Bekijk het origineel

De volharding van Job in de aanvechtingen des Satans. (Job 1—10.) — (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De volharding van Job in de aanvechtingen des Satans. (Job 1—10.) — (Vervolg.)

7 minuten leestijd

Hierom was het te doen, aan Job te leeren, wat eigenlijk vleesch is, en hoe God en mensch tot elkander staan. Wat Elifaz zeide, was op zichzelf recht en waar; maar wat baatte dit hier? Elifaz wilde Job niet ongelukkig, maar gelukkig hebben en hield hem daarom Gods waarheid en Zijne belofte voor, alsof het noodig was, aan Job, die zich als een Heiden gedroeg, het Evangelie te prediken. Doch Job ondervond aan zich de waarheid van de souvereiniteit Gods, de waarheid Zijns woords en Zijner oordeelen, dat wij menschen in de wereld zonder hope, zonder God, in de macht des doods zijn.
Dit zijn voor Job de verschrikkingen Gods, Zijne pijlen, dat God een menschenkind overgeeft en neerwerpt onder het oordeel.
In dit oordeel het uit te houden, onder dit oordeel zich te buigen en over te geven, deze smarten te lijden, dat is te vreeselijk, en daarom verkiest hij den dood en begeert te sterven. Want het is te zwaar voor een menschenkind, om gewillig te drinken den lijdensbeker, dien Gods hand hem inschenkt, en die de ziel zoo schrikkelijk beroert. Zelfs in den dood Hem te verheerlijken en Hem onderworpen te zijn, Wiens toorn men gevoelt, deze geloofsbeproeving is te zwaar voor een' mensch, — en Job begeert niet te zijn.
Daartegen komt Bildad, de Suhiter, op.
Job heeft bekend vleesch te zijn, overgegeven aan vloek en verdoemenis, en getroffen door het oordeel Gods; onder dit gevoel van het oordeel en den toorn in zijn lichaam versmacht zijne ziel in zijn vleesch, hij begeert leven, licht en genezing — en over hem komt de smart en de dood. Job spreekt uit, wat hij ondervindt; hij gevoelt geheel het lijden en de banden des Satans, waarin hij ligt, en het is hem te zwaar, hij kan het in dit buitengesloten-zijn van Gods genade, heerschappij en goedertierenheid, in deze helsche kwalen onmogelijk uithouden. Het lichaam — Job gevoelt het — het lichaam dezes doods, in hetwelk hij zich bevindt — dit lichaam is een huis der smarten, hij zucht om daaruit verlost te zijn. Den hemel en de zaligheid begeert hij niet. Hij kent zich als een, die in het lichaam is; daarin, in het vleesch , is zijn leven ; maar juist dit leven — dat is zijne kwelling en marteling.
Daartegen wil nu Bildad het onderscheid tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen doen uitkomen. Job spreekt er in het geheel niet van, of hij rechtvaardig of niet rechtvaardig is, waarom dit lijden over hem komt of waarom het niet over hem komen zou. De ellende is er, zij is te machtig en heeft te diep ingesneden, dan dat Job er zich van zou kunnen ontdoen met uitvluchten, met troostgronden, met eenen blik in het verleden of in de toekomst, of dat Job er zich zou kunnen boven stellen en zijne ziel in hemelsche sfeeren kon doen wandelen — veeleer zinkt Job met zijne klachten tot diep in den afgrond neder.
Vleesch nu wil altijd de ellende weg hebben, wil die weghuichelen, wegredeneeren, wil die niet laten gelden; vleesch handhaaft de verlossing, de zaligheid, handhaaft de hope en gedraagt zich daarbij, alsof hij juist daarmee de gerechtigheid Gods predikt. „Ja", zegt Bildad, „het is waar, de goddeloozen hebben geene hoop; maar de vromen worden door God geholpen. Alles, wat gij zegt van ellende, van hopeloosheid, van Gods toorn, dat betreft de goddeloozen." (Hoofdst. 8 : 1—7.)
Bildad houdt zich hierbij aan Gods Woord, aan het Woord der Profeten, en houdt Job dit Woord voor, juist zoo, als men te allen tijde aan eenenmensch, die zijne ellende erkent, Gods beloften, — de waarheid, dat God ons verlost en geheiligd heeft in Christus, — voor oogen stelt. (Ys. 8—10.) Waar Job bekent vleesch te zijn bij het ondervinden van Gods oordeel: „Stof zijt gij — en tot stof zult gij wederkeeren", daar wil Bildad dit alles wel is waar van de g o d d e l o o z e n laten gelden en predikt zelfs met klem aan deze hunne nietigheid, het oordeel Gods en het gericht der gerechtigheid; daarentegen wil hij de gerechtigheid des rechtvaardigen als ankergrond der hope, en Gods gerechtigheid, daarin, dat Hij het den rechtvaardigen op het einde toch wél doet gaan, handhaven. (Ys. 11—20.) Wat nu Bildad zegt, is — wij herhalen het — op zichzelven recht en goed, doch, was Bildad nu meer verlicht dan Job, die niets anders zag dan lijden, en dat zijne hope voorbij was? En indien Bildad waar medelijden gehad had, zoo had hij ook niets anders gezien dan leed, en had met Job geweend. En was het dan geloof aan God, dat Bildad Gods gerechtigheid aan Job voorhoudt? Neen, het was ongeloof, het was niets anders dan de vrees, dat het wel uit kon zijn, als hij z i jn geloof wilde laten varen, en hij bazelt daar zoo iets van belofte, alleen om Gods gerechtigheid h i e r ter p l a a t s e, waar zij zich aan Job openbaarde, niet te erkennen. Uitliefde voor het eigen leven, uit vrees voor den dood, om der e i g e ne gerechtigheid wil heeft Bildad niet mede willen gevoelen en niet mede willen erkennen, wat Job gevoelde en beleed: Ik ellendig mensch, er blijft voor mij toch niets over dan dood en banden, en het is alles uit en voorbij. Jobs antwoord strekt nu daarhenen, dat hij Gods onbegrensde souvereiniteit predikt, dat hij alle eischen, die de mensch aan God stelt, afsnijdt en rechtvaardigen en goddeloozen op éénen hoop werpt voor het heilig aangezicht des Heeren.
„Waarlijk, ik weet, dat het zoo is", roept Job uit. Wat wordt er dan van eens menschen gerechtigheid, als God hem verschijnt, en hij in Gods gericht gesteld wordt? Want waar God komt om te richten, daar kan de mensch op duizend vragen niet één antwoorden. Waar H i j komt, daar smelt alles weg; waar H i j voorbij gaat, daar merkt men Hem niet; onnaspeurlijk is Hij; wat Hij doet, doet Hij alleen, wat Hij besloten heeft, dat voert Hij uit, uit Zijne hand kan niemand redden. (Hoofdst. 9: 1 —13.) Wie ben ik dan nu, dat ik Hem antwoorden zou? dat ik woorden zou kunnen uitkiezen, om met Hem te spreken ? Ben ik rechtvaardig, ik zou toch niet antwoorden, bidden zal ik mijnen Rechter om genade; en als ik roep, en Hij mij hoort, zoo zou ik het niet gelooven, dat Hij op mijne stem heeft gelet. Hij is op mij aangedrongen, in een onweder treft Hij mij. Hij laat mij geene verademing.
Ja, gaat het om de kracht, Hij is de sterke man; komt Hij ten gerichte, wie zal mij doen standhouden ? Zoo ik rechtvaardig ware, zal toch mijn mond mij verdoemen. Zonder schuld ben ik niet, ik veracht mijn leven (Vs. 14—21). Eén ding echter is het, waarom ik spreek — of schuldeloos of boos — Hij vernietigt, Hij maakt een einde. Als de geesel haastelijk doodelijke slagen toebrengt, — bij de beproeving der onschuldigen lacht Hij. De aarde is gegeven in de hand des goddeloozen, het aangezicht harer rechters overdekt Hij; zoo niet, wie is Hij dan?
Mijne dagen vliegen daarheen, ik vrees voor mijne smarten, ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden. Ik zal toch een goddelooze wezen, waartoe dan dat? Om niets mat ik mij af. Wilde ik mij reinigen, — Hij maakt mij onrein. Ik kan met Hem niet in het gericht treden. Daar is geen scheidsrechter tusschen ons (Vs. 22—33). Zijne roede wijke van mij, Zijne verschrikking blijve op mij niet (Vs. 34).
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 maart 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De volharding van Job in de aanvechtingen des Satans. (Job 1—10.) — (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 maart 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken