zeide: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de oogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten lieeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich beschaamdelijk ontbloot? Maar David zeide tot Miclial: Voor het aangezicht des Heeren, die mij verkoren heeft voor uwen vader, en voor zijn gansche huis, mij instellende tot eenen voorganger over het volk des Heeren, over Israël. Ja, ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren.
Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen; en met de dienstmaagden, daarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden." (2 Sam. 6 vs. 20—22.) Ziet, hoe deze vorst zich met de armen vergezelt, zich met de arme en armste vrouwen in Israël gelijk stelt. Ziet, daar zijn de godvreezende rijken zoo bloedarm, eveuals de godvreezende armen; maar God heeft die arme dienstmaagden niet om Davids wille gemaakt, maar David om der arme dienstmaagden wil.
Wij slniten dezen krans van beteekenisvolle namen met eenen Apostel. Arm van geest was de hoogbegaafde Apostel Paulus, toen hij, d i e p u i t het hart, het volgende nederschreef: „Mij , den voornaamste der zondaren, is barmhartigheid geschied.1' — „Wij weten, dat de Wet geestelijk is; m a a r ik ben vleeschelijk , verkocht onder de zonde." — „Niemand denke van mij boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort." — „De Heere heeft mij gegeven eenen scherpen doorn in het vleesch.
Hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg; want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht." — „Wanneer ik de liefde niet had, zoo ware ik niets." — „Ik wil onder u niets weten, dan Jesus Christus en Dien gekruist." — „Ik achc ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jesus, mijnen Heere." — „Broeders! ik acht niet dat ik zelf het alreeds gegrepen heb." — „Wij, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten in onszelven, bezwaard zijnde."
Alzoo heeft dan het arm-van-geest-zijn betrekking op het eerste gebod, dat men in zijn hart geene hulp, kracht noch steun heeft, buiten den eenigen, eeuwigen en levenden God; dat men geene wijsheid noch verstand in zichzelven of voor de menschen heeft, als alleen het verstand en het inzien in het Goddelijk gebod; dat men verder voor de wereld wel een dwaas wil zijn, ja ook is, en zich laat schelden, en als een arm mensch zulk schelden niet hoort, en niets weet, niets kan of vermag, hetzij dan, dat God het in ons werkt door Zijnen Zoon Jesus Christus. Nu heeft men daarbij in zichzelven geene gerechtigheid, het ontbreekt aan alles; men heeft niets aan te wijzen, dan zonde en machteloosheid, als men op zichzelven ziet; men kan zichzelven niet raden of helpen, men vermag niets tegen zijnen zondigen aard; men is in zichzelven een niets, eene ware nul, onwaardig alle goed, j a veeleer doemwaardig, en men moet vanwege zijne vele overtredingen, vanwege zijn totaal bederf, als een bedelaar voor de deur der genade liggen met een: „Ontferm U mijner, o God!" En nu komt eindelijk nog de uitwendige nood er bij. Is er dan geen geloof?
O, zonder geloof, ja, zonder een gezond, rechtschapen geloof is niemand arm van geest. Maar men heeft het geloof niet in eigene hand, de kracht niet in eigen boezem, de liefde niet in den mond, de hoop niet in den zak. — Wat heeft men dan? Niets heeft men in zichzelven; alleen dit heeft men: eene dorre, bedelende hand: gun leven aan mijne ziel! wees mij genadig, o God!
Wanneer wij nu werkelijk zoo arm van geest zijn, dan hebben wij niets te zeggen, niets te beteekenen, ons niets aan te matigen voor God en voor de menschen, en laten over ons rijden met paard en wagen, — en zoo zijn wij juist des Ileeren Jesus discipelen, tot welken Hij zegt: zalig zijt gij, gij zijt aan het verderf onttrokken. Deze armoede zal u geene schade aangebracht hebben; daar hebt gij van Mij het Koninkrijk der hemelen. (Matth. 5 : 3.)
Wat is dat? Gij zult met Mij regeeren op aarde en in den hemel. Gij hebt geleerd in uwe armoede, wat armoede is; gij zult velen vroolijk, rijk en gelukkig maken met de tien ponden, die Ik u geef, en zelf evenwel niets minder hebben; u wacht de rijke hemel, eene eeuwige, rijke erfenis is uwe!
Daar zien wij, dat en hoe Jesus de Christus is, dat Hij op de armen van geest het eerst Zijn oog richt, om hen te troosten en alzoo rijk te maken door en in Zich; — want dit is alles naar het profetisch Woord.
Er staat van Hem geschreven: „Uw God is Koning." Jes. 52.
Hij zal de ellendigen des volks richten, — Zich hunne zaak aantrekken, — Hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen.
Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendigen, en die geenen helper heeft. Hij zal den armen en nooddruftigen verschoonen. en de zielen der nooddruftigen verlossen. Ps. 72. De Heere heeft Zion gegrond, opdat de bedrukten Zijns volks eene toevlucht daarin hebben zouden.
„Deze ellendige riep, en de Heere hoorde; en Hij verloste hem uit alle zijne benauwdheden " Ps. 34.
Daarom looft Hem, gelijk Maria deed, toen zy jubelde: „Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden."
W a t is a l l e a r m o e d e , w a a r wij z u l k e e n e n r ij k e n K o n i n g J e s u s h e b b e n . Hij zal onze z a a k wel bev e c h t e n en b e s l e c h t e n . (Wordt Vervolgd.)


1) De naam van den put. Het woord beteekent ruim, groot, breed. Izak noemde den hu gegraven put alzoo, zeggende: „Want nu heeft de Heere ons ruimte gemaakt : en wij zijn gewassen in dit land." Gen. 26 vs. 22.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Mattheus 5 Vs. 1 v.v. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken