Bekijk het origineel

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

11 minuten leestijd

En nu de woorden zelven.
Wij vernemen hier woorden, niet maar van eenen van hooger licht en genade afhankeljjken Profeet of Apostel; hoewel wij ons aan dezelve te onderwerpen hebben in hetgeen zij van den mensch zeggen, die zonder zaligmakende kennis Gods is, zoo moet vooral alle tegenspraak ophouden, waar wij Dien hooren, Die alleen kan zeggen: Ik ben de weg en de waarheid en het leven, — Ik ben het licht der wereld.
De Heere Jesus spreekt; — wat Hij zegt, zegt Hij'(volgens het voorafgaande Vers) van het Joodsche volk en van de Heidenen (d. i. van alle overige volkeren), dat is dus van eenen iegelijken mensch. Wij menschen zijn daarin van de dieren onderscheiden, dat wij redelijke wezens zijn, begaafd met verstand en wil.
De mensch omvat en doorklieft met zijn verstand het hoogste en het diepste; wie kan de grenzen aanwijzen van zijn begrip, of het vermogen schatten van zijne wijsheid? en wat vermag niet de kracht van zijnen wil? met zijnen wil maakt hij bergen vlak en zeeën droog. En of het wel waar is, dat hij indezen afhankelijk is van hooger wijsheid en wil, laat ons van den mensch niets beweren wat zijns Makers lof verkleint.
Maar van dienzelfden mensch zegt de Heere Jesus het volgende: De mensch, wie hij ook zij, kan, wat zijne zaligheid en de kennisse Gods aangaat, niet zien; zijne oogen zijn gesloten door blindheid, hij zit in de duisternis, dat is in de volslagenste onwetendheid omtrent het licht, omtrent de kennis der zaligheid, hij is van die kennis verwijderd als door eene wijde kloof, hij kan en zal zich ook tot het licht niet wenden, omdat hij er geen begrip van heeft. Hij heeft dus bij alle verstand, wijsheid en begrip in het natuurlijke volstrekt geen verstand, wijsheid of begrip omtrent zijn wezenlijk geluk, en kan bijgevolg met zijn verstand niets vatten dan wat aardsch of duivelsch is.
Verder: De mensch, wie hij ook zij, kan, wat zijne zaligheid, wat God, zijn hoogste Goed, aangaat, met al zijne wilskracht niets willen; hij heeft geenen wil, die iets uitrichten kan, hij is in de macht des Satans, dus in geenen deele vrij om te kiezen, maar een slaaf, lijfeigene en gebondene des Satans, die hem vasthoudt in zijnen wil, en als Satan hem ook opzet in vijandschap tegen God, zoodat hij zich tot God niet wenden kan en ook niet wenden wil.
Hij heeft dus bij alle wil en wilskrachten in het natuurlijke, volstrekt geenen wil tot Gods wil, en kan dien niet willen.
Elk mensch, hij zij wie hij zij, moet eerst geopende oogen ontvangen om te zien, dat hij niet ziet, om te zien, dat hij zich in de duisternis en in de onzaligste onwetendheid bevindt aangaande de kennisse Gods en zijner ziele zaligheid.
Uit die duisternis kan hij, al heeft hij geopende oogen ontvangen, niet uitkomen; hij weet nog niets van het licht, en moet door des Heeren Woord en Geest tot het licht gebracht worden.
Als hij tot het licht gebracht wordt, dan begint hij God te zien, maar hij wordt nu eerst zijnen onwil en zijne onmacht, zijne volslagene machteloosheid gewaar, hij ziet zich in des Satans macht, banden en boeien, en kan er niet uit; de vijandschap tegen vrije genade moet in hem gebroken worden, een ander dan hij zelf moet hem vrijmaken van des Satans boeien, en hem tot God brengen.
Elk mensch, hij zij wie hij zij, die niet van de duisternis tot het licht, van de macht des Satans tot God bekeerd is, heeft geene vergeving van zonden, neen, maar zijne zonde en schuld liggen voor zijne eigene rekening, — hij zie hoe hij genoegdoening en betaling brenge! — hij heeft geen erfdeel met degenen, die zalig worden , er is voor hem niet aan te denken, dat hij in den hemel zal komen, waar God woont, veelmeer kan hij er van verzekerd zijn, dat zijn deel zal wezen eeuwige rampzaligheid met den Satan in de eeuwige duisternis.
Niet daardoor dat men geopende oogen ontvangt, tot het licht komt, of tot God bekeerd wordt, komt de vergeving der zonden , het eeuwig erfdeel onder alle geheiligden van den Heere Jesus. Vergeving van zonden en het erfdeel komt van God, — de bekeering is liet gebracht worden tot God; en als men tot God gebracht is, dan is de vergeving van zonden en het erfdeel een geschenk van vrije goedheid, — dat wordt door ons komen tot God niet verdiend, ook daardoor niet, dat wij de duisternis verlaten en Satan den dienst opzeggen.
Er is liier geene sprake van zelf bekeering, van het zich vormen naar een zeker godsdienstig model, van het uitoefenen van godsdienstige plichten of wetten en regelen, die de mensch zichzelven oplegt, maar er is hiervan sprake, dat een mensch door den dienst van een ander, dien de Heere zendt, krachtdadig bekeerd wordt tegen des menschen natuurlijke verstand en aangeborene vijandschap en onwil in.
Het Woord des Evangelies doet het, hetwelk een zondaar, maar van den Heere begenadigd en gezonden, zijnen medezondaren verkondigt, — dat Woord, dat niet weder ledig terugkeert tot den Heere, maar uitwerkt waartoe Hij het zendt; — als de Heere en Zijn Geest zenden, zoo opent de Heere, dat is de Heilige Geest, blazende waar Hij wil, het hart, dat acht gegeven wordt op hetgeen door des dienaars mond verkondigd wordt.
Opening der oogen, licht en bekeering verheerlijken den mensch niet, maar maken hem ootmoedig; hij leert zijne blindheid, zijne onmacht en zijnen onwil, dat hij uit zichzelven nimmer zou gekomen zijn, en hij leert Gods vrije ontferming roemen en prijzen, en God op het hoogst verheffen.
Verder zegt de Heere van den mensch, dat hij bij God geene vergeving van zonden, geen erfdeel der zaligheid, geene heiligheid, geen eeuwig wonen onder des Heeren geheiligden vindt, dan door het geloof in den Heere.
Wie dan tot God bekeerd wordt, vindt als eeuwige oorzaak zijner vrije rechtvaardigmaking: onverdiende goedheid, zuivere liefde Gods, eeuwige ontferming, — als verdienende oorzaak den Heere Jesus en Zijne genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid; als een goddelooze ontvangt hij de gave der rechtvaardiging, en de Geest, die hem door het Evangelie tot God gebracht heeft, wordt in hem een Geest des gebeds en des geloofs, om op des Heeren Woord te pleiten, ontsteekt kennis Gods in het aangezicht Jesu Christi, geeft vertrouwen, hetwelk alleen berust op des Heeren Jesu offer aan het kruis, zet de ziel zoo in Christus over, en eigent den mensch alle weldaden Christi, de beloften en het beloofde toe. Dat is het wat de Heere Jesus zegt: door het geloof in Mij, — dus door niets anders.
Wat gedachten de Heere Jesus van dien mensch denkt, die zoo blind en zoo goddeloos, zoo zonder licht en zonder God in de wereld is, is uit Zijne wilsverklaring duidelijk. Als Hij tot Saul zegt: „Ik zal u verlossen van dat volk (dat is het Joodsche volk) en van de Heidenen", zoo zegt immers de Heere, dat Hij van den mensch slechts vervolging, dwaasheid cn tegenstand verwacht, maar terwijl Hij daarbij voegt „tot dewelke Ik u nu zende, om open te doen hunne oogen'1, zoo heeft Hij immers andere gedachten als de mensch heeft, zoo heeft Hij immers gedachten des vredes over eenen blinden, weerbarstigen en Hem vijandigen mensch, gedachten om hem weder te halen in 's Vaders huis en hem voor tijd en eeuwigheid gelukkig te maken met een geluk, dat de mensch tot dusveire noch kent noch wil. O hoe zeer geldt het in dit opzicht, wat de Heere zegt door den mond van den Profeet Jesaja : Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is, de goddelooze verlate zijnen weg, enz. Jes. 55 : 6 —11.
Wij hebben nu uit de woorden zelve ontvouwd, wat de Heere Jesus, de waarachtige Getuige, van den mensch, die zonder zaligmakende kennis, en dus zonder God in de wereld is, zegt; wij hebben tevens aangestipt, wat gedachten de Heere van den mensch denkt, — wij toonen nog gaarne even aan, dat de Heere hetzelfde elders zegt en door Zijne Profeten en Apostelen laat vernemen.
Omtrent de natuurlijke blindheid zegt de Heere elders: „Zoo lang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld- Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen,, die niet zien, zien mogen, en die zien blind worden". Joh. 9, en Hoofdst. 3: „Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht" enz. Hoe het des Heeren zaak alleen is verstand, kennis en oordeel te verlichten, en dat er anders geene kennis Gods en Christi is, vinden wij welgestaafd door hetgeen wij elders van den Heere hooren: Uit des menschen hart. komt voort onverstand; en: O onverstandigen en tragen van harte om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden^ (Luk. 24). „Verstaat gij ook wat gij leest", vraagde Filippus den Moorman; „hoe zoude ik", antwoordde hij, „zoo mij niet iemand onderricht?" Uit de natuurlijke blindheid en onwetendheid , d. i. uit de duisternis, komt niemand uit zichzelven terecht, / daarom lezen wij Luk. 19: 42: „Maar nu is het voor uwe oogen verborgen." Het hangt hier alles af van vrij welbehagen, daarom vinden wij het oordeel: „Hij heeft hunne oogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zieiu (Joh. 12:40.) Daarentegen luidt de smeekbede : „Verlicht mijneoogen, dat ik aanschouwe de wonderen Uwer Wet; (Ps. 119: 9) en is het gebed voor de Gemeente om verlichte oogen desverstands. (Ef. 1 : 18.) En het is des Heeren raad en bevel: „Zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt." (Openb. 3: 18.) Van des menschen volslagene blindheid in het geestelijke getuigt ook de Apostel Paulus: „De natuurlijke^ mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijnr zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan. Van de krachtdadige bekeering van de duisternis tot het licht schrijft de Apostel Petrus: „Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht;" en: gij waart eertijds als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen (1 Petr. 2: 9 en 25), en de Apostel Paulus:. „Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts" (Ef. 5: 8) en nog eens: „Dankzeggende God en den Vader; die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en ons overgezet heeft in het Koninkrijk des Zoons Zijner liefde." Omtrent des menscheu gebondenheid in de macht des duivels, vernemen wij des Heeren woorden: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de VaderT die Mij gezonden heeft, hem trekke. Gij wilt tot Mij niet komen. Gij zijt uit den vader den duivel. Indien de Zoon u vrijgemaakt heeft, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. Daarna komt de Satan en neemt terstond het woord uit hunne harten weg" — en dergelijke waarheden meer. De Apostel Paulus schrijft aan Timotheus, 2 Tim. 2: 25, 26: „Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan, of hun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid, en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot Zijnen wil; en aan de Romeinen (Hoofdst. 8): „Vleeschelijk gezind zijn is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet," en aan de Efezen Hoofdst. 2 schrijft hij van den Geestr die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; en aan de Corinthiërs (2 Cor. 4 : 3 ) : „Is ons Evangelie bedekt, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaan, in welke de God dezer eeuw de zinnen verblind heeft," enz.
Wat de gedachten des Heeren aangaat omtrent den blinden mensch, kunnen wij verstaan uit hetgeen wij lezen Luk. 1 : 76—80. En ook: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen, die zaten in het land en schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan, (Matth. 4 : 16); en andermaal: „Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid" (Luk. 4 : 19).
Van de verlossing en het erfdeel schrijft ook Paulus Col 1 : 1 4: ^In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden;" en Titus 3 : 3—7: „Want ook wij wraren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijne liefde tot de menschen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jesus Christus, onzen Zaligmaker; opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door .Zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens." (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken