Bekijk het origineel

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 6. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 6. (Slot.)

9 minuten leestijd

Dat is Evangelie, ja waarlijk eene vreugdevolle boodschap voor allen, die bij en in zichzelven geene gerechtigheid vinden, waardoor zij Gode behagen: zalig zijt gij, want gij zult aan geene gerechtigheid gebrek hebben. Door dit woord des Heeren Jesus worden op eens allen armen en ellendigen rijkdom en heerlijkheid toegezegd; worden de naakten gekleed, de beroofden van alles voorzien, den hongerigen en dorstigen verzadiging en verkwikking geschonken. Door dit woord worden de ledigen, aan alles gebrek hebbenden met de grootste schatten vervuld, zoodat hun niets ontbreekt om voor God te bestaan.
Wat toch anders zegt de zaligspreking des Ileilands dan dit: gij, die in uwe zonde en dood, in den afgrond der rampzaligheid verzonken ligt — die geene de minste gerechtigheid bezit, waarom God u genadig kan zijn, die geen vonkje leven bezit, waardoor er eenige gemeenschap met God mogelijk is, — gij, die niets, totaal niets goeds hebt, wat u eenige aanspraak op Gods gunst geeft, die daar neergeworpen ligt in het slijk der zonde, in den modderpoel uwer ongerechtigheid, en vraagt: ach, hoe kom ik uit dezen gered, hoe ben ik met God verzoend, hoe is het recht der Wet vervuld, ach, is er nog genade voor mij , die den eeuwigen toorn verdiend heb? — Zalig zijt gij! al uwe zonden zijn u vergeven, uwe schuld is betaald, de vloek van u genomen, — daar is genade voor u bij God, volkomene kwijtschelding van al uwe misdaden, en Hij rekent u eene gerechtigheid toe, de eeuwige, voor Hem alléén geldende gerechtigheid, in welke Hij u aanziet, als hadt gij nooit zonde gekend noch gedaan.
Zie, dat predikt ons het woord des ontfermenden Heilands, AViens liefde raakt tot menschen, tot goddelooze menschen, — neen, niet om de zonde te huldigen, maar om van zonde vrijgemaakt, in gerechtigheid gesteld te hebben. En in den Zoon spreekt de Vader; des Vaders lust was het van eeuwigheid om eene van Hem afgewekene, booze, verlorene wereld behouden te hebben, haar genadig te zijn; des Zoons werk was het om dien wil ter onzer zaligheid volkomen geopenbaard en volvoerd te hebben Daartoe zond de Vader den Zoon in deze wereld; daartoe ontdeed Zich de Zoon vrijwillig van Zijne eeuwige heerlijkheid, en begaf Zich in ons vleesch en bloed, trad in onzen onreinen en ellendigen toestand, om alzoo onze ongerechtigheid en onzen dood weg te nemen, vloek en toorn op te heffen door Zijne volkomene voldoening aan het eeuwig Recht. Zoo gaf Hij Gode, Zijnen Vader, volmaakte genoegdoening door Zijn geloof en Zijne gehoorzaamheid, doorZijn bloed en dood, en bracht de eeuwige gerechtigheid aan, van welke reeds een Daniël in profetischen geest had gesproken, als den grond van de vergiffenis der zonde om n i e t , uit genade.
Waar nu de Ileere Christus tot dit werk is gekomen, daar is Zijne prediking geene andere dan: daar is genade bij God voor den grootste der zondaren, voor hoeren en tollenaars, voor onrechtvaardigen en onheiligen, die in verbrokenheid des harten vragen: is er voor ons bij God vergeving? Daar verkondigt Hij aan verlorene menschenkinderen, die God hebben verlaten en de afgoden zijn nagevolgd, die al hun goed hebben doorgebracht, en niet de minste gerechtigheid hebben overgehouden, hoe bij God geen toorn, geen vloek voor hen is, maar zegen, en openbaart hun, hoe Gods jSTaam „Vader" is, Die Zich verheugt over de bekeering eens zondaars, — die vol ontferming spreekt: „Ik, Ik ben het, Die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet."
Zoo mag dan de verlorene, die schreit om verlossing, die vanwege zijne zonden de oogen nauwelijks ten hemel durft slaan, goeden moed hebben, zich verheugende in de gerechtigheid Jesu Christi, in de eeuwige liefde Gods, Die alzoo lief de wereld gehad heeft, dat Hij Zijnen eengeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, in Hem geloovende, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. — Ja, alles heeft de arme in den Ileere Jesus — volle verzadiging heeft de hongerige en dorstige in Hem, Die is het ware levende Brood, dat uit den hemel is neergedaald, — Die spreekt: „Ik ben het Brood des levens, die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten."
Die nu geen honger heeft, vraagt niet naar brood, al staat het ook in overvloed voor hem. Die echter van honger dreigt te sterven, die grijpt toe, trots alle machten, die hem zouden willen verhinderen.
Daarom zegge niemand ten opzichte van het Evangeliewoord: „Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid", enz. — die honger en dorst heeft naar Christus, moet toch komen, anders wordt hij niet ten leven verzadigd; want v o o r e e r s t sluit het Woord des Heeren, dat n i et luidt: zalig zijn de verzadigden: m a a r , zalig die h o n g e r en en d o r s t e n naar de gerechtigheid, — alle moeten en kunnen van den mensch uit; en t e n a n d e r e is het gewis, dat7 waar waarachtige honger is, het brood niet versmaad wordt, maar wel gretig aangegrepen, al gaat dit ten d e z e n opz i c h t e z o n d e r handen.
Maar, er moet toch honger en dorst zijn naar de gerechtigheid, zal het: „zalig zijt gij, gij zult verzadigd worden", mij gelden? Gewis zal deze aanwezig zijn; maar wilt gij die voorwaarde, dan ook geene andere; dan is er geene sprake van eenige gerechtigheid, vroomheid en heiligheid, eenig leven in zich te hebben. Dan is men ten eenenmale ontledigd van al wat naar den Geest Gods gerechtigheid heet; dan is dit de taal des harten : in mij woont volstrekt geen goed, ik ben een goddelooze en machtelooze; niets is er dan overig dan de zucht uit diepte der ellende: O God! geef mij Uwe gerechtigheid, opdat ik leve, want bij mij is er geene. Het is echter geene voorwaarde der zaligheid in dezen zin, zooals wij allerlei gestalten voor God willen toonen, om daarop het heil te verwachten, en zoodoende bij onze geliefkoosde vrome gedachten te blijven staan , in plaats van als een genadelooze op Gods genade te willen drijven. Neen, geene andere gestalte is voor God van blijvende waarde, dan de gestalte Zijns lieven Zoons Jesus Christus, die Ziclizelven vernietigd heeft, en Zijn bloed gestort heeft om onze zonde, Die is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Maar in den weg van ontlediging, waar wij zondaar voor God worden, en geen greintje gerechtigheid in ons overig vinden, waar alzoo de ziel door honger en dorst schreeuwt tot den levenden God, midden uit onzen nood en dood, — zie, in d e z e n w e g behaagt het Gode, ons van ons heil in Christus te vergewissen.
Is het nu geene voorwaarde naar onze vleesclielijke begrippen , veel minder is het grond der zaligheid; grond is: Christus Jesus, Zijn woord: „zalig zijt gij." liet is daarmee gelegen, evenals wanneer een rijk vorst tot een' armen man zeide, die hem klaagde, dat hij in groote schulden zat, en niet had om hem te betalen : vriend, w^ees blijde, ik ben uw borg, uwe schuld neem ik op mij; dan is het klagen van den armen man niet grond van de kwijtschelding zijner schulden ; maar het w o o r d van den vorst is de grond, w^aarop hij verheugd huiswaarts mag keeren.
Maar het bewijs, het kenmerk mijner zaligheid, is toch mijn honger en dorst naar de gerechtigheid? Zoo redeneeren wij menschen, die altijd wat zicht- en tastbaars willen hebben, en niet blootehjk ons verlaten op het Woord. Het bewijs, dat gij dien armen man zoudt vragen, aan wien de vorst gezegd had borg te zijn voor zijne schuld, zoude hij u dat geven in zijne klacht of in zijne armoede? Immers! zou hij u antwoorden, dat de vorst hem g e z e g d had voor zijne zaak te zorgen, dat het z i j n w o o r d tot hem was: ga henen in blijdschap, ik sta voor uwe schuld in. Bewijs onzer zaligheid hebben wij dan wederom in Gods Woord. En de Heilige Geest getuigt het ons, dat dit Woord de waarheid is. Hij heeft het gezegd tot troost en heil van allen, die geene gerechtigheid bij zich vinden, en deswegens vragen naar genade, naar leven en gerechtigheid: Zalig zijn, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zy zullen verzadigd worden. Zijn Woord houdt eeuwig stand.
Zoo wij honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, wat bewijst dit? Het kenmerkt ons als lieden, die volstrekt geene gerechtigheid in ons hebben, en dus Gods aangezicht eeuwig moeten derven, — tenzij Hij ons g e n a d i g zij. In deze bevinding geeft echter het woord des Heeren Jesus ons moed en vrijmoedigheid om niet aan onze zaligheid te wranhopen, maar ons, zoo als wij zijn, te werpen in de armen diens Gods, die in o n t f e r m i n g lust heeft. En die God spreekt: „Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen."
Zoo is God, Zijn eeuwig Woord, Zijn Christus de gansch heerlijke en volkomene vervulling van den ledige, en ontvangt een goddelooze uit deze volheid genade voor genade, zoodat hij zich uit God in Christus Jesus beweegt, in wijsheid, rechtvaardigheid en heiligmaking, en zijne lippen geopend worden om den eeuwigen Ontfermer te loven voor de verlossing, waarmede hij, de verlorene en doemschuldige zondaar, uit de kaken des doods en der hel om niet is verlost, — voor eeuwig verlost!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Ev. Mattheüs 5 : 6. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 april 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken