Bekijk het origineel

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 4.

10 minuten leestijd

„Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden."

Bevat de eerste zaligspreking een schat van vertroosting en heerlijkheid voor een ellendig en arm mensch, — niet minder heil- en troostrijk is dit Evangeliewoord : „Zalig zijn die trenren; want zij zullen vertroost worden." Wiens ziele dorst naar den levenden God, vindt liier ware lafenis en verkwikking, levensen stervenstroost. Welke treurigen zijn hier bedoeld? Ach, in de levens woestijn, dit dal der smarte, is er zooveel, dat ons treuren doet; door de zonde zijn wij aan allerhande ellendigheid onderworpen. Door lichaamssmart en allerlei nooden dezes tijdelijken levens wordt een mensch vaak gekweld; menig kruis moet hier gedragen wrorden. Dit leven is toch niet anders dan een gestadige dood. Het beste van onze jaren baart moeite en verdriet, en het leven wordt schielijk afgesneden, en wij vliegen daarheen! Wat al zorgen en kommer, angst en benauwdheden, die stof tot klagen geven. Maar ook ten dezen aanzien zal vertroosting vinden een iegelijk, die in zijnen nood op den Heere Heere hoopt; uitkomst en redding, genade en zegen zal hij ontvangen, wiens verwachting van den Heere zijnen God is.
Zekerlijk! in allen nood, ook des lichaams, zal de Heere Zich betoond hebben als den Heiland, die helpt, waar niemand helpen kan, als den Erbarmer van den noodlijdende, den Redder des nooddruftigen, als de toevlucht in de benauwdheid.
Neen, Hij vergeet ook in dezen Zijne ellendigen niet, maar helpt en verzorgt koninklijk. Niet waar? vóór en na heeft Hij, die gewond heeft, geheeld, die geslagen heeft, genezing gebracht. Met de bezoeking gaf Hij uitkomst. Hij hoorde het geween en het zuchten, Hij bracht heil, al was het ook op andere wijze, ja, veel heerlijker, dan wij dachten, en maakt Hij niet ten slotte tevreden met al Zijne wegen ? Voorzeker, God de Heere wil elk kruis, dat wij onszelven niet op den hals gehaald hebben, maar hetwelk Hij in Zijne wijsheid ons opgelegd heeft, daartoe doen dienen, dat wij Zijnen Naam prijzen, Hem loven voor Zijne gerechtigheid, trouw en liefde, terwijl eigen werk, naam en roem te gronde gegaan zijn.
Een ander treuren echter is in deze zaligspreking bedoeld. Het zalig gesproken worden van de treurigen geeft het te kennen. Het zijn de treurigen, die evenals Hizkia klagen: „Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest," ('t was mij bang, ik was om troost verlegen), maar die, door den Heere getroost, zeggen: „maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame: want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen" (Jes. 38 : 17).
Het zijn de bedroefden van geest, de ongetroosten, de gebrokenen van harte, de treurigen Zions, wier benauwdheden des harten zich wijd hebben uitgestrekt (Jes. 54 : 6, 11; 61 : 1—3; Ps. 25 : 17). Zij treuren over hunne zonde en ellende; zij zijn bedroefd met eene droefheid naar God. Evenwel, niet elke droefheid over de zonde en ellende is een treuren naar God.
Een mensch kan bedroefd zijn over de zonde, omdat de misdaad, die hij begaan heeft, hem schande of nadeel bracht; en hij treurt over de ellende, waarin hij zich gestort heeft, omdat hij niet van de wereld verkregen heeft wat hij begeerde; in de schoone verwachtingen is men teleurgesteld. Zulke treurenden hebben geen ernst gemaakt met Gods Wet, zij namen het niet nauw met de zonde, het ging hun niet om de gerechtigheid.
Er is geene waarachtige gezindheid om zich tot God te bekeeren; men wil geen afstand doen van de ongerechtigheid; wil men ook vroom zijn, het is om zichzelfs wil, en als men dan niet bereikt wat men beoogt, is er droefheid. Als de zonde maar geene schade of straf ten gevolge had, dan zou er geene droefheid zijn. Daarentegen, wat is het kenmerk van de treurigen naar God? Zij zijn bedroefd over de zonde als z o n d e , omdat zij tegen God, den heiligen en goedfcrtiereneu God, gezondigd hebben. Zij weenen in het verborgene voor des Heeren aangezicht, dat zij Hem missen, dat Zijne goedertierenheid verre van hen is, — ja, naar recht, want zij hebben Zijne Wet zwaar en menigmaal overtreden, zij hebben den eeuwigen dood verdiend.
Bij hen is waarachtige zelfveroordeeliug, hartgrondige verootmoediging, de erkentenis van Gods gerechtigheid en hunne schuld en doemwaardigheid. Het gaat hun niet om het vroom zijn voor de wereld, maar om liet voor God vroom zijn, niet opdat zij geëerd worden, maar Gods Naam verheerlijkt zij.
Daarom is hunne levensvraag: hoe is God gerechtvaardigd, waar Hij mij de zonde vergeeft? hoe is Zijne Wet, door mij geschonden, opgericht, hoe zijn al Zijne deugden verheerlijkt.
Met verbroken harte belijden zij met David: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan, wat kwaad is in Uwe oogen, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen ' (Ps. 51 : 6, 7). Zij maken zichzelven te schande, om den Heere te verheerlijken (Joh. 4 : 29). Zij zijn gewonden, zwaar gewonden, getroffen door Gods Woord en Wet, en kunnen zichzelven niet heelen.
En ach! door welke bestrijdingen en aanvechtingen vanwege zonde, wereld en duivel gaat het niet met hen heen!
Waar vinden zij troost voor het diep geschokt, ongetroost gemoed, waar ruste voor het onrustig, felbewogene hart? In zichzelven en in al wat voor oogen is, is geene vertroosting. Ook niet in het treuren zelf. De treurige naar God heeft niets in zich, waarop hij zich verblijden kan voor den Heere, hij mist toch alle Godewaardigs; als een geheel verkeerde en ellendige ligt hij voor Gods aangezicht terneer. Schreiende om genade, om ontferming, kan hij niet pleiten op zijn berouw en droefenis, maar in oprechtheid des harten is dit zijne belijdenis: „Heere, ik heb tegen U gezondigd — ik ben niet waardig , dat Gij mij aanziet — naar recht moet Gij mij van U stooten, maar Uw Naam is O n t f e r m er. Wees mij genadig! Wilt Gij mij straffen, ik heb het verdiend. Kastijd mij, maar niet in Uwen toorn! Als ik U maar heb! Uwe goedertierenheid is beter dan het leven" (Ps. 38 : 2; Ps. 63 : 4; Ps. 73 : 25).
Hier is alzoo een verlangen naar God, naar gerechtigheid, naar genade in de vergeving en verlossing van zonde, naar gemeenschap met don Heere. — Is er voor deze treurenden troost? Z a l i g zij n d i e t r e u r e n , w a n t zij z u l l e n vert r o o s t w o r d e n , spreekt de Heere Jesus. Dat is niet: Zalig zijt gij, o m d a t gij treurt, maar: zalig zijt gij, want gij, treurende, z u l t v e r t r o o s t worden. Niet het treuren is grond der zaligspreking, maar de belofte, de toezegging der vertroosting, het Woord des Heereu Jesus Christus.
Aan de gebrokenen van harte, de ongetroosten , de bedroefden van geest predikt dan de Heere Jesus: z a l i g zijt gij, gij zijt van het verderf verlost, gij zijt van uwe zonde, schuld en straf bevrijd; Ik verkondig u Mijns V a d e r s l i e f d e , gij moogt g e r e c h t v a a r d i g d n a a r h u i s gaan. Uwe ongerechtigheid is verzoend, uw strijd is vervuld, dubbel genade (Jes. 40 : 1, 2) ontvangt gij in Mij, die gekomen ben in uw vleesch, die uwe zonde en ellende, uw schuld en vloek op Mij heb genomen, — die in de wereld ben gekomen om u d e z e n t r o o s t te p r e d i k e n en te v e r w e r v e n : dat gij bij God genade, gerechtigheid en eeuwig leven hebt, en eeuwig deelen zult in Zijne zalige gemeenschap, vroolijk moogt zijn met eene eeuwige blijdschap. Zalig zijt gij, die treurt! Uw t r o o s t is e r , v e r b l i j d u in Mij en v e r l a a t u op M i j n W o o r d.
De troost van het Evangelie onzes Heeren Jesus Christus ligt dientengevolge b u i t e n den mensch; hij ligt in het W o o rd Gods, in Zijne beloften, die allen ja en amen zijn in Christus Jesus, Gode tot lof en prijs. Wie echter vertroosting noodig heeft, zal die vertroosting p r o e v e n en s m a k e n , gewisselyk ervaren, dat deze buiten hem liggende troost waarachtige vertroosting schenkt; en alle andere troostgronden, waarbij men zijne vreugde en rust heeft in zichzelven — goede gezindheden of gestalte en dergelijke — zij bestaan niet in nood en dood. De troost Gods, Zijn Woord, Zijn Christus is alléén troost, en deze blijft eeuwig. Dezen hebben wij echter niet in eigene handen, kunnen ons daarvan niet bedienen naar welgegevallen. Maar dat is recht goed en gelukkig; wrant wat wij in onze macht hebben, gaat met ons te niet, wanneer wij tegen de machten, sterker dan wij, het moeten opgeven. Als de zonde woelt en tiert, als de wereld met haar lokaas tracht te verleiden, als de duivel met zijn geweld en listen komt bestormen, — wat ware dan ons lot, indien wij op zicht-, voel- en tastbare gronden ons moesten verlaten, als wij ons met zulke wapenen moesten verdedigen? Wij zouden weldra het onderspit delven; het was verloren, er was geen moed en hoop, geen troost voor ons! Maar nu, de troost der treurigen Zions is in de handen van Hem, die boven al het zichtbare staat, de Onzienlijke, de Eeuwige, de Levende God, Die sterker is dan de machten van zonde, wereld en hel, dan alle geweld der duisternis. Wie op Dezen is hopende, wrordt niet beschaamd, zelfs niet in hopeloosheid, als voor het oog alles verderf en ondergang is; ofschoon verslagen, zal hij overwonnen hebben, want Jesus Christus, die voor hem overwonnen heeft, leeft, en heeft alle vijanden Zich onderworpen; Ilij lieerscht eeuwiglijk, en zorgt er voor, dat de treurigen naar God vertroost worden met den eeuwigblijvenden troost der zaligheid, dien Hjj voor hen verkregen heeft met Zijn dierbaar bloed. En Hij verwierf hun den Heiligen Geest, die hen Zijne woorden doet hooren, indachtig maakt en bij hen in gedachtenis houdt, en zoo worden zij uit de volheid van dezen troost voor en na gelaafd en verkwikt in de woestijn, zij gaan van kracht tot kracht, van de eene rustplaats tot de andere (Ps. 84 : 8), totdat zij ingaan in het hemelsche Kanaan der zaligheid — om in ongestoorde rust zich vroolijk te maken in de aauschouwing van des Heeren aangezicht en Hem eeuwriglijk te loven en te prijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 maart 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken