Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 12.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 12.

6 minuten leestijd

„Ten ware de Heere, die bij ons is geweest, zegge nu Israël, ten ware de Heere, die bij ons is geweest, als de menschen tegen ons opstonden, toen zouden zij ons levend verslonden hebben, — de Heere zij geloofd, die ons in hunne , handen niet heeft overgegeven tot eenen roof, onze ziel is ontkomen als een vogel uit den strik des vogelvangers, de strik is gebroken, en wij zijn vrij. Onze hulp is in den Naam des Heeren" (Ps. 124). Zoo zong eenmaal de heilige zanger het oude Israël voor, en deze klaag- en jubeltoon, hoe menigmaal is die reeds aangeheven door het Israël des Nieuwen Verbonds!
Het lijden houdt hier voor de Gemeente nimmer op; voor zij de kroon haars Ileeren draagt, — draagt zij Hem ook het kruis na, het eene leed is nauw voorbijgegaan, of nieuwe, nog zwaardere nood is weder daar, maar in dien nood ook een God, die helpt en de Zijnen heerlijk doorvoert, al hunnen vijanden ten spijt. Na de eerste vervolging, ons opgeteekend in Iloofdst. 8 en 11, wordt nu melding gemaakt van eene tweede vervolging.
Vs. 1 en 2. Omtrent denzelven tijd sloeg de koning Ilerodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard. Verstrooid door vorige verdrukkingen en steeds aan alle zijden van gevaren omringd, vond de Gemeente nauwelijks eenige verademing, of ziet, Herodes staat weder gereed om het bloedige zwaard op te heffen en andermaal eenen van 's Heeren getuigen neder te vellen ; ditmaal is het Jakobus, de broeder van Johannes, wien de martelaarskroon is weggelegd.
Zooals ons bekend is, was deze Jakobus de zoon van Zebedeüs en Salome; in onderscheiding van Jakobus, den zoon van Alfeüs, werd hij in de Gemeente de Oudere bijgenaamd. Ontving hij reeds van den Heere met zijnen broeder Johannes den toenaam Boanerges, zoon des donders, zoo mogen wij veilig aannemen, dat hij, als opziener der Jerusalemsche Gemeente, krachtig getuigd heeft tegen de blinkende afgoderij en den vormendienst dier dagen. Ook Herodes zal menigmaal zijn straffend woord gehoord hebben, en de ergernis hierover mag wel mede eene der oorzaken geweest zijn, om dien lastigen getuige te dooden.
Deze Herodes was de kleinzoon van Herodes den Groote, die koning van Judea was in de dagen van de geboorte des Heeren Jesus. Steeds plant zich in zijn geslacht dezelfde lage hartstocht voort; waar hem de macht en moed ontbreekt om zelf handelend op te treden en aan zijne moordzucht den vrijen teugel te vieren, daar bedient hij zich van anderen, om zoo met de woede van eenen tijger het zwakke te vervolgen. Door vleierij en slinksclie wegen zocht reeds de eerste Herodes het Ivindeke Jesus te dooden, en het ware hem zeker gelukt, had niet God zijne plannen verijdeld en het hart der wijzen zóó bestuurd, dat zij langs eenen anderen weg vertrokken, dan door welken zij gekomen waren, en Hij, die de Koning der koningen is, gaat den ondersten weg en vlucht voor de vervolging van eenen aardsclien koning met Zijne ouders naar Egypte. Welke gruwelen dezelfde Herodes onder zijne eigene bloedverwanten bedreef, is genoegzaam bekend. Even laaghartig gedroeg zich ook zijn r zoon Herodes Antipas tegenover Johannes den Dooper en niet minder tegenover den Heere Zeiven; om het volk te behagen geeft hij Hem in den dood, van Wien hij overtuigd is, dat geene schuld des doods bij Hem gevonden wordt. Zoo ook Herodes Agrippa, van wien hier sprake is; nog niet tevreden met dit ééne offer en de gevangenneming van andere discipelen, zal hij nog verder gaan en ook Petrus vangen. Waarom? Vs. 3 geeft ons het antwoord: Omdat hij zag, dal het den Joden behagelijk was.
Arme Herodes! om menschen te behagen en de vriendschap der wereld te verwerven, stelt gij u tot eenen vijand van God en vervolgt degenen, van wie gij weet, dat zij niets anders willen dan hunnen God dienen en anderen weldoen zooveel zij vermogen. Willens en wetens heeft Herodes gezondigd, en voorzeker heeft het ook hem niet aan roepstemmen Gods ontbroken; ook nu zal de Heere hem weer tegenkomen in de volheid Zijner heerlijkheid en genade, in de eerste plaats om Zijnen discipel te redden, dien Hij bewaren zal als den appel Zijner oogen, maar dan ook langs zulk eenen weg, dat Herodes het duidelijk kan zien : dit is des Heeren hand, — en zoo nog in tijds bekennen mocht, wat ook hem tot vrede dient. En het waren de dagen der ongehevelde brooden (Ys. 3b), dus kort voorliet Paaschfeest. Ook Herodes heeft die dagen gehouden, zooals ons blijkt uit Ys. 4. Opmerkelijk is de wijze, waarop ons de tijd van deze vervolging wordt geteekend; het vleeschelijk Israël verwijdert uit zijne huizen naar de wet allen zuurdesem, en maakt zich terzelfder tijd aan de zwaarste overtreding dier wet schuldig, waar het bloedschulden op bloedschulden stapelt, en in plaats van den ouden zuurdesem uit te zuiveren , rustig op zijnen droesem blijft liggen, zichzelven behagende in vleeschelijke heiligheid. Vs. 4 en 5. De heilige Herodes zal het feest rustig laten voorbijgaan en met de zijnen het paaschlam eten, terwijl hij het ware Paaschlam opnieuw verworpen en gedood heeft, en straks nog verder zal gaan en zijne wraakzucht koelen aan den Apostel, dien hij tot dien tijd goed meent bewaard achter de ijzeren deuren der gevangenis, nog bovendien bewaakt door vier wachten, elk van vier krijgsknechten.
Zoo heeft dus Herodes met alles rekening gehouden en het zoo beschikt, dat ontkoming naar menschelijk oordeel eene bepaalde onmogelijkheid is. Eéne zaak echter heeft hij vergeten: het gebed der Gemeente, dat veel meer vermag dan een heel leger van krijgsknechten; hiermede toch breekt zij door tot het harte des Vaders, dat in liefde ontbrandt op het geroep Zijner ellendigen. Wel klimt de nood hoog, en alles schijnt te vergeefs te zijn; de eenige weg, vanwaar nog redding mogelijk is, blijft gesloten; God hoort niet, en heeft vergeten genadig te zijn; spoedig zal het te laat zijn, immers is het reeds de laatste nacht, en nog is er geen uitkomst! alles blijft zooals het is, ja het wordt steeds erger, hoor slechts.
Vs. 6. Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelven nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen, en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. De grootste misdadiger kon alzoo niet beter bewaakt worden dan de Apostel; het gaat hem als zijnen Heere, die ook zekerlijk heengeleid werd, als vreesde men, dat zoo kostelijk een vangst ten laatste nog zou ontsnappen. In dezen hoogsten nood nochtans, waar alles afgesneden schijnt, is Gods tijd daar om te verlossen; bij Iiem zijn uitkomsten ook tegen den dood, en Petrus met de Gemeente zal het ondervinden, dat Zijn Naam het hoogst verheerlijkt wordt in de hoogste ellende. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 12.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken